ECLI:NL:RBDHA:2026:2250

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694399 / FA RK 25-8496
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling en verwijzing naar mediation bij conflict ouders over minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om de zorgregeling voor zijn minderjarige kinderen te wijzigen. De vader wilde het contact met de kinderen herstellen en de zorgregeling uit 2022 laten herleven, terwijl de moeder dit afwees vanwege het gedrag van de vader en de wens van de kinderen om geen contact te hebben.

De Raad voor de Kinderbescherming bracht naar voren dat het conflict tussen de ouders de kinderen belast en dat het probleem bij de ouders ligt, niet bij de kinderen. Eerdere hulpverlening had geen verbetering gebracht. De rechtbank besloot de ouders te verwijzen naar mediation en een traject voor ouderschapsbemiddeling om hun conflicten op te lossen.

De rechtbank stelde een informatie- en consultatieregeling vast waarbij de moeder de vader maandelijks via zijn advocaat informeert over belangrijke zaken rondom de kinderen. De benoeming van een bijzondere curator werd afgewezen omdat dit de kinderen meer in het conflict zou betrekken.

De definitieve beslissing over de zorgregeling werd aangehouden in afwachting van het verloop van het mediationtraject. De rechtbank benadrukte het belang van samenwerking tussen de ouders om het welzijn van de kinderen te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot wijziging van de zorgregeling af en verwijst ouders naar mediation en ouderschapsbemiddeling, met aanhouding van de definitieve beslissing tot 16 juli 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8496
Zaaknummer: C/09/694399
Datum beschikking: 8 januari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatieregeling

Beschikking op het op 7 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 4 december 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

