Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2261

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/675938 / FA RK 24-8310 & C/09/683026 / FA RK 25-2531
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 1:102 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd sinds 2006 en hebben twee kinderen, waarvan één minderjarig. De vrouw woont in de echtelijke woning, de man woont tijdelijk bij een collega. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en nevenvoorzieningen vastgesteld, waaronder kinderalimentatie van €246 per maand voor het minderjarige kind, ingaand per datum beschikking.

De rechtbank heeft geen zorg- en vakantieregeling vastgesteld vanwege de onzekere woonsituatie van de man, die geen eigen woning heeft en bij een collega verblijft. Zodra de man een eigen woning heeft, dienen partijen in overleg een regeling te treffen.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap is vastgesteld met de woning aan de vrouw onder voorwaarde van overname tegen bindende taxatiewaarde en ontslag van de man uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien overname niet lukt, wordt de woning verkocht en de opbrengst verdeeld. De inboedel wordt aan de vrouw toegekend met vergoeding aan de man, de eenmanszaak blijft bij de vrouw, en bankrekeningen blijven bij de rekeninghouders. Schulden bij ING en Tozo worden verdeeld en vergoed door de man aan de vrouw. Vorderingen van de vrouw op kinderbijslag, kindgebonden budget, tandartskosten en zakgeld zijn afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, kinderalimentatie vastgesteld op €246 per maand, woning aan vrouw toegewezen onder voorwaarden, zorg- en vakantieregeling niet vastgesteld wegens onzekere woonsituatie man.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 24-8310 (scheiding) en FA RK 25-2531 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/675938 (scheiding) en C/09/683026 (verdeling)
Datum beschikking: 6 januari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 15 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.D. Radenovska te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. van der Heiden te Honselersdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 13 december 2024 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 22 december 2024 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 16 januari 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 30 maart 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 2 april 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 7 april 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- twee F9-formulieren van 24 november 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 27 november 2025 van de advocaat van de vrouw;
- het F9-formulier van 28 november 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 28 november 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het e-mailbericht van 1 december 2025 van de advocaat van de man.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Het betrof een
gecombineerde behandelingvan zowel de onderhavige procedure als de procedure over de alimentatie van [de jong-meerderjarige] (zaak- en rekestnummer C/09/695363 / FA RK 25-9023). De uitspraak daarvan is in een aparte beschikking vastgelegd. Op de zitting van 9 december 2025 zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk M.S. Paunova;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2006 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van het minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , roepnaam: [de minderjarige] .
- Zij zijn de ouders van de inmiddels jong-meerderjarige:
- [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2] , roepnaam: [de jong-meerderjarige] .
- [de minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw de Bulgaarse nationaliteit heeft en dat de man, [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben.
- Deze rechtbank heeft op 27 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen en, voor zover van belang:
- bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en mitsdien is bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 27 november 2024 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] van € 587,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft – na aanvulling – verzocht de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat de man vanaf datum beschikking een minimaal bedrag van € 650,- per maand, dan wel een maximaal bedrag van € 929,- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren, ten behoeve van de twee minderjarige kinderen van partijen, zijnde een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen;
