Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/673776 / FA RK 24-7261
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:253a BWArt. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige regeling gezag, omgang en kinderalimentatie na scheiding ouders minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om gezamenlijk ouderlijk gezag, een omgangsregeling, informatie- en consultatieregeling en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind.

De moeder voert zorgen aan over de veiligheid van het kind vanwege vermoedelijke seksverslaving van de vader en verzet zich tegen gezamenlijk gezag. De vader erkent een verleden van overmatig pornogebruik maar stelt dit niet meer te hebben. De communicatie tussen ouders is slecht en beperkt tot WhatsApp.

De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorzieningen af wegens gebrek aan belang, stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de vader om de veertien dagen contact heeft bij oma, en legt een informatieplicht op aan de moeder om de vader per kwartaal te informeren over belangrijke zaken rondom het kind. De voorlopige kinderalimentatie wordt vastgesteld op €25 per maand vanwege de schuldsanering van de vader.

De ouders worden verwezen naar ouderschapsbemiddeling om de communicatie te verbeteren. Definitieve beslissingen over gezag, omgang en alimentatie worden aangehouden tot augustus 2026 in afwachting van het bemiddelingstraject en eventuele rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling, informatieplicht en kinderalimentatie vast en houdt definitieve beslissingen aan in afwachting van ouderschapsbemiddeling en rapportages.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7261
Zaaknummer: C/09/673776
Datum beschikking: 6 januari 2026
Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling, informatie- en consultatieregeling, kinderalimentatie en voorlopige voorzieningen ex artikel
223 Rv

Beschikking op het op 3 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Pherai in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.B. Peters in Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de moeder;
  • het bericht met bijlagen van 1 december 2025 van de vader;
  • het verweer van de vader tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder.
Op 12 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
  • [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .
  • De vader heeft [de minderjarige] erkend.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag belast over [de minderjarige] .

