ECLI:NL:RBDHA:2026:2428

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/695139 / JE RK 25-2019
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing omgangsregeling tussen vader en minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de omgangsregeling tussen de vader en zijn twee minderjarige kinderen, waarbij werd gevraagd de omgang geheel te schorsen tot het einde van de ondertoezichtstelling. De omgangsregeling was eerder vastgesteld en voorzag in tweemaal per maand vier uur omgang onder begeleiding.

De gecertificeerde instelling motiveerde het verzoek met het feit dat de vader zich na een begeleid bezoek dreigend en intimiderend had uitgelaten richting hulpverleners en geen contact meer had gezocht met de kinderen. Er werd een risico op impulsief en agressief gedrag gesignaleerd, waardoor tijdelijke schorsing noodzakelijk zou zijn voor de rust en veiligheid van de kinderen.

De moeder stemde in met het verzoek, terwijl de vader niet was verschenen. De kinderrechter oordeelde echter dat de schorsing een zeer ingrijpende maatregel is en dat de onderbouwing onvoldoende concreet was om te concluderen dat het belang van de kinderen nu vereist dat de omgang geheel wordt stilgezet. Tevens werd meegewogen dat een vergelijkbaar verzoek op korte termijn door de familierechter zal worden beoordeeld.

De kinderrechter wees het verzoek af en gaf de gecertificeerde instelling de opdracht om met de huidige omgangsregeling regie te voeren die voorspelbaarheid en duidelijkheid voor de kinderen biedt. De vader krijgt hiermee de kans om zich in het belang van de kinderen begeleidbaar op te stellen.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/695139 / JE RK 25-2019
Datum uitspraak: 5 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing verzoek tot wijziging van de omgangsregeling (ex artikel 1:265g BW)
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I. Aardoom-Fuchs uit Gouda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] , via een digitale verbinding, namens de gecertificeerde instelling;
  • de advocaat van de moeder.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige 1] is erkend door de vader. Daarnaast is door de rechtbank bij beschikking van 5 juli 2022 aan de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige 2] te erkennen.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.3.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 21 juni 2026.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 juni 2025 de volgende omgangsregeling vastgesteld:
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben tweemaal per maand gedurende vier uur omgang met de vader, mits ’t Zorghuisje de omgang kan begeleiden, waarbij de regie voor uitbreiding van de omgang bij de gecertificeerde instelling wordt belegd.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de door de kinderrechter op 11 juni 2025 vastgestelde omgangsregeling op grond van artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te wijzigen, in die zin dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , in elk geval tot de huidige expiratie van de ondertoezichtstelling, geen omgang hebben met de vader.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Bij beschikking van 11 juni 2025 is de omgangsregeling uitgebreid waarbij een opbouwschema met voorwaarden was vastgelegd. In het begin liep de omgang volgens de afspraken, maar sinds 29 juli 2025 heeft de vader de kinderen niet meer gezien. De vader heeft zich na de rapportage van het begeleide bezoek op 29 juli 2025 in e-mails en telefonisch uitgelaten op een manier die als dreigend, intimiderend en grensoverschrijdend werd ervaren door de betrokken hulpverlener van t’ Zorghuisje. Ook heeft hij de jeugdbeschermer en de moeder gemaild. ’t Zorghuisje wilde de vader nog een kans geven, mits er een fysiek gesprek plaats zou vinden. De vader wilde alleen videobellen en heeft de jeugdbeschermer verzocht om een andere organisatie te vinden voor de omgangsbegeleiding. De jeugdbeschermer heeft een uitgebreide mail gestuurd, waarin onder meer benoemd is dat er geen alternatief is omdat eerdere aanbieders gestopt zijn. Er zijn sindsdien meerdere mails gestuurd naar de vader met daarin verzoeken tot contactherstel, maar de vader reageert nergens op. De kinderen missen hun vader en ervaren verdriet. Omgang met de vader is in het belang van de kinderen, maar de gecertificeerde instelling vindt tijdelijke schorsing noodzakelijk, omdat vader de opvoedkundige aanwijzingen niet volgt en geen zelfreflectie toont. Zonder zelfreflectie blijft een risico op impulsief en agressief gedrag bestaan. Daarom moet de omgang in ieder geval tot het einde van de huidige ondertoezichtstelling worden geschorst, zodat de kinderen komende periode rust en duidelijkheid ervaren, terwijl de vader met hulpverlening werkt aan reflectie en emotieregulatie. Op deze manier kan op de lange termijn veiligere en stabielere omgang plaatsvinden. Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat er geen zorgen zijn over de opvoeding bij de moeder, als de vader uit beeld blijft is er geen reden meer tot ondertoezichtstelling en is de gecertificeerde instelling voornemens de afsluiting van de ondertoezichtstelling te laten toetsen door de Raad voor de Kinderbescherming.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder is ingestemd met het verzoek. De vader heeft al veel kansen gekregen. De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat de moeder zich, ook na bedreigingen van de vader, steeds heeft ingezet om de omgang tussen de vader en de kinderen te behouden. Voor de kinderen is het schadelijk als hun wordt verteld dat zij de vader zullen zien en dit vervolgens niet doorgaat. Namens de moeder wordt naar voren gebracht dat zij het verdrietig vindt dat de omgang wordt geschorst, maar vindt dat deze duidelijkheid voor de kinderen het beste is.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De kinderrechter is van oordeel dat de gecertificeerde instelling onvoldoende heeft onderbouwd dat de wijziging van de omgangsregeling, te weten een schorsing van de omgang gedurende de ondertoezichtstelling, noodzakelijk is in het belang van de kinderen.
5.2.
De kinderrechter stelt voorop dat een duidelijke en voorspelbare omgang met de vader van essentieel belang is voor de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vader zich na de rapportage van het begeleide bezoek op 29 juli 2025 dreigend heeft uitgelaten naar hulpverleners. Sindsdien blijft de vader uit contact en is er geen sprake meer geweest van omgang met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zoals ook besproken ter zitting, bestaan er mailwisselingen die niet zijn opgenomen in het dossier. Een schorsing van de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen is een zeer ingrijpende maatregel en is, mede gelet op de gevraagde duur, de informatie uit het dossier en de onderbouwing ter zitting, niet proportioneel. De gecertificeerde instelling heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom het belang van de kinderen juist nu vereist dat de omgang geheel wordt stilgezet. Daarnaast weegt de kinderrechter mee dat de familierechter op relatief korte termijn een vergelijkbaar verzoek van de moeder zal beoordelen. De kinderrechter zal het verzoek van de gecertificeerde instelling gelet op het voorgaande afwijzen. De vader krijgt hiermee een kans om in de komende periode te laten zien dat hij zich in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] begeleidbaar kan opstellen. Daarbij geeft de kinderrechter de gecertificeerde instelling nadrukkelijk mee om in de komende periode met de huidige omgangsregeling (beschikking d.d. 11 juni 2025) regie te nemen op een wijze die de kinderen voorspelbaarheid en duidelijkheid biedt.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 5 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.