- de echtelijke koopwoning gelegen op het adres [adres] aan de vrouw toe te bedelen onder de voorwaarde dat de vrouw de hypothecaire verplichtingen van de man over zal nemen en de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheekschuld over de woning zal ontslaan, waarbij de man zijn aandeel in de eigendom van de woning aan de vrouw zal leveren tegen verrekening en verkoop van zijn aandeel aan de vrouw op grond van de waarde van zijn aandeel en na verrekening met de andere gemeenschappelijke schulden, die de vrouw volledig voor haar rekening heeft genomen en/of volledig heeft afbetaald. De kosten voor de taxatie, de makelaar, de notariële akte en de verdere kosten verbonden aan de overdracht van de eigendom van de man aan de vrouw, dienen voor rekening van beide partijen te komen;
- de inboedel zonder verdeling aan de vrouw toe te delen;
- de spaar- en betaalbankrekeningen van partijen aan de partij op wiens naam de bankrekening is gesteld toe te bedelen, onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum aan de andere partij te vergoeden;
- de auto van het merk Volkswagen Polo, met kenteken [kenteken] op naam van de man, ten waarde van € 750,- op peildatum, zonder verrekening aan de vrouw toe te wijzen;
- de vouwfiets – elektrisch en de stadsfiets – elektrisch, ten waarde van € 2.858,- aan de vrouw toe te delen, waarbij de man een bedrag van € 1.429,- aan de vrouw dient te voldoen;
- de eenmanszaak [eenmanszaak] (KvK-nummer [KvK-nummer] ), zonder verrekening en verdeling, aan de vrouw toe te delen;
- bepaling dat op de schulden van de huwelijksgemeenschap de hoofdelijke aansprakelijkheid van de partijen blijft bestaan, tenzij de schuldeiser één van de partijen daaruit heeft ontslagen en derhalve indien één van de partijen een bepaalde gemeenschappelijke schuld volledig voor zijn/haar rekening heeft genomen, waarna hij/zij de helft van de schuld van de andere partij kan vorderen of verrekenen;
- bepaling dat de man het bedrag ad € 13.351,64 aan kinderbijslag voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024, althans een ander bedrag, dat de man op zijn bankrekening heeft gekregen en gespaard aan de vrouw zonder verrekening dient uit te betalen;
- bepaling dat de man het bedrag ad € 12.366,- aan kindgebonden budget vanaf
1 januari 2020 tot en met 31 december 2024, althans een ander bedrag, dat de man op zijn bankrekening heeft gekregen en gespaard aan de vrouw zonder verrekening dient uit te betalen;
- bepaling dat de man het bedrag ad € 750,- voor de tandarts voor [de jong-meerderjarige] aan de vrouw zonder verrekening dient uit te betalen;
- bepaling dat de man het bedrag ad € 3.083,-, althans een ander bedrag, als zakgeld voor de kinderen aan de vrouw zonder verrekening dient uit te betalen;
althans een dusdanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verzocht het verzoek om de echtscheiding uit te spreken toe te wijzen. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht tot:
- bepaling dat de man een bedrag aan kinderalimentatie van maximaal € 225,- voldoet
voor [de jong-meerderjarige] en van maximaal € 105,- voor [de minderjarige] , althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- bepaling dat de waarde van de woning aan de [adres]
middels een bindende taxatie zal worden vastgesteld op de volgende wijze: de vrouw kiest binnen één week na datum beschikking een makelaar, waarbij zij kiest tussen Hooghlanden Makelaars, Arnold Taal Makelaardij en Langezaal Makelaars, die vervolgens van partijen twee dagen na de keuze van de vrouw de opdracht zal krijgen om een bindende taxatie uit te voeren van de woning;
- bepaling dat de woning aan de [adres] tegen de
aldus bepaalde waarde wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de opschortende voorwaarde van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man en uitbetaling aan hem van zijn aandeel in de overwaarde (zijnde de taxatiewaarde -/- hypotheekschuld) binnen drie maanden na de datum van de beschikking, alsmede te bepalen dat het aandeel van de man in de overwaarde 50% bedraagt;
- bepaling dat alle kosten verbonden aan de overname van de woning door de vrouw,
voor rekening komen van de vrouw;
- bepaling dat de woning aan de [adres] , indien
en voor zover de vrouw er niet in slaagt binnen de onder punt VI van het verweerschrift genoemde termijn de financiering te regelen, zal worden verkocht aan een derde en in dat kader het volgende spoorboekje vast te stellen:
a) beide partijen dienen onvoorwaardelijk en voortvarend medewerking te verlenen aan verkoop en levering aan een derde;