Verzoek en verweer

in de bodemprocedure:
De vader verzoekt:
  • te bepalen dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] ,
  • te bepalen dat de vader [de minderjarige] bij zich zal hebben:
  • een dag per week van 10:00 uur tot 15:00 uur met uitbreiding over twee jaar met een overnachting van vrijdag 15:00 uur tot zaterdag 18:00 uur;
  • op Vaderdag, de verjaardag van [de minderjarige] en het Suikerfeest gedurende twee tot drie uur;
  • vanaf 2026: gedurende de zomervakantie twee weken aaneensluitend;
  • te bepalen dat een informatie-en consultatieregeling van eenmaal per kwartaal zal gelden, betreffende voorkomende en belangrijke zaken omtrent [de minderjarige] .
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
- de vader te veroordelen om als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van het minderjarige kind van partijen, een bedrag van € 350,- per maand zal voldoen aan de moeder, met ingang van 1 april 2025 en telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag en datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
in de voorlopige voorzieningenprocedure:
De vader verzoekt:
  • een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen van een dag per week van 10:00 uur tot 15:00 uur, althans een voorlopige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank juist acht;
  • een voorlopige informatie- en consultatieregeling van eenmaal per kwartaal zal gelden, betreffende voorkomende en belangrijke zaken omtrent [de minderjarige] .
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige voorzieningen
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in het kader van de voorlopige voorzieningen wordt verzocht, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen afwijzen bij gebrek aan belang.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling
Wettelijk kader
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het omgangsrecht op grond van artikel 1:377a, lid twee van het Burgerlijk Wetboek (BW) of het ouderlijk gezag grond van artikel 1:253a, lid twee BW.
De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader geeft geprobeerd structurele afspraken te maken met de moeder over het contact tussen hem en [de minderjarige] , maar geeft aan dat dit niet is gelukt. Zo heeft de vader [de minderjarige] vorig jaar een langere periode niet gezien en heeft hij op dit moment alleen sporadisch contact met haar. Door zijn werk is het niet mogelijk om doordeweeks een vaste dag af te spreken, maar de vader wil wel graag toewerken naar een structurele regeling.
De moeder bevestigt dat [de minderjarige] en de vader af en toe een paar uurtjes contact hebben met elkaar, in het bijzijn van de moeder bij de ballenbak. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader en maakt zich zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] . Deze zorgen zijn erin gelegen dat de moeder denkt dat de vader een seksverslaving heeft. Zo heeft zij meerdere filmpjes gevonden op zijn telefoon en had hij veel contact met andere vrouwen tijdens de relatie. De moeder is daarom ook van mening dat het contact onder haar begeleiding, die van oma of via een omgangshuis moet plaatsvinden.
De raadsvertegenwoordiger op de zitting heeft hulpverlening via Trubendorffer aangeraden voor de vader. Hij kan hier de situatie bespreken en onderzoeken of hij nadere hulpverlening nodig heeft voor het behandelen van zijn (mogelijke) verslaving. De vader kan zo nodig in deze procedure een verslag overleggen om zo het vertrouwen van de moeder te winnen.
De rechtbank overweegt als volgt. De vader is tot op heden onvoldoende in staat geweest om de zorgen bij de moeder weg te nemen. Hij heeft op de zitting erkend dat hij een bovenmatige interesse had in het kijken van porno, maar geeft aan dat dit nu niet meer speelt. De rechtbank overweegt dat er daarnaast sprake is van slechte communicatie tussen de ouders. Zij hebben uitsluitend via Whatsapp contact met elkaar en deze situatie is sinds het einde van de relatie in 2022 al zo. Tijdens de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over de voorlopige omgangsregeling. Zij hebben daarbij afgesproken dat de vader een zondag per veertien dagen van 10:00 uur tot 13:00 uur bij oma vaderszijde (vz) contact heeft met [de minderjarige] . De moeder zal [de minderjarige] naar de oma brengen, en de vader brengt samen met oma [de minderjarige] weer terug naar de moeder.
Ouderschapsbemiddeling
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling met als doel het verbeteren van de onderlinge verstandhouding en de communicatie. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is al per e-mailbericht gezonden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Ouderschapsbemiddeling en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking ook per post sturen aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals op de zitting met de ouders is besproken, de eindrapportage over het verloop van de Ouderschapsbemiddeling in te dienen voor de na te melden pro forma datum. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Is een wijziging van eenhoofdig gezag naar gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige] ?
Welke zorg c.q. omgangsregeling is in het belang van [de minderjarige] ?
Is nadere hulpverlening voor de ouders en/of [de minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de beslissing ten aanzien van de omgangsregeling zal aanhouden tot na te melden pro forma datum in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject, dan wel de resultaten van het rapport en advies van de Raad.
Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank iedere definitieve beslissing ten aanzien van de zorg c.q. omgangsregeling, alsmede de vakanties en feestdagen pro forma aanhouden.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wil graag mede met het gezag over [de minderjarige] worden belast. Hij wil onderdeel uitmaken van het leven van [de minderjarige] en volgens hem zijn er geen redenen om af te wijken van het uitgangspunt van de wetgever.
De moeder is van mening dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. Zo maakt zij zich veel zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] . Over het algemeen is er weinig contact tussen de vader en [de minderjarige] , en toont de vader ook weinig interesse in haar. Daarnaast is de communicatie niet goed tussen de ouders en zal gezamenlijk gezag ervoor zorgen dat [de minderjarige] klem en/of verloren zal raken tussen de ouders.
De rechtbank zal het verzoek ten aanzien van het gezag ook aanhouden, in afwachting van het verloop van het traject Ouderschapsbemiddeling.
Informatie- en consultatieregeling
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van de ouder kan de rechtbank ter zake een regeling vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt een informatie- en consultatieregeling waarbij de moeder eenmaal per kwartaal voorkomende en belangrijke zaken rondom [de minderjarige] aan de vader moet laten weten en hem moet raadplegen over de daarover te nemen beslissingen. De moeder heeft op de zitting ingestemd met de verzochte informatieregeling, maar vindt een consultatieregeling een brug te ver.
De rechtbank overweegt dat het van belang is voor de aansluiting van de vader bij het dagelijkse leven van [de minderjarige] dat de vader goed op de hoogte is. De rechtbank zal daarom als voorlopige informatieregeling bepalen dat de moeder de vader eenmaal per kwartaal moet informeren over school, medische kwesties, haar sociale leven en belangrijke gebeurtenissen, zodat de vader tijdens de omgang beter kan aansluiten bij [de minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek voor het overige aanhouden.
Kinderalimentatie
De moeder verzoekt met ingang van 1 april 2025 een kinderalimentatie van € 350,- per maand. De vader voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te voldoen omdat hij in de schuldsanering zit.
De ouders hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de behoefte van [de minderjarige] van € 402,- per maand in 2022. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 471,- per maand.
Gelet op het schuldsaneringstraject van de vader dat eindigt in mei 2026, hebben de ouders een voorlopige kinderalimentatie van € 25,- per maand afgesproken, met ingang van
1 december 2025.Nu de overige verzoeken ook pro forma worden aangehouden voor zes maanden en ter voorkoming van een nieuwe (wijzigings)procedure is gekozen voor deze praktische oplossing. Bij de volgende zitting zal de draagkracht van de vader worden besproken aan de hand van de situatie op dat moment.
De rechtbank zal de afspraak tussen de ouders vastleggen als een voorlopige kinderalimentatie, en het verzoek ten aanzien van definitieve kinderalimentatie aanhouden.
Proceskosten
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de proceskosten aanhouden, nu sprake is van een tussenbeschikking.

BeslissingDe rechtbank:

*
wijst het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen af;
*
bepaalt als
voorlopigeomgangsregeling dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , contact heeft met de vader:
- een zondag per veertien dagen van 10:00 uur tot 13:00 uur bij oma vaderszijde, waarbij de moeder [de minderjarige] brengt bij oma, en de vader samen met oma [de minderjarige] weer naar de moeder zal brengen;
*
bepaalt als
voorlopigeinformatieregeling dat de moeder één keer per kwartaal de vader moet informeren over belangrijke zaken rondom [de minderjarige] , waaronder begrepen school, medische kwesties, haar sociale leven en belangrijke gebeurtenissen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder een
voorlopigekinderalimentatie voor [de minderjarige] moet voldoen van € 25,- per maand, met ingang van 1 december 2025 en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader]
(de vader)
wonende aan de [adres 1] ,
en
[de moeder]
(de moeder)
wonende aan de [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de Ouderschapsbemiddeling met kopie aan beide ouders en hun advocaten en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren
en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling, informatie- en consultatieregeling, kinderalimentatie en proceskostenaan tot
1 augustus 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 januari 2026.