De vader verzoekt te bepalen dat:
  • [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de eerste maand na de te wijzen beschikking eens per week met de vader bellen, vervolgens in de tweede maand na de beschikking iedere week één dag in het weekend bij de vader zijn en vanaf de derde maand de zorgregeling uit de beschikking van 11 juli 2022 weer hervat zal worden, waarbij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de helft van de tijd alsmede de helft van alle feestdagen en vakanties bij de vader verblijven, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de moeder in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-;
  • de moeder de vader iedere maand per e-mail op de hoogte brengt van de gewichtige zaken in het leven van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , waaronder hun schoolprestaties en medische informatie, een en ander op straffe van een dwangsom voor iedere dag dat de moeder hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;
  • ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een bijzondere curator zal worden benoemd om hun belangen met trekking tot de zorgregeling buiten rechte te behartigen;
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt te bepalen dat:
- ten aanzien van [de minderjarige 1] geen zorgregeling zal gelden en dat het contact met de vader op
zijn initiatief zal plaatsvinden;
- ten aanzien van [de minderjarige 2] de zorgregeling, opgenomen in de beschikking van 11 juli
2022 wordt beëindigd, althans wordt geschorst in afwachting van een rapportage van de bijzondere curator;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] ;
- Uit de relatie van partijen is ook geboren de inmiddels meerderjarige:
- [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats 3] ;
- Partijen oefenen het gezamenlijke gezag over de minderjarigen uit.
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. [de jong-meerderjarige] verblijft bij de vader.
- Partijen zijn in mei 2018 een ouderschapsplan overeengekomen, waarin zij – voor zover van belang – hebben afgesproken dat:
­ [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder. [de jong-meerderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader;
­ een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdagmiddag na school (12.00 uur) tot de donderdag erop 12.00 uur bij de vader zullen zijn en in de even weken van donderdag 12.00 uur tot de vrijdag erop 12.00 uur bij de moeder zullen zijn, met uitzondering van de vakanties;
­ de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;
- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 juli 2022 is – voor zover van belang – bepaald dat:
­ [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder en [de jong-meerderjarige] bij de vader;
­ [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de helft van de tijd bij de vader verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
­ ten aanzien van [de jong-meerderjarige] , gelet op zijn leeftijd, geen zorgregeling meer zal gelden en dat het contact met de moeder op zijn initiatief plaatsvindt.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vader verzoekt om de co-ouderschapsregeling, die op 11 juli 2022 door de rechtbank is vastgesteld, te laten herleven. Deze zorgregeling verliep lange tijd zonder problemen, maar eind 2024 is het contact tussen de vader en de kinderen stil komen te liggen. De vader heeft nu alleen via Whatsapp nog af en toe contact met [de minderjarige 1] . In de tussentijd is hulpverlening ingezet via Oog voor Thuis, maar dat heeft niets opgeleverd.
De moeder heeft een geheel andere beleving van de gang van zaken. De kinderen willen simpelweg geen contact met de vader. Dat heeft alles te maken met zijn houding en gedrag. De vader is dwingend en hij belast de kinderen met zijn frustraties. Ten aanzien van [de minderjarige 1] geldt daarbij dat naar mening van de moeder geen zorgregeling meer vastgesteld moet worden, omdat hij al zeventien is. Voor [de minderjarige 2] geldt dat zij heel resoluut is: zij wil de vader absoluut niet zien. Een toevallige ontmoeting heeft al een grote weerslag op haar gehad. Een hervatting van de zorgregeling is dan ook niet in haar belang en de moeder verzoekt de eerder vastgestelde zorgregeling te beëindigen.
De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat het gezin al langer bij hen bekend is. Al in 2019 is een eerste melding gedaan bij Veilig Thuis en in 2023 heeft de Raad een beschermingsonderzoek uitgevoerd. Dat heeft niet geresulteerd in een verzoek tot ondertoezichtstelling, maar er is wel duidelijk geworden dat de kinderen worden belast met de strijd en het wantrouwen tussen de ouders. De ouders hebben daarbij in het verleden al hulpverlening ontvangen (onder andere Kinderen uit de Knel), maar dat heeft geen verbetering gebracht. Door de Raad is benadrukt dat de oplossing niet is gelegen in hulpverlening voor de kinderen, omdat het probleem niet bij hen ligt. Het is aan de ouders om verantwoordelijkheid te nemen en samen aan de slag te gaan. Slagen de ouders hier niet in, dan zal dit gevolgen hebben voor de kinderen, ook in de toekomst.
De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen door de Raad naar voren is gebracht. Duidelijk is dat de ouders aan de slag zullen moeten, om de kinderen te ontlasten en hen (op den duur) de mogelijkheid te geven om onbelast contact te hebben met zowel hun vader als hun moeder. De ouders hebben aangegeven dat zij toch bereid zijn om met elkaar in gesprek te gaan. Zij zullen daarom worden verwezen naar een traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
In afwachting van de resultaten van het ouderschapstraject en de mediation zal de rechtbank de definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden. Ten aanzien van [de minderjarige 1] geldt daarbij dat de vader en hij contact kunnen hebben via Whatsapp, zoals nu ook al het geval is. De rechtbank spreekt daarbij de hoop uit dat hier een nieuwe start van het contact zal voortvloeien, nu de kinderrechter in het gesprek met [de minderjarige 1] heeft bemerkt dat hij dat misschien wel wil. Voor [de minderjarige 2] zal de rechtbank nu geen zorg- of contactregeling vaststellen, gelet op haar volhardende mening op dit moment.
Informatie- en consultatieregeling
De vader verzoekt om de vaststelling van een informatie- en consultatieregeling. In het verleden hielden partijen elkaar via e-mail op de hoogte over de kinderen. Omdat er nu geen (of heel beperkt) direct contact is tussen de vader en de kinderen wenst hij door de moeder over belangrijke onderwerpen in het leven van de kinderen op de hoogte te worden gehouden. Omdat de moeder op dit moment weigert om direct met de vader te communiceren, is afgesproken dat de moeder de e-mail naar de advocaat van de vader stuurt. De rechtbank zal bepalen dat zij dit één keer per maand zal doen, waarbij zij ingaat op de ontwikkelingen van de kinderen en hun leven, leuke of vervelende gebeurtenissen, school, hobby’s, interesses, et cetera. Op die manier kan de vader op het moment dat hij weer contact zal krijgen met de kinderen bij hen aansluiten. Het is daarbij niet de bedoeling dat de vader reageert op de e-mails van de moeder.
Voor zover de vader nog heeft verzocht om een dwangsom ingeval de moeder haar informatieplicht niet nakomt, geldt dat de rechtbank dit verzoek zal aanhouden, eveneens in afwachting van voornoemde trajecten. Zij gaat er evenwel van uit dat de moeder zich hieraan zal houden.
Bijzondere curator
Tot slot is door de vader verzocht om de benoeming van een bijzondere curator voor de kinderen, zoals opgenomen in artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Zoals in het voorgaande al is besproken, ligt het probleem in dit geval niet bij de kinderen, maar moeten juist de ouders hun patronen doorbreken. Met de benoeming van een bijzondere curator zullen de kinderen juist meer in het conflict tussen de ouders worden betrokken, wat voorkomen moet worden. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de moeder met ingang van de datum van deze beschikking de vader één keer per maand via het e-mailadres van de advocaat van de vader schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , en verklaart deze informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om te trachten hun geschil door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
stelt vast dat partijen, te weten:

[de vader] ,

wonende te [adres]
en

[de moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatieregeling en de dwangsom aan tot
16 juli 2026 pro forma.
uiterlijk op voornoemde pro formadatum dienen partijen zich schriftelijk uit te laten over het resultaat van de mediation en de voortgang van deze procedure;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de dwangsom aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 januari 2026.