Art. 3:29 BWArt. 3:274 lid 3 BWArt. 3:323 lid 3 BWArt. 3:319 lid 2 BWArt. 3:320 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Waardeloosverklaring hypotheekrecht na verjaring vordering en ontbinding BV
Eiser vordert waardeloosverklaring van een hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van Boundless B.V. op grond van verjaring van de onderliggende geldlening. Boundless is in 2015 ontbonden, maar de rechtbank stelt vast dat de vennootschap niet is opgehouden te bestaan omdat geen aanwijzingen zijn dat de vereffening is afgerond.
De verjaringstermijn van twintig jaar voor de vordering is op 22 september 2024 verstreken, waardoor het hypotheekrecht teniet is gegaan. Eiser kan daarom aanspraak maken op doorhaling van het hypotheekrecht. Boundless is echter niet op de juiste wijze gedagvaard, omdat de dagvaarding niet aan de vereffenaar is betekend zoals voorgeschreven in artikel 50 RvPro.
De rechtbank bepaalt dat eiser de statuten van Boundless moet overleggen en de vereffenaar opnieuw moet oproepen voor voortzetting van de procedure. Een verdere beslissing wordt aangehouden totdat deze procedure is afgerond.
Uitkomst: De vordering tot waardeloosverklaring van het hypotheekrecht wordt niet toegewezen omdat Boundless niet correct is opgeroepen; eiser moet de vereffenaar opnieuw oproepen.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/697428 KG ZA 26-22
Vonnis in kort geding van 9 februari 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. T. Meijer,
tegen:
de ontbonden vennootschap
BOUNDLESS B.V., voorheen gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘Boundless’.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 januari 2026 met producties 1 tot en met 5.
1.2.
Op 21 januari 2026 is de mondelinge behandeling in deze zaak gehouden. [eiser] heeft zijn standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2.De feiten
2.1.
[eiser] en mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ) zijn op 9 september 2003 eigenaar geworden van de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning).
2.2.
Op 21 september 2004 heeft [bedrijf] B.V. alle aandelen in Printing People B.V. en Printing People Press B.V. door koop verkregen. [bedrijf] B.V. is de koopsom en de rekening-courantpositie van in totaal € 350.000, schuldig gebleven aan de verkoper, Boundless. Hiervoor zijn partijen een geldleningsovereenkomst aangegaan.
2.3.
[eiser] en [naam 1] hebben zich jegens Boundless op 21 september 2004 in privé als hoofdelijk (mede)schuldenaar verbonden voor alle verplichtingen van [bedrijf] B.V. uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. Daarnaast is tot zekerheid voor de nakoming ten behoeve van Boundless een (tweede) hypotheekrecht gevestigd op de woning.
2.4.
Per brief van 28 februari 2011 heeft de advocaat van Boundless dan wel de heer [naam 2] (destijds bestuurder van Boundless) [eiser] verzocht om een bedrag van € 15.000 te voldoen als aflossing op de openstaande schuld van € 40.000. [eiser] is niet tot betaling overgegaan en heeft niet op de brief gereageerd.
2.5.
Op 12 mei 2015 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat Boundless per 12 mei 2015 ‘ontbonden’ is. Deze ontbinding vond plaats door de Kamer van Koophandel op de voet van art. 2:19a BW.
2.6.
Per aangetekende brief van 15 december 2025, gezonden aan het achterhaalde actuele huisadres van de (nog steeds als zodanig ingeschreven) bestuurder van Boundless, [naam 2] (verder: [naam 2] ), heeft (de advocaat van) [eiser] gemeld dat de geldlening waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd, op 22 september 2024 is verjaard. [eiser] heeft verder vermeld dat ook het daarop rustende hypotheekrecht daardoor is teniet gegaan. De aangetekende brief is op 19 december 2025 opgehaald bij een afhaalpunt. Het is niet duidelijk wie de brief heeft opgehaald. Een reactie op de brief is uitgebleven.
3.Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het hypotheekrecht waardeloos verklaart in de zin van artikel 3:29 BWPro;
II. bepaalt dat het vonnis onmiddellijk kracht van gewijsde verkrijgt.
3.2.
[eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de vordering waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd, is verjaard. Als gevolg daarvan is het hypotheekrecht tenietgegaan. Aangezien Boundless is ontbonden en uitgeschreven uit het Handelsregister en aldus heeft opgehouden te bestaan, is [eiser] in beginsel niet-ontvankelijk. Tegelijkertijd is [eiser] onmiddellijk belanghebbende, zodat de vordering moet worden toegewezen.