b) de woning zal worden verkocht door de conform punt V van het verweerschrift aangewezen makelaar. Aan die makelaar zullen partijen binnen één week na het verstrijken van de onder punt VI van het verweerschrift genoemde termijn, dan wel binnen één week nadat onherroepelijk vaststaat dat de vrouw de financiering niet rond krijgt in het geval dit eerder duidelijk mocht worden, opdracht geven om tot verkoop van de woning over te gaan;
c) partijen dienen zich beiden te houden aan de adviezen van de verkoopmakelaar aangaande vraag- en laatprijs, noodzakelijke verbeteringen/onderhoud aan de woning et cetera, waarbij geldt dat deze adviezen bindend zijn;
d) de kosten van door de makelaar noodzakelijk geachte verbeteringen/onderhoud worden door partijen ieder voor de helft gedragen;
e) partijen dienen medewerking te verlenen aan bezichtigingen, waaronder tevens valt dat de woning voor iedere bezichtiging netjes toonbaar is (opgeruimd en in redelijke mate schoon);
f) partijen dienen de verkoopovereenkomst met de koper direct op eerste verzoek van de makelaar te ondertekenen;
g) partijen dienen medewerking te verlenen aan het leveren van de woning op een redelijke termijn aan de koper, waarbij geldt dat deze adviezen bindend zijn;
- bepaling dat van de verkoopopbrengst van de woning de makelaarskosten en
overige kosten verband houdende met de verkoop worden voldaan, alsmede alle hypothecaire geldleningen, waarna de resterende opbrengst bij gelijke helften wordt verdeeld;
- de inboedelgoederen aan de vrouw toe te delen en bepaling dat de vrouw in dat
kader € 2.500,- aan de man moet voldoen;
- bepaling dat ieder de eigen bankrekeningen voortzet, zonder verrekening van de
saldi;
- de auto aan de vrouw toe te delen en daarbij te bepalen dat de vrouw hiervoor uit
hoofde van overbedeling een bedrag van € 375,- aan de man moet voldoen;
- bepaling dat de twee fietsen met een waarde van € 2.858,- aan de vrouw worden
toegedeeld en bepaling dat de vrouw hiervoor een bedrag van € 1.429,- aan de man moet voldoen;
- de activa in de eenmanszaak van de vrouw aan haar toe te delen en daarbij te bepalen dat de vrouw draagplichtig is voor alle schulden van deze eenmanszaak;
- bepaling dat beide partijen draagplichtig zijn voor de Tozo-schuld, ieder voor de
helft van het maximumbedrag van € 6.096,04 dat nog openstond op de peildatum;
- bepaling dat er een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man gaat gelden, waarbij [de minderjarige]
wekelijks van woensdag uit school tot donderdag voor school en om het weekend van vrijdag uit school tot maandag voor school bij de man verblijft;
- bepaling dat [de minderjarige] in de oneven jaren de eerste drie weken van de zomervakantie en
de eerste week van de kerstvakantie bij de man zal verblijven en in de even jaren de tweede drie weken van de zomervakantie en de tweede week van de kerstvakantie en voorts bepaling dat de feestdagen en overige vakanties in onderling overleg bij helfte moeten worden verdeeld;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw aanvullend/gewijzigd verzocht:
primair:
- de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen;
subsidiair:
- bepaling dat de man maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag aan
kinderalimentatie van minimaal € 628,- per maand aan de vrouw zal voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren;
- het verzoek van de man ten aanzien van de taxatie toe te wijzen onder de
voorwaarde dat de taxatiekosten bij gelijke helften voor rekening van beide partijen zullen komen;
- het verzoek van de man ten aanzien van het toedelen van de woning aan de vrouw
toe te wijzen onder de voorwaarde dat het aandeel van de man in de overwaarde 50% bedraagt, verminderd met het aandeel van de man in de gemeenschappelijke schulden, die de vrouw volledig voor haar rekening heeft genomen en/of volledig heeft afbetaald, daarin begrepen ook de kosten voor de taxatie, de makelaar, de notariële akte en de verdere kosten verbonden aan de overdracht van de eigendom van de man aan de vrouw;
- bepaling dat alle kosten verbonden aan de overname van de woning door de vrouw
bij gelijke helften voor rekening van beide partijen zullen komen;
- het verzoek van de man ten aanzien van de verkoop van de woning aan een derde toe te wijzen en bepaling dat van de verkoopopbrengst van de woning, de makelaarskosten en de overige kosten verband houdende met de verkoop worden voldaan, alsmede alle hypothecaire geldleningen, waarna de resterende opbrengst bij gelijke helften worden verdeeld;
- het verzoek van de man ten aanzien van de inboedel af te wijzen en de
inboedelgoederen zonder verdeling en verrekening aan de vrouw toe te delen;
- het verzoek van de man ten aanzien van de bankrekeningen toe te wijzen;
