De minister van Asiel en Migratie legde op 5 november 2025 aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel op op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel hield in dat eiser verplicht werd te verblijven in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen. Op 19 november 2025 werd de maatregel opgeheven nadat eiser had afgezien van zijn recht op opvang.
Eiser stelde op 3 december 2025 beroep in tegen het bestreden besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 6 februari 2026. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen beroep had ingesteld tegen het COa-plaatsingsbesluit dat aan de vrijheidsbeperkende maatregel ten grondslag lag en dat dit besluit in rechte onaantastbaar was geworden. Hierdoor kon de rechtbank niet oordelen dat de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig was opgelegd. De gronden die zien op de HTL-plaatsing en de gevolgen daarvan konden niet in deze procedure worden getoetst.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.