ECLI:NL:RBDHA:2026:2453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.5683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.50 Vb 2000Art. 3.51 Vb 2000Art. 6 Besluit 1/80Art. 7 Besluit 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens niet voldoen aan voorwaarden

Eiser heeft op 30 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. De minister heeft deze aanvraag op 13 december 2024 afgewezen en het bezwaar van eiser op 28 januari 2025 ongegrond verklaard. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank overweegt dat eiser sinds 16 oktober 2023 niet meer op hetzelfde adres woont als de verblijfgever en dat het huwelijk op 20 december 2024 is ontbonden. Hierdoor voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000 voor verlenging van zijn verblijfsvergunning. Ook het subsidiaire beroep op voortgezet verblijf op grond van artikel 6 van Pro Besluit 1/80 faalt omdat eiser geen aanvraag heeft ingediend voor verblijf op grond van arbeid in loondienst.

De rechtbank verwijst naar de arresten Baris-Unal en Kus, maar stelt dat deze niet van toepassing zijn in deze zaak. De minister is niet gehouden ambtshalve te toetsen aan artikel 6 van Pro Besluit 1/80. Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor wijziging van zijn verblijfsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5683

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen recht heeft op wijziging van zijn verblijfsrecht omdat hij niet voldoet aan de geldende voorwaarden. Verder heeft eiser ook geen recht op wijziging van het verblijfsrecht op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. [1] Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Aan eiser is op 22 juli 2021 een reguliere verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’ met een geldigheidsduur tot 11 augustus 2026.
4. Eiser heeft op 30 oktober 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. In het besluit van 13 december 2024 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan die beperking. Eiser voldoet volgens de minister namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 3.50 en artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en kan ook geen rechten ontlenen aan artikel 7 van Pro Besluit 1/80. Bij besluit van 28 januari 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Heeft eiser recht op een verblijfsvergunning ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor wijziging van zijn verblijfsrecht. Primair geeft eiser aan dat hij zelf ten tijde van het besluit van 13 december 2024 voldeed aan de voorwaarden. Eiser heeft namelijk drie jaar beschikt over een legaal verblijfsrecht. [2] Eiser merkt op dat hij drie jaar gehuwd is geweest met een Turkse werknemer waarvan twee jaren in Nederland. Eiser betoogt dat zijn rechtmatig verblijf pas met ingang van 5 maart 2025 (de bekendmaking van de intrekking van het verblijfsrecht) is gestopt. De minister gaat volgens hem ten onrechte uit van een eerdere datum. Subsidiair heeft eiser recht op verlenging van zijn verblijfsrecht omdat hij ten minste een jaar arbeid heeft verricht voor dezelfde werkgever en daarom recht heeft op voortgezet verblijf op grond van artikel 6 van Pro Besluit 1/80.
5.1.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het huwelijk tussen eiser en [persoon A] op 20 december 2024 is ontbonden. Ook wordt door eiser niet betwist dat hij sinds 16 oktober 2023 niet meer op hetzelfde adres woont als [persoon A].
5.2.
Het primaire betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3.51, achtste lid, sub b van het Vb 2000 volgt dat een Turkse onderdaan, op wie artikel 13 van Pro Belsuit 1/80 van toepassing is, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, als hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Daarnaast moet worden voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning. Ten tijde van het besluit in primo was eiser in bezit van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van [persoon A]. Op 11 augustus 2024 zou eiser drie jaar lang aan de voorwaarden van deze vergunning voldoen. Eiser woont echter sinds 16 oktober 2023 niet meer op hetzelfde adres als de verblijfgever. Dit is door hem ook niet betwist. Hierdoor heeft eiser dus geen drie jaar verblijf gehad in Nederland als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking zijnde verblijf bij [persoon A] en is niet voldaan aan de voorwaarde van verlenging van het verblijfsrecht. Bovendien geeft eiser zelf aan dat hij slechts twee jaar in Nederland heeft verbleven en niet de benodigde drie jaar, zoals volgt uit artikel 3.51, achtste lid, sub b van de Vb 2000.
5.3.
Het subsidiaire betoog slaagt ook niet. De rechtbank overweegt dat onderhavige aanvraag is ingediend voor voortgezet verblijf met als beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. De minister stelt hierbij terecht dat niet ambtshalve wordt getoetst of eiser aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid van Besluit 1/80 voldoet. Uit de Werkinstructie (WI) 2023/1 volgt namelijk dat een verblijfsvergunning wordt ontleend aan het eerste of het derde streepje van artikel 6, eerste lid van Besluit 1/80 in Nederland onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. Hiertoe moet volgens het WI 2023/1 wel eerst een aanvraag te worden ingediend. Deze verblijfsvergunning wordt niet ambtshalve verleend en evenmin wordt ambtshalve de beperking gewijzigd. Als eiser meent dat hij voldoet aan de genoemde beperking, dient hij daartoe een aanvraag in te dienen. Niet is in de aanvraag aangegeven dat eiser verblijf op grond van arbeid in loondienst wil.
5.4.
Het beroep op de arresten Baris-Unal en Kus slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Baris-Unal volgt dat artikel 6, eerste lid, eerste streepje moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteiten de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht intrekken tot de datum waarop niet langer werd voldaan aan de nationaalrechtelijke grond voor verlening van zijn vergunning, wanneer genoemde werknemer zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig frauduleus handelen en deze intrekking plaatsvindt na afloop van het tijdvak van een jaar legale arbeid als voorzien in genoemd artikel 6, eerste lid, eerste streepje. Uit het arrest Kus volgt dat het legale karakter van arbeid niet af hoeft te hangen van het bezit van een legale verblijfstitel. Er dient sprake te zijn van een stabiele situatie op de arbeidsmarkt die niet van tijdelijke aard is. Deze kwesties zijn in onderhavig geval niet aan de orde. Gelet op hetgeen is geoordeeld onder 6.3 is de minister niet gehouden om ambtshalve te toetsen aan artikel 6 van Pro Besluit 1/80. Hiervoor dient eiser een aparte aanvraag te doen. Artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van Besluit 1/80 en de uitleg daarvan uit voornoemde arresten zijn dan ook niet van toepassing.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bij Besluit 64/732/EEG van 23 december 1963 (PB 1964, 217) heeft de Raad van de Europese Economische Gemeenschap de overeenkomst van associatie tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije goedgekeurd en bevestigd. Op 19 september 1980 heeft de Associatieraad EEG-Turkije ‘Besluit nr. 1/80’ genomen over de ontwikkeling van de Associatie met Turkije.
2.Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 29 september 2011, ECLI:EU:C:2011:623 (arrest Baris-Unal) en het arrest van het Hof van Justitie van 16 december 1992, ECLI:EU:C:1992:527 (arrest Kus).