ECLI:NL:RBDHA:2026:2314

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/664125 / FA RK 24-2418
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BWArt. 34 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en vervangende toestemming paspoortaanvraag voor minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag heeft op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de wijziging van kinderalimentatie en de aanvraag van paspoorten voor drie minderjarige kinderen. De vader verzocht om aanpassing van de kinderalimentatie en vervangende toestemming voor het aanvragen van paspoorten, nadat de moeder weigerde mee te werken.

De rechtbank stelde vast dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden die een herberekening van de alimentatie rechtvaardigen. De draagkracht van beide ouders werd nauwkeurig berekend aan de hand van hun inkomsten, fiscale kortingen en het kindgebonden budget. De alimentatiebedragen werden aangepast met inachtneming van zorgkortingen en ingangsdata, waarbij de hoofdverblijfplaats van een van de kinderen bij de vader was vastgesteld.

Daarnaast werd het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor de paspoortaanvraag toegewezen, omdat de moeder niet meewerkte en het belang van de kinderen om over geldige reisdocumenten te beschikken zwaarder woog. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie en verleent vervangende toestemming aan de vader voor de paspoortaanvraag van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-2418
Zaaknummer: C/09/664125
Datum beschikking: 9 januari 2026

Alimentatie, Paspoortwet

Beschikking op het op 3 april 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A.Th. Klaver te Hoorn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.P. Heeren te Leiden (voorheen: C. Elsinga te Leiden).

Procedure

Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de rechtbank:
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de vader vastgesteld en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bepaald en zijn partijen verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap;
  • het meer of anders verzochte ten aanzien van de verblijfsoverstijgende kosten, het hoofdverblijf (waaronder begrepen de inschrijving van de kinderen in de Basisregistratie personen), de zorgregeling (waaronder begrepen het meegeven van kledingsets bij de wissel), de dwangsom, de informatieregeling en de vervangende toestemming aanvraag paspoorten afgewezen;
  • iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie en de overige financiële verzoeken aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
- de brief van 26 augustus 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- de brief van 26 augustus 2025, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 10 september 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 15 september 2025, met bijlage, van de zijde van de vader;
- de brief van 17 september 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- de brief van 21 oktober 2025, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- de brief van 14 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- de brief van 20 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vader.
Op 24 november 2024 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door mr. M. Schreuders, kantoorgenoot van haar advocaat. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- de brief van 1 december 2025 van de zijde van de moeder;
- de brief van 3 december 2025 van de zijde van de vader.

