ECLI:NL:RBDHA:2026:2457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.59461
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet afgewezen

De minister van Asiel en Migratie legde op 5 november 2025 aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel op op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel hield in dat eiser verplicht werd te verblijven in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen. Op 19 november 2025 werd de maatregel opgeheven nadat eiser had afgezien van zijn recht op opvang.

Eiser stelde op 3 december 2025 beroep in tegen het bestreden besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 6 februari 2026. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding.

De rechtbank stelde vast dat eiser geen beroep had ingesteld tegen het COa-plaatsingsbesluit dat aan de vrijheidsbeperkende maatregel ten grondslag lag en dat dit besluit in rechte onaantastbaar was geworden. Hierdoor kon de rechtbank niet oordelen dat de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig was opgelegd. De gronden die zien op de HTL-plaatsing en de gevolgen daarvan konden niet in deze procedure worden getoetst.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59461

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. Bij besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw [1] (de vrijheidsbeperkende maatregel).
1.1.
Op 19 november 2025 heeft de minister de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven, omdat eiser heeft afgezien van zijn recht op opvang.
1.2.
Eiser heeft op 3 december 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

3. Omdat de vrijheidsbeperkende maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling daarvan zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vrijheidsbeperking op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, als de vrijheidsbeperking al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 5 november 2025 te verblijven in de HTL [2] in Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COa. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Anders dan wat eisers gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft aangevoerd, kan uit het beroepschrift niet worden afgeleid dat het beroep zich ook richt tegen het plaatsingsbesluit van het COa. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.
5. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. De beroepsgronden die zien op de (redenen voor) HTL-plaatsing, de problemen die eiser in de HTL heeft ondervonden en de gevolgen van de niet ondertekende consequentieverklaring liggen in onderhavige procedure niet ter toetsing voor, omdat deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit en/of geen verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bij het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Handhaving- en Toezichtlocatie.