In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 8 januari 2026, gaat het om een opvolgend beroep van meerdere eisers tegen de minister van Asiel en Migratie. De eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder een uitspraak gedaan waarin de minister werd opgedragen om binnen een bepaalde termijn een besluit te nemen. De rechtbank constateert dat de minister deze termijn niet heeft nageleefd en dat er geen gelegenheid tot herstel van verzuimen is geboden. Hierdoor is het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. De rechtbank legt de minister op om binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvragen. Tevens wordt er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De proceskosten van de eisers worden vastgesteld op € 467,-.