Verzoek en verweer – de nog openstaande/gewijzigde verzoeken

Het verzoek van de vader luidt, na wijziging, nog om;
1.
- met ingang van 9 december 2024 de kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] op € 77,- per maand te bepalen;
- met ingang van 17 april 2024 de kinderalimentatie voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] gezamenlijk op € 244,- per maand te bepalen;
- althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
2.
- de vader vervangende toestemming te verlenen om voor alle drie minderjarige kinderen paspoorten aan te vragen en te verkrijgen:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft het eerder anders door hem verzochte ter zake de bijdragen voor de kinderen ingetrokken.
Het verzoek van de moeder luidt, na wijziging, nog om;
- de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] met terugwerkende kracht per 1 oktober 2023 te verhogen naar € 331,- per kind per maand en vanaf 1 augustus 2025 voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verhogen naar € 354,- per kind per maand;
- met ingang van 1 augustus 2025 de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] te verlagen naar € 30,- per maand;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Wijziging kinderalimentatie
Wettelijk kader
Een rechterlijke beslissing kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW Pro).
De rechtbank is met de ouders van oordeel dat voldoende is gebleken dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat de vastgestelde alimentatie gewijzigd moet worden. De rechtbank zal daarom overgaan tot een herberekening van de kinderalimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt de kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] op een bedrag van € 77,- vast te stellen, door de moeder aan de vader te betalen. Voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verzoekt de vader een kinderalimentatie van € 244,- vast te stellen, die de vader aan de moeder betaalt. De moeder voert verweer en verzoekt een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] vast te stellen op € 331,- respectievelijk € 354,- per kind per maand en voor [de minderjarige 1] vast te stellen op een bedrag van € 30,- per maand.
Behoefte
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2024 is de behoefte van de kinderen vastgesteld op een bedrag van € 348,- per kind per maand in 2023. De rechtbank zal aansluiten bij dit bedrag. In tegenstelling tot wat door de moeder is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de behoefte te verhogen omdat aan de zijde van de vader moet worden uitgegaan van een aanzienlijk hoger inkomen ten tijde van het huwelijk van partijen. De vader heeft onbetwist gesteld dat partijen tijdens het huwelijk leefden van € 66.000,-, het bedrag waar partijen en de rechtbank ook van zijn uitgegaan bij de berekening van de behoefte van de kinderen in 2023. Dat de vader nu bij zijn draagkrachtberekening van een hoger inkomen van € 88.000,- uitgaat, maakt ook niet dat de behoefte van de kinderen met terugwerkende kracht verandert.
Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 394,- per maand.
Draagkracht vader
De moeder stelt dat het inkomen/de verdiencapaciteit van de vader veel hoger is dan het salaris van € 66.000,- bruto op jaarbasis waar destijds van is uitgegaan. De vader heeft jaarstukken overgelegd, waaruit een winst van € 154.938 in 2022, een winst van € 254.041,- in 2023 en een winst van € 138.364,- in 2024 blijkt. Het salaris dat de vader aan zichzelf toekent van € 66.000,- op jaarbasis is dus een fractie van het inkomen dat hij kan generen. Gelet op het bovenstaande moet de vader in staat worden geacht om een bedrag van € 166.000,- bruto per jaar uit zijn onderneming te trekken, dan wel naast het door hem nu genoemde DGA-salaris van € 88.000,- nog een dividend uit te keren van tenminste € 32.000,- per jaar. Bij de vaststelling van de draagkracht van een DGA is van belang welke middelen hij redelijkerwijs aan zijn onderneming kan onttrekken in de vorm van salaris, dividend en opnamen in rekening-courant. Aan de accountant van de vader is alleen gevraagd wat een passend salaris is, maar dit is maar één van de drie componenten. Door de vader is niet aangetoond dat hij geen winst kan uitkeren en opnamen in rekening-courant kan doen zonder continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. De stelling van de vader dat geen rekening kan worden gehouden met dividend en opnamen in rekening-courant omdat een en ander in de waardering van de onderneming ten behoeve van de verdeling al zou zijn meegenomen en anders een dubbeltelling zou volgen betwist de moeder met klem.