3.3.
Boundless is niet verschenen.
4.De beoordeling van het geschil
Spoedeisend belang
4.1.
[eiser] heeft voldoende spoedeisend belang bij de vordering omdat de woning momenteel te koop staat en de woning bij een verkoop niet kan worden geleverd zolang het hypotheekrecht van Boundless niet is doorgehaald.
Vordering mogelijk in kort geding
4.2.
Wanneer een hypotheek is tenietgegaan is de hypotheekhouder verplicht om aan de rechthebbende op het bezwaarde goed, bij authentieke akte, een verklaring af te geven dat de hypotheek is vervallen. Artikel 3:274 lid 3 BWPro bepaalt dat artikel 3:29 BWPro van overeenkomstige toepassing is wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven.
4.3.
Uit artikel 3:29 lid 1 BWPro volgt dat de rechtbank in een procedure die met een dagvaarding wordt ingeleid, de inschrijving waardeloos verklaart op vordering van de onmiddellijk belanghebbende als de vereiste verklaring niet wordt afgegeven door de hypotheekhouder. Hoewel het niet vanzelfsprekend is dat een dergelijke vordering toewijsbaar is in kort geding, gelet op het karakter van een rechterlijke beslissing tot vervallenverklaring, is het inmiddels vaste rechtspraak dat dergelijke vorderingen in kort geding worden toegewezen als een bodemprocedure in redelijkheid niet kan worden afgewacht.
Boundless is ontbonden, maar ook: opgehouden te bestaan?
4.4.
Boundless is per 12 mei 2015 ontbonden. Op grond van het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BWPro houdt de vennootschap op te bestaan indien op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig zijn. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 2:19a BW, de Kamer van Koophandel, daarvan opgaaf aan het Handelsregister. Uit artikel 2:19 lid 5 enPro lid 6 BW volgt dat de rechtspersoon (die nog wel over baten beschikt) na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is en dat de rechtspersoon in geval van vereffening ophoudt te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffenaar moet daarvan opgaaf doen aan het Handelsregister. Verder bepaalt artikel 2:23 lid 1 BWPro dat de bestuurder vereffenaar van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon wordt voor zover de rechter geen andere vereffenaar heeft benoemd en de statuten geen andere vereffenaar aanwijzen.
4.5.
In het Handelsregister is niet vermeld dat op het moment van ontbinding door de Kamer van Koophandel geen baten meer aanwezig waren en dat Boundless terstond is opgehouden te bestaan. Hierop afgaande (en afgaande op het feit dat Boundless op dat moment nog een vordering had op [eiser] ) zou aangenomen kunnen worden dat de fase van vereffening is ingetreden, hoewel het Handelsregister daarvoor geen nadere aanknopingspunten bevat. Er is namelijk niet geregistreerd dat de vennootschap in vereffening verkeert en wie vereffenaar is. Voor de hand lag dat [naam 2] - als ten tijde van de ontbinding ingeschreven bestuurder - als vereffenaar zou optreden, volgens het hiervoor al genoemde wettelijk uitgangspunt. Dat de vereffening heeft plaatsgevonden en is voltooid, is niet ingeschreven in het Handelsregister. Bij deze stand van zaken heeft een derde, anders dan zoals [eiser] veronderstelt, in redelijkheid mogen aannemen dat de vereffening na de ontbinding is aangevangen en (nog) niet is geëindigd.
Verjaring van de vordering van Boundless op [eiser] ?
4.6.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de vordering van Boundless uit hoofde van de in 2004 overeengekomen geldleningsovereenkomst is verjaard, zodat het daaraan verbonden hypotheekrecht teniet is gegaan. Het hypotheekrecht is daarom waardeloos en moet doorgehaald worden, aldus [eiser] .
4.7.