- het verzoek van de man ten aanzien van de auto af te wijzen en de auto zonder
verrekening aan de vrouw toe te wijzen;
- het verzoek van de man ten aanzien van de twee fietsen af te wijzen en bepaling dat de man een bedrag van € 1.429,- aan de vrouw zal voldoen;
- het verzoek van de man ten aanzien van de eenmanszaak van de vrouw toe te
wijzen;
- het verzoek van de man ten aanzien van de Tozo-schuld af te wijzen;
- het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling met [de minderjarige] af te wijzen en
bepaling dat zodra de man over een eigen (huur)woning beschikt waar [de minderjarige] een eigen kamer kan hebben, partijen in overeenstemming met de wens van [de minderjarige] een zorgregeling zullen afspreken;
- het verzoek van de man ten aanzien van de vakantieregeling met [de minderjarige] af te wijzen
en bepaling dat partijen in onderling overleg alle vakanties en feestdagen bij helfte zullen verdelen;
althans een dusdanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Bij F9-formulier van 28 november 2025 heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzoekt nu te bepalen dat de man een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen voor [de minderjarige] van maximaal € 116,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
Bij F9-formulier van 28 november 2025 heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzoekt nu te bepalen dat de man bij datum beschikking als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [de minderjarige] een bedrag van € 342,- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de minderjarige tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Standpunt man
De man heeft toegelicht dat een vaste zorgregeling momenteel praktisch niet mogelijk is, omdat hij tijdelijk bij een collega woont. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij de door hem verzochte zorg- en vakantieregeling voorstaat zodra hij een eigen woning heeft.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft zich verzet tegen de door de man verzochte zorg- en vakantieregeling. De vrouw wil in onderling overleg een zorgregeling afspreken, zodra de man een eigen woning beschikt waar [de minderjarige] een eigen kamer kan hebben. Partijen zullen dan ook de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte verdelen.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank zal geen zorg- en vakantieregeling tussen de man en [de minderjarige] vaststellen. De reden daarvoor is dat de woonsituatie van de man te onzeker is. Daarbij heeft de man nu geen concrete plannen om met [de minderjarige] op vakantie te gaan. De rechtbank overweegt dat de man op dit moment geen eigen woning heeft en bij een collega woont. [de minderjarige] woont bij de vrouw, maar hij heeft wel regelmatig contact met de man. Zodra de man over een eigen woning beschikt, moeten partijen met elkaar afspraken maken over het contact tussen de man en [de minderjarige] . De rechtbank merkt op dat de door de man verzochte zorgregeling in beginsel passend lijkt, mits de woning van de man ook in de buurt van de school van [de minderjarige] ligt.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu [de minderjarige] in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling en de berekening van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. Omdat bij de voorlopige voorzieningenprocedure van 27 november 2024 al een voorlopige bijdrage aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] is vastgelegd van € 293,50 per maand, zal de rechtbank de bijdrage aan kinderalimentatie vaststellen per datum van deze beschikking.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] in 2025 € 1.206,- bedraagt. De rechtbank zal daarom uitgaan van een behoefte van [de minderjarige] van € 603,- in 2025.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van [de minderjarige] tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van [de minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het eens dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming over januari tot en met september 2025. Uit productie 15 blijkt dat de winst uit onderneming over januari tot en met september 2025 € 30.650,29 bruto bedroeg. Voor de berekening extrapoleert de rechtbank dit naar een volledig jaar. De rechtbank houdt daarom aan de zijde van de vrouw rekening met een winst uit onderneming van € 40.867,- bruto per jaar en een MKB-winstvrijstelling van € 5.190,-.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 6.087,- per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 3.371,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 735,- per maand
(70% x [3.371 - (0,3 x 3.371 + 1.310)]).