De vader voert verweer en betwist dat hij een salaris van € 166.000,- bruto uit zijn onderneming kan trekken. Hij heeft de moeder uitgekocht (overname echtelijke woning en de aandelen Estivy) voor een totaal bedrag van € 850.000,-, waarvoor hij een bedrag van € 830.000,- uit zijn onderneming heeft gehaald. Hij heeft dit gedaan door een onttrekking van liquide middelen, waardoor zijn rekening-courant schuld aan Estivy holding is opgelopen. Extra dividenduitkeringen om daarmee een hogere alimentatie te kunnen betalen zijn niet verantwoord gelet op de beperkte liquiditeit. De vader acht het wel aanvaardbaar om voor de berekening van zijn draagkracht (conform het advies van zijn accountant) uit te gaan van een bruto jaarsalaris van € 88.000,-. De vader heeft ter zitting desgevraagd nog aangegeven dat hij dit bedrag niet aan zichzelf zal uitkeren, maar dat hij uit zal blijven gaan van een bruto jaarsalaris van € 66.000,-.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over welk bedrag de vader uit de onderneming kan trekken en of er naast het bruto DGA-salaris van € 88.000,- ook rekening moet worden gehouden met dividend. De rechtbank is van oordeel dat de vader voldoende onderbouwd (met stukken) heeft weerlegd dat het niet verantwoord is om meer dan € 88.000,- aan zijn onderneming te onttrekken. Daarnaast heeft de vader ter zitting aangegeven dat hij zijn salaris alleen in het kader van de echtscheidingsprocedure in het licht van de draagkrachtberekening verhoogt, maar dat hij dit bedrag niet aan zichzelf zal uitkeren, dit mede omdat hij zijn hoge rekening-courant schuld moet aflossen.
De rechtbank houdt daarom rekening met een bruto jaarinkomen van de vader van € 88.000,-. Ook houdt de rechtbank rekening met de voor de vader geldende fiscale heffingskortingen, te weten de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt – bij de vader voor [de minderjarige 1] – worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank berekent het NBI van de vader op afgerond € 4.863,-- per maand.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [4.863,- – (1.458,90 + 1.310,-)] = € 1.466,-- per maand.
Draagkracht moeder
De moeder stelt dat voor de bepaling van haar draagkracht moet worden uitgegaan van haar jaaropgave 2024, waaruit een jaarloon van € 22.614,- blijkt, en dat vanaf 1 augustus 2025 kan worden uitgegaan van haar loonstroken vanaf augustus 2025. De moeder is in 2023 gestart met een contract voor 20 uur. Vanwege de uitval van een collega heeft zij tijdelijk 15 uur per week extra gewerkt, vanaf 2 september 2024 tot en met 25 juli 2025. Dit extra werk is echter komen te vervallen en de moeder heeft nu een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 25 uren in de week. Het is onredelijk om van een hogere verdiencapaciteit uit te gaan, aldus de moeder.
De vader voert verweer en stelt dat aan de zijde van de moeder moet worden uitgegaan van een bruto inkomen van € 2.388,23, zoals volgt uit haar salarisstroken van februari, maart en april 2025, te vermeerderen met vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Van de moeder kan worden verwacht dat zij, zoals zij in de maanden voor augustus 2025 ook heeft gedaan, dit inkomen verdient.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van (afgerond) € 2.388,- bruto per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de loonstroken van de moeder van februari, maart en april 2025. De rechtbank is van oordeel dat de moeder in staat moet worden geacht om in ieder geval dit inkomen te verdienen. Dat dit mogelijk nu niet bij haar huidige werkgever kan, betekent niet dat zij niet bij een andere werkgever (meer) kan werken. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag en € 195,- per maand aan eindejaarsuitkering, zoals volgt uit de voornoemde loonstroken. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een premie AOP van (afgerond) € 2,- per maand en een premie pensioen/NP van (afgerond) € 117,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt – bij de moeder voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] – worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.313,- per maand.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [3.313,- – (993,90 + 1.310,-)] = € 706,- per maand. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om bij de berekening van haar draagkracht af te wijken van het forfaitaire woonbudget.
Draagkrachtvergelijking
Gelet op de gezamenlijke draagkracht van de ouders van (€ 1.466,- + € 706,- =) € 2.172,- per maand, bedraagt het aandeel van de vader in de kosten van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar rato van zijn draagkracht (afgerond) (€ 1.466,- / € 2.172,- x € 1.182,- =) € 266,- per kind per maand. Het aandeel van de moeder in de kosten van [de minderjarige 1] bedraagt naar rato van haar draagkracht (afgerond) (€ 706,- / € 2.172,- x € 1.182,- =) € 128,- per maand.
Zorgkorting
Op de door de vader en de moeder te betalen bijdrage moet een zorgkorting in mindering worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Partijen zijn het erover eens dat voor de vader een zorgkorting van 35% en voor de moeder van 15% kan worden toegepast. De rechtbank zal bij de berekening deze zorgkortingen hanteren.
Ingangsdatum
