ECLI:NL:RBDHA:2026:2359

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696551 / FA RK 25-9703
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1 lid 5 WvggzArt. 6:2 lid 4 WvggzArt. 3:3 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking aanhouding zorgmachtiging wegens onduidelijkheid psychische stoornis

De officier van justitie verzocht op 22 december 2025 om een aansluitende zorgmachtiging voor betrokkene, gebaseerd op een medische verklaring van een psychiater en een zorgplan. Betrokkene betwist de diagnose en overlegt een contra-expertise die een andere conclusie trekt over zijn psychische toestand.

Tijdens de zitting op 9 januari 2026, die deels digitaal plaatsvond vanwege weersomstandigheden, bracht betrokkene naar voren dat hij geen behandeling nodig heeft en dat de diagnose onjuist is. De coördinerend behandelaar bevestigde de diagnose en benadrukte het belang van medicatie, maar erkende het verschil van mening.

De rechtbank constateert onvoldoende duidelijkheid over de aanwezigheid van een psychische stoornis en het daarmee samenhangende gevaar. Daarom beveelt zij een onafhankelijk deskundigenonderzoek aan, waarbij de contra-expertise wordt betrokken. De behandeling wordt aangehouden en de beslistermijn verlengd tot 31 januari 2026.

De rechtbank formuleert vijf onderzoeksvragen over de stoornis, het ernstig nadeel, alternatieven voor verplichte zorg, de waardering van belangen door betrokkene en eventuele overige opmerkingen. De beschikking is uitgesproken door rechter H.J.M. Bellekom en griffier E.J. Balk op 9 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank houdt de behandeling van het verzoek tot zorgmachtiging aan en beveelt een onafhankelijk deskundigenonderzoek vanwege onduidelijkheid over de psychische stoornis.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/696551 / FA RK 25-9703
Datum beschikking: 9 januari 2026
Tussenbeschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Gravesteijn te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 22 december 2025, heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 16 december 2025 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 16 december 2025;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 18 december 2025;
- een brief van de officier van justitie van 13 november 2025, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn en betrokkene geen justitiële documentatie heeft.
Op 7 januari 2026 heeft de advocaat van betrokkene een contra-expertise van 17 mei 2024 bij de rechtbank ingediend.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026. Als
gevolg van de mobiliteitsbeperkingen wegens de weersomstandigheden, zijn de
volgende personen digitaal via MS Teams gehoord door de rechtbank:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- de coördinerend behandelaar, [naam 2] .
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Betrokkene heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met hem, afgezien van de aanvraag tot zorgmachtiging. Hij heeft al jarenlang een fors meningsverschil met de GGZ met betrekking tot de gestelde diagnose en hij heeft om die reden een contra-expertise laten uitvoeren. De conclusie van deze contra-expertise staat haaks op deze anamnese. Betrokkene vindt dat hij zonder zorgmachtiging verder kan, omdat hij geen behandeling krijgt, maar alleen wordt voorzien van medicatie. Deze medicatie is echter niet nodig, omdat de anamnese incorrect is. De advocaat heeft aangegeven dat betrokkene de diagnose betwist. De conclusies in de medische verklaring lijken gebaseerd te zijn op documentatie uit het verleden. Tevens zijn de resultaten van de contra-expertise niet betrokken in het oordeel van de onafhankelijke psychiater, ondanks dat deze contra-expertise veel uitgebreider is dan de beoordeling voor de medische verklaring. De contra-expertise heeft immers over meerdere dagen plaatsgevonden en is ook anderszins veel uitvoeriger. De contra-expertise wijst bovendien op andere oorzaken voor de ontregeling van betrokkene dan de medische verklaring. De advocaat heeft om die reden verzocht het verzoek af te wijzen wegens het gebrek aan een voldoende onderbouwde psychische stoornis. Tevens is het ernstig nadeel gering onderbouwd. Er is geen sprake geweest van verlies van werk of inkomen en het contact met de kinderen van betrokkene is goed. Daarnaast wordt ook niet onderbouwd dat de kinderen en ex-partner van betrokkene schade hebben opgelopen. Betrokkene is zelf in staat hulp in te schakelen, dus er is ook geen sprake van schade aan eigen psyche. Verder heeft hij geen schade ondervonden wegens ondervoeding. Tot slotte blijkt volgens de advocaat uit de contra-expertise dat er alternatieven zijn voor verplichte zorg, waar betrokkene mee aan de slag kan. Het opleggen van de zorgmachtiging is mogelijk contraproductief; betrokkene wil graag meer regie hebben.
De coördinerend behandelaar heeft ter zitting verklaard dat betrokkene reeds acht jaar bij haar bekend is. Betrokkene is het niet eens met de diagnose, maar dit wordt door de GGZ anders gezien. Er is met de psycholoog van Rivierduinen veel gesproken over de inhoud van de contra-expertise, maar de GGZ kan zich niet vinden in de conclusies hiervan. Als betrokkene geen medicatie krijgt, wordt hij snel psychotisch. Onlangs is geprobeerd te stoppen met de medicatie, waarna de klachten snel terugkwamen. Betrokkene ervaart dit anders, maar zijn omgeving herkent de klachten wel. Ook maakt zijn omgeving zich zorgen over de zorg voor de jonge kinderen van betrokkene. Wel verloopt de behandeling met de depotmedicatie volgens de coördinerend behandelaar beter dan in het verleden. Tijdens de laatste opname was het denken van betrokkene vervaagd, kwam hij niet op woorden en kon hij geen zinnen maken. Echter, op dit moment kan hij een goed gesprek voeren. Verder is betrokkene in de afgelopen periode niet op afspraken verschenen, aldus de coördinerend behandelaar.