Draagkracht man
Partijen zijn het eens dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een inkomen van € 3.844,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van september tot en met november 2025. Daarbij houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag en de pensioenpremies van € 172,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 3.136,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 620,- per maand
(70% x [3.136 - (0,3 x 3.136 + 1.310)]).
Draagkrachtvergelijking en zorgkorting
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.355,- per maand (€ 735,- + € 620,-). Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man voor [de minderjarige] bedraagt: 620 / 1.355 x 603 = € 276,-
Het eigen aandeel van de vrouw voor [de minderjarige] bedraagt: 735 / 1.355 x 603 =
€ 327,-
samen € 603,-
Van de behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 276,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 327,- komt voor rekening van de vrouw.
Vanwege het beperkte contact tussen de man en [de minderjarige] zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 5%. De zorgkorting voor [de minderjarige] bedraagt dan € 30,- per maand (5% van € 603,-).
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van 6 januari 2026 een bedrag van € 246,- (€ 276,- - € 30,-) per maand aan de vrouw moet betalen aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] .
Verdeling huwelijksgemeenschap
Partijen zijn op [datum] 2006 met elkaar gehuwd. Niet gesteld of gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 15 november 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen ter beoordeling aangedragen:
het woonhuis aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
de inboedel;
de bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op 004 op naam van de vrouw;
2. bankrekening eindigend op 963 op naam van de man;
3. andere privé spaar- en betaalrekeningen op naam van de man;
de auto van het merk Volkswagen Polo, jaar 2000, met kenteken [kenteken] op naam van de man;
twee fietsen (vouwfiets – elektrisch en stadsfiets – elektrisch);
de eenmanszaak [eenmanszaak] ;
een schuld aan de heer [naam 2] ;
een lening bij de ING Bank;
een Tozo-lening bij de gemeente Den Haag.
Ad a. het woonhuis
De vrouw heeft aangegeven dat zij de echtelijke woning wil overnemen. Op de zitting is besproken dat de vrouw tot medio februari 2026 de gelegenheid krijgt om te bezien of zij de man kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd om de taxatie (en de eventuele verkoop van de woning) via Hooghlanden Makelaars te laten verlopen. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de vrouw. en, als de vrouw daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.
Ad b. de inboedel
De vrouw heeft gesteld dat de man de woning heeft verlaten en zijn goederen heeft meegenomen. De vrouw heeft alle goederen behorende tot de inboedel gekocht. De vrouw heeft daarom verzocht de inboedel zonder verrekening aan haar toe te delen. De vrouw heeft ook een inboedellijst opgesteld, waarbij de waarde van de inboedel (zonder fietsen van de kinderen) op € 5.364,- is berekend.
De man heeft ingestemd met toedeling van de inboedel aan de vrouw, mits zij de helft van de waarde van de inboedel aan de man vergoedt. De man heeft gesteld dat een gemiddelde inboedel € 5.000,- waard is. De man heeft verzocht de inboedel aan de vrouw toe te delen en te bepalen dat de vrouw € 2.500,- aan hem moet voldoen.
De rechtbank kan op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken niet vaststellen wat de waarde van de inboedel is, maar de ervaring leert dat de waarde van een inboedel doorgaans beperkt is, tenzij sprake is van bijzondere bestanddelen. Dit is door geen van partijen aangevoerd. Gelet op de stellingen van partijen over de waarde van de inboedel, zal de rechtbank de inboedel aan de vrouw toedelen op basis van een geschatte waarde van € 5.000,-. De vrouw moet de helft van deze waarde voldoen aan de man.
Ad c. de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de rekening staat, zonder verrekening van de saldi. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad d. de auto
Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat de auto inmiddels is gesloopt en zij daar geen vergoeding voor heeft gekregen. De man heeft dit niet betwist. Op dit verzoek hoeft daarom niet meer te worden beslist.
Ad e. de fietsen
De vrouw heeft gesteld dat de fietsen van de kinderen een totale waarde hebben van € 2.858,-. De vrouw heeft verzocht de fietsen aan haar toe te delen en te bepalen dat de man een bedrag van € 1.429,- aan haar dient te voldoen.