De moeder heeft verzocht de gewijzigde kinderalimentatie voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] vast te stellen met ingang van 1 oktober 2023, omdat bij de beschikking van de rechtbank van 17 april 2024 van onjuiste en/of onvolledige gegevens is uitgegaan. De vader voert verweer en stelt dat voor de ingangsdatum dient te worden uitgegaan van 17 april 2024, de datum van de eerdere beschikking.
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] vaststellen met ingang van de datum van de beschikking omdat de omstandigheden pas officieel bij beschikking van 31 juli 2025 zijn gewijzigd en de ouders daarna nog in de gelegenheid zijn gesteld stukken in te dienen en nu pas duidelijk is geworden wat over en weer betaald moet worden aan kinderalimentatie.
Ten aanzien van [de minderjarige 1] stelt de moeder zich op het standpunt dat de ingangsdatum op 1 augustus 2025 moet worden vastgesteld, omdat per deze datum de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] officieel is gewijzigd naar de vader. De vader voert verweer en stelt dat de ingangsdatum op 9 december 2024 moet worden vastgesteld, omdat de moeder er met ingang van deze datum rekening mee heeft kunnen houden met dat zij een bijdrage aan de vader moet betalen en de vader sinds deze datum zowel de verblijfskosten alsook de verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 1] betaalt.
De rechtbank zal de ingangsdatum van de moeder aan de vader te bepalen kinderalimentatie op 1 augustus 2025 vaststellen nu de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij beschikking van 31 juli 2025 officieel is gewijzigd van de moeder naar de vader.
Conclusie
Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] € 128,- per kind per maand; geïndexeerd naar 2026 is dit bedrag € 134,- per kind per maand. Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door de moeder aan de vader vanaf 1 augustus 2025 te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] € 69,- per maand. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:402a BW de kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] van rechtswege zal worden geïndexeerd per 1 januari 2026.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Vervangende toestemming aanvraag paspoorten
Op de zitting van 24 juni 2025 zijn er ten aanzien van de aanvraag van de paspoorten door de ouders afspraken gemaakt met een duidelijke tijdsplanning. Het verzoek van de vader om hem vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is daarom in de beschikking van 31 juli 2025 afgewezen. Uit de stukken en ter zitting van 24 november 2025 is echter gebleken dat de moeder niet tegelijkertijd met de vader naar de gemeente wil gaan en dat zij een afgelakte kopie van haar paspoort heeft meegegeven aan de vader. De moeder weigert om een ongelakte kopie van haar paspoort aan de vader mee te geven, omdat ze de vader niet vertrouwt. De gemeente accepteert deze afgelakte kopie echter niet en de vader heeft hierdoor niet de paspoorten voor de kinderen kunnen aanvragen. De vader vraagt daarom opnieuw hem vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor de kinderen.
Om een nieuwe procedure tussen de ouders te voorkomen, gelet op het belang van de kinderen en gelet op het feit dat door de moeder geen bezwaar is gemaakt tegen dit hernieuwde verzoek van de vader, zal de rechtbank het verzoek van de vader als een nieuw verzoek opvatten en hieronder beoordelen.
Juridisch kader
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Volgens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Volgens het vijfde lid van artikel 34 van Pro de Paspoortwet geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft aangegeven dat zij niet tegelijkertijd met de vader naar het gemeentehuis wil gaan om de aanvraag van de paspoorten voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in orde te maken. Ook is de moeder niet bereid om een ongecensureerde kopie van haar paspoort aan de vader mee te geven, zodat de vader zelfstandig naar het gemeentehuis kan gaan om de aanvraag te regelen. De rechtbank is verder gebleken dat de verhoudingen tussen ouders ernstig verstoord zijn. Zij acht het daarom niet aannemelijk dat de moeder binnenkort wel toestemming voor de aanvraag van een nieuw paspoort zal verlenen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is dat zij over een geldig paspoort kunnen beschikken. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt de door de vader met ingang van vandaag, 9 januari 2026, te betalen alimentatie voor de minderjarigen:
-[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ,
op € 134,- per maand per kind, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
bepaalt de door de moeder met ingang van 1 augustus 2025 te betalen alimentatie voor de minderjarige:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012 te [geboorteplaats] ,
op € 69,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vader te voldoen;
*
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument (paspoort) voor de drie voornoemde minderjarigen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 januari 2026.