Beoordeling

Op 14 januari 2025 is door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 14 januari 2026.
Op grond van artikel 3:3 Wvggz Pro kan slechts als uiterste middel verplichte zorg worden verleend, indien allereerst het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel.
In de medische verklaring wordt gesproken over een recidiverende psychotische stoornis en depressieve episoden, voortvloeiend uit een schizoaffectieve stoornis. Daarnaast wordt gesproken over een vermoedelijke traumagerelateerde stoornis.
Betrokkene betwist onder verwijzing naar de contra-expertise van 17 mei 2024 de aanwezigheid van de in de medische verklaring gestelde stoornissen. In deze contra-expertise wordt onder meer geconcludeerd dat er op dat moment geen bipolaire stemmingsstoornis of schizoaffectieve stoornis kon worden vastgesteld. In de medische verklaring en in het zorgplan wordt op geen enkele wijze verwezen naar de uitgevoerde contra-expertise en uit beide stukken kan derhalve niet worden herleid wat het standpunt is van respectievelijk de onafhankelijk psychiater en de zorgverantwoordelijke ten aanzien van de in de contra-expertise geformuleerde conclusie. Ook tijdens de zitting is daar onvoldoende duidelijkheid over verkregen, nu de coördinerend behandelaar inhoudelijk niet is ingegaan op de conclusies van de contra-expertise.
Nu aldus onvoldoende duidelijkheid bestaat over de aanwezigheid van een psychische stoornis en het daardoor veroorzaakte gevaar, ziet de rechtbank aanleiding om, met toepassing van artikel 6:1 lid 5 Wvggz Pro, voorafgaand aan de te nemen beslissing op het verzoek ambtshalve een deskundigenonderzoek te bevelen, uitgevoerd door een onafhankelijke psychiater die niet werkzaam is bij GGZ Rivierduinen. Hierbij dient met name de juistheid van de gestelde diagnose in de medische verklaring, met inachtneming van de contra-expertise, opnieuw te worden beoordeeld.
De rechtbank merkt op dat de aanhouding meebrengt dat zij de uiterste beslistermijn van drie
weken zal overschrijden. Nu de rechtbank de zaak aanhoudt voor een nader
deskundigenonderzoek wordt de beslistermijn op het verzoek met drie weken verlengd (artikel 6:2 lid 4 juncto Pro artikel 6:1 lid 5 Wvggz Pro). De beslistermijn eindigt daardoor op 31 januari 2026.
De behandeling van het verzoek zal worden aangehouden en worden voortgezet op een nader te bepalen zittingsdatum vóór 31 januari 2026. Daarbij verzoekt de rechtbank de officier van justitie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vóór 31 januari 2026, het deskundigenonderzoek te laten opstellen en aan de rechtbank te doen toekomen.

Beslissing

De rechtbank:
beveelt de officier van justitie een onderzoek te laten uitvoeren, met inachtneming van de contra-expertise, door een door hen te benoemen onafhankelijk psychiater – niet werkzaam bij GGZ Rivierduinen – ter beantwoording van onder andere de volgende vragen:
1. Lijdt betrokkene aan een psychische stoornis in de zin van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en zo ja welke?
2. Zo ja, veroorzaakt deze stoornis bij betrokkene ernstig nadeel in de zin van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg?
3. Zo ja, zijn er alternatieven buiten verplichte zorg voorhanden om dit gevaar af te wenden?
4. Is betrokkene in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van een of meerdere vormen van (verplichte) zorg?
5. Geeft het onderzoek anderszins nog aanleiding tot het maken van opmerkingen?
verlengt de beslistermijn op het verzoek tot 31 januari 2026;
houdt de behandeling van het verzoek aan tot een nader te bepalen zittingsdatum, gelegen vóór 31 januari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Bellekom, rechter, bijgestaan door E.J. Balk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 januari 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 januari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.