De man heeft ingestemd met toedeling van de fietsen aan de vrouw, onder de voorwaarde dat de vrouw € 1.429,- aan hem zal vergoeden.
De rechtbank overweegt dat de fietsen buiten de verdeling vallen, omdat deze toebehoren aan de kinderen. De rechtbank zal de verzoeken daarom afwijzen.
Ad f. de eenmanszaak [eenmanszaak]
Partijen zijn het eens dat de eenmanszaak van de vrouw aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening, onder de verplichting dat alle schulden van de eenmanszaak voor rekening van de vrouw komen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad g. schuld aan de heer [naam 2]
De vrouw heeft aangevoerd dat zij een schuld van € 47.000,- aan de heer [naam 2] heeft voor de aankoop van horecazaak [horecazaak] . De vrouw heeft aangegeven dat er momenteel een procedure loopt met betrekking tot de ontbinding van de koopovereenkomst door de vrouw en de activiteiten van de horecazaak in afwachting van een beslissing van de rechtbank in die procedure zijn gestaakt. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen blijft bestaan, tenzij de schuldeiser één van de partijen daaruit heeft ontslagen en dus indien één van de partijen een bepaalde gemeenschappelijke schuld volledig voor zijn/haar rekening heeft genomen, waarna hij/zij de helft van de schuld van de andere partij kan vorderen of verrekenen.
De man heeft het bestaan van deze schuld betwist.
De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat in het geval de schuld aan de heer [naam 2] op enig moment moet worden betaald, daarvoor geldt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn.
Ad h. lening bij ING
De vrouw heeft gesteld dat de lening bij de ING € 10.000,- bedroeg, waarvan de vrouw op de peildatum € 5.250,- heeft afgelost. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen blijft bestaan, tenzij de schuldeiser één van de partijen daaruit heeft ontslagen en dus indien één van de partijen een bepaalde gemeenschappelijke schuld volledig voor zijn/haar rekening heeft genomen, waarna hij/zij de helft van de schuld van de andere partij kan vorderen of verrekenen.
De man heeft het bestaan van deze schuld betwist.
Uit het door de vrouw overgelegde jaaroverzicht 2024 (productie 8) blijkt dat er op 31 december 2024 nog een bedrag van € 4.575,98 openstond. Op de zitting heeft de man erkend dat deze schuld in de gemeenschap valt. Gebleken is dat de lening op naam van beide partijen staat en de vrouw momenteel op de schuld aflost. Gelet hierop en nu partijen bij helfte draagplichtig zijn voor deze schuld, zal de rechtbank bepalen dat de man de helft van het saldo op 31 december 2024, te weten € 2.287,99, aan de vrouw moet voldoen.
Ad i. de Tozo-lening bij de gemeente Den Haag
De vrouw heeft gesteld dat de Tozo-lening bij de gemeente Den Haag € 8.000,- bedroeg, waarvan de vrouw op de peildatum € 1.400,- heeft afgelost. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen blijft bestaan, tenzij de schuldeiser één van de partijen daaruit heeft ontslagen en dus indien één van de partijen een bepaalde gemeenschappelijke schuld volledig voor zijn/haar rekening heeft genomen, waarna hij/zij de helft van de schuld van de andere partij kan vorderen of verrekenen.
De man heeft erkend dat de Tozo-schuld in de gemeenschap valt, maar hij heeft de hoogte van de Tozo-schuld op de peildatum betwist. Hiertoe heeft de man aangevoerd dat de schuld op 15 augustus 2024 € 7.144,54 bedroeg en de vrouw vanaf dat moment maandelijks € 349,95 moest aflossen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld op de peildatum daarom maximaal € 6.096,04 bedroeg. De man heeft verzocht te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de Tozo-schuld, ieder voor de helft van het maximumbedrag van € 6.096,04 dat nog openstond op de peildatum.