Ten aanzien van vorderingen waarvoor een hypotheekrecht is gevestigd, geldt op grond van artikel 3:323 lid 3 BWPro een verjaringstermijn van twintig jaar. De verjaringstermijn vangt aan op de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden. Het betreffende hypotheekrecht is op 21 september 2004 gevestigd, als gevolg waarvan de verjaringstermijn, behoudens in geval van stuiting, voltooid was op 22 september 2024. In dit geval kan in het midden blijven of de brief van 28 februari 2011 als een stuitingshandeling kwalificeert. Ervan uitgaande dat sprake is van een stuitingshandeling, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn, maar niet langer dan vijf jaar. Dit betekent dat de vordering in 2016 zou verjaren indien de brief van 28 februari 2011 als een stuitingshandeling kwalificeert. Uit artikel 3:319 lid 2 BWPro volgt echter dat de verjaring niet op een eerder tijdstip intreedt dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken. Het is daarom niet van belang of de brief van 28 februari 2011 als stuitingshandeling kwalificeert. Gelet op de oorspronkelijke verjaringstermijn die is voltooid op 22 september 2024, kan worden aangenomen dat de vordering ten tijde van de dagvaarding was verjaard. Dat betekent ook dat het hypotheekrecht teniet is gegaan en dat [eiser] aanspraak kan maken op doorhaling van het hypotheekrecht.
4.8.
Zou Boundless hebben opgehouden te bestaan vóór de voltooiing van de verjaringstermijn en is die termijn vervolgens voltooid, dan zou zich de bijzondere situatie voordoen dat de verlengingsgrond van artikel 2:23c lid 2 BW juncto artikel 3:320 BWPro van kracht is. Dat zou betekend hebben dat de verjaringstermijn niet is verstreken gedurende de periode dat Boundless is opgehouden te bestaan en dat Boundless na heropening van de vereffening nog gedurende zes maanden nakoming van de vordering zou kunnen verlangen. Dat zou gevolgen hebben voor het hypotheekrecht, want in dat geval kan geen aanspraak gemaakt worden op doorhaling van dat recht zolang de verlengingstermijn de (sluimerende) rechtspersoon ten dienste staat. Die situatie doet zich, zo volgt uit het voorgaande, hier dus niet voor.
Is Boundless op de juiste wijze opgeroepen?
4.9.
Verondersteld kan worden dat [naam 2] vereffenaar van het vermogen van Boundless is geworden, tenzij de rechter een andere vereffenaar heeft benoemd of de statuten een andere vereffenaar hebben aangewezen. Daar zijn geen aanknopingspunten voor. Het is daarom de vraag of de statuten een andere vereffenaar dan [naam 2] aanwijzen. Gelet hierop wordt [eiser] uitgenodigd om de statuten van Boundless in het geding te brengen.
4.10.
[eiser] heeft de dagvaarding aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag betekend en de betekening is gepubliceerd in de Staatscourant en het Algemeen Dagblad (inclusief de daaraan verbonden regionale bladen). Uit artikel 50 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt echter dat de betekening na de ontbinding aan het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van de vereffenaars geschiedt. De dagvaarding had daarom aan het bij [eiser] bekende adres van [naam 2] (of het adres van een andere persoon die volgens de statuten vereffenaar is) betekend moeten worden. De voorzieningenrechter bepaalt daarom dat [eiser] , nadat een nieuwe zittingsdatum is bepaald, de vereffenaar opnieuw zal moeten oproepen voor voortzetting van de procedure.
Voorlopige conclusies
4.11.
Boundless is niet opgehouden te bestaan en de vordering van Boundless op [eiser] is kennelijk verjaard. [eiser] kan daarom aanspraak maken op doorhaling van de hypotheek door Boundless, die daarmee in gebreke blijft.
4.12.
Nu Boundless, naar moet worden aangenomen, ten behoeve van vereffening nog voortbestaat, heeft [eiser] Boundless moeten dagvaarden op de voet van het bepaalde in artikel 50 RvPro. Zij heeft Boundless niet op de correcte wijze gedagvaard, zodat Boundless alsnog op de juiste wijze moet worden opgeroepen.
Kort geding en doorhaling hypotheek
4.13.
Nu is geoordeeld dat Boundless nog een bestaande vennootschap is, is het de vraag of het niet meer voor de hand ligt de door de wetgever voor spoedeisende gevallen gewezen route van een bevel tot doorhaling of tot afgifte van een verklaring strekkende tot doorhaling te vorderen, zie Parl. Gesch. boek 3 NBW, blz. 151.
5.De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat [eiser] uiterlijk op 12 februari 2026opgave moet doen van de verhinderdata van [eiser] en voor zover mogelijk de vereffenaar, voor de maanden februari en maart 2026;
5.2.
bepaalt dat de statuten van Boundless, voor zover mogelijk, in het geding moeten worden gebracht;
5.3.
bepaalt dat [eiser] , nadat een nieuwe zittingsdatum is bepaald, de vereffenaar van Boundless dient op te roepen voor de voortzetting van de procedure;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.