De rechtbank overweegt dat uit de door de vrouw overgelegde productie 9 is gebleken dat de Tozo-schuld op 15 augustus 2024 € 7.144,54 bedroeg, waarbij de achterstand in de betaling van de rente € 83,37 bedroeg, en de vrouw vanaf 15 augustus 2024 maandelijks € 349,95 aflost. De Tozo-schuld bedroeg op de peildatum dus € 6.178,06 (€ 7.144,54 + € 83,37 – (3 x € 349,95)). Gelet hierop en nu partijen bij helfte draagplichtig zijn voor deze schuld, zal de rechtbank bepalen dat de man de helft van het saldo op 15 november 2024, te weten € 3.089,03, aan de vrouw moet voldoen.
Vorderingen van de vrouw jegens de man in verband met kinderbijslag, kindgebonden budget, tandartskosten van [de jong-meerderjarige] en zakgeld voor beide kinderen
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een bedrag van € 13.351,64 aan kinderbijslag, een bedrag van € 12.366,- aan kindgebonden budget, een bedrag van € 750,- voor tandartskosten van [de jong-meerderjarige] en een bedrag van € 3.083,- aan zakgeld voor de kinderen aan de vrouw zonder verrekening dient te vergoeden. Hiertoe heeft de vrouw aangevoerd dat de man de bedragen aan kinderbijslag en kindgebonden budget op zijn bankrekening gestort heeft gekregen en deze bedragen heeft gespaard. Ten aanzien van de tandartskosten van [de jong-meerderjarige] heeft de vrouw gesteld dat zij deze kosten heeft voldaan, maar deze kosten voor de helft voor rekening van de man komen. Verder heeft de vrouw gesteld dat zij van januari 2023 tot en met december 2024 in totaal € 1.956,- aan zakgeld heeft gegeven aan [de minderjarige] en € 4.210,- aan [de jong-meerderjarige] . De man moet de helft van deze bedragen aan de vrouw vergoeden.
De man heeft de vorderingen betwist. Hiertoe heeft de man gesteld dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget in de huwelijksgemeenschap vielen en dus deel uitmaakten van het gezamenlijk inkomen. Daarbij zijn deze toeslagen volledig verbruikt tijdens het huwelijk en niet opgespaard. Ten aanzien van het zakgeld voor de kinderen heeft de man aangevoerd dat deze uitgaven zijn betaald vanuit gemeenschapsgeld. Verder heeft de man aangegeven dat er geen grondslag bestaat voor de vordering met betrekking tot de tandartskosten. Als de tandartskosten vóór de peildatum zijn betaald, dan zijn deze kosten voldaan met gemeenschapsgeld. Indien de tandartskosten na de peildatum zijn betaald, komen deze kosten voor rekening van de vrouw, omdat de man sinds 27 november 2024 een bedrag van € 587,- aan kinderalimentatie aan de vrouw voldoet en de vrouw daarom de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen moet voldoen.
De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw afwijzen, nu de vrouw haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat voor zover de door de vrouw gevorderde kosten van de kinderen zien op de periode vóór de peildatum (15 november 2024), deze kosten zijn betaald uit gezamenlijk inkomen van partijen. Voor zover de door de vrouw gevorderde kosten zien op de periode na de peildatum, vallen deze kosten onder de kinderalimentatie die bij voorlopige voorzieningen van 27 november 2024 is vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum] 2006 te Westland;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te
[geboorteplaats 1] , van € 246,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres]
en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week na de beschikking een gezamenlijke opdracht aan Hooghlanden Makelaars te Den Haag tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient uiterlijk 14 februari 2026 aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de inboedel van de echtelijke woning voor een waarde van € 5.000,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de man;
- de eenmanszaak [eenmanszaak] , zonder nadere verrekening, onder de verplichting dat alle schulden van de eenmanszaak voor rekening van de vrouw komen;
bepaalt dat ieder zijn of haar eigen bankrekeningen houdt zonder verrekening van de saldi;
bepaalt dat de man aan de vrouw ten aanzien van de schuld bij de ING een bedrag van € 2.287,99 moet voldoen en dat de vrouw in de onderlinge verhouding voor deze schuld draagplichtig is;
bepaalt dat de man aan de vrouw ten aanzien van de Tozo-schuld een bedrag van € 3.089,03 moet voldoen en dat de vrouw in de onderlinge verhouding voor deze schuld draagplichtig is;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 januari 2026.