3.4Bewijsoverwegingen
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de nacht van 1 december 2024 is er in een portiek, gelegen aan de [straatnaam] te Den Haag, een brandbare vloeistof tegen de voordeur van nummer [huisnummer 3] gegooid. Daardoor is de voordeur in brand gevlogen en door de brandweer geblust. Als gevolg van de brand is de voordeur zwartgeblakerd en er was een sterke brandgeur te ruiken. Ter plaatse heeft de politie een bovenkant van een fles met daarin een lont aangetroffen en buiten de portiek is in het gras een aansteker gevonden. Vervolgens is er in de nacht van 4 december 2024 in diezelfde portiek en bij dezelfde woning een explosief afgegaan, waarbij een harde knal is gehoord door een buurtbewoner. Door de ontploffing is brand ontstaan in de portiek, die door een buurtbewoner is geblust. Als gevolg van het afgaan van het explosief is de voordeur zwartgeblakerd en een portiekraam ontzet. Boven in de portiek lagen een ventilatierooster en luik op de grond. Ter plaatse heeft de politie een dopje en restanten van een flesje Sourcy vitaminwater, vuurwerksnippers, ducttape en een intact stuk vuurwerk aangetroffen. Ook was er een sterke benzinelucht te ruiken. De bewoonster van nummer [huisnummer 3] was ten tijde van beide incidenten niet thuis en heeft aangifte gedaan.
Bij de explosie van 4 december 2024 zijn verschillende objecten, waaronder de resten van ducttape en een dopje van een flesje Sourcy vitaminwater, veiliggesteld en naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gestuurd voor DNA-onderzoek. Op de taperesten en het dopje is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Verder is op 6 mei 2025 bij iHub, een woongroep in [plaats 2] , een telefoon (een Samsung Galaxy 8) inbeslaggenomen die volgens de begeleiders daar door de verdachte is achtergelaten. Op deze telefoon zijn chats, nieuwsartikelen en screenshots gevonden over de incidenten op 1 en 4 december 2024. Op basis van het voorgaande is de verdachte in beeld gekomen als mogelijke dader.
De proceshouding van de verdachte en het standpunt van de verdediging
De verdachte ontkent dat hij enige betrokkenheid heeft gehad bij de feiten. Door de verdediging is aangevoerd dat het in het onderzoek aan de verdachte toegeschreven telefoonnummer [telefoonnummer 1] niet van de verdachte is geweest, dat hij het nummer in ieder geval niet heeft gebruikt en dat de Samsung Galaxy 8 niet bij hem is aangetroffen. Verder kan het DNA-materiaal op het dopje van het flesje Sourcy vitaminwater volgens de verdediging niet als bewijs dienen, omdat het hierbij niet om een daderspoor gaat. Het dopje is immers een verplaatsbaar object. Ook het DNA-materiaal op de ducttaperesten is onvoldoende betrouwbaar bewijs, mede omdat het alleen op de tweede laag van het tape is aangetroffen en niet ook op de eerste laag. Door de verdediging is ten slotte aangevoerd dat er in het dossier meerdere aanknopingspunten zijn te vinden voor betrokkenheid van de ex-partner van de aangeefster bij de incidenten. De aangeefster noemt de ex-partner in haar aangiftes, hij voldoet aan het kledingsignalement van de dader en hij is ten tijde van de gebeurtenis op 4 december 2024 in de omgeving van de [straatnaam] geweest.
Telefoonnummer [telefoonnummer 1] en telefoon Samsung Galaxy 8
De rechtbank zal eerst de vraag moeten beantwoorden of het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en de Samsung Galaxy 8 van de verdachte zijn. De rechtbank overweegt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen als volgt.
Uit het dossier blijkt dat op 6 mei 2025 een telefoon inbeslaggenomen is bij iHub, een woongroep in [plaats 2] , waar de verdachte op dat moment verbleef. Het gaat om een Samsung Galaxy 8. De verdachte had zich op 1 mei 2025 onttrokken aan zijn begeleid verlof en heeft volgens zijn begeleiders zijn telefoon, de bewuste Samsung Galaxy 8, niet meegenomen, maar daar achtergelaten. Uit het onderzoek aan deze Samsung Galaxy 8 blijkt dat de gebruiker van de telefoon zichzelf ‘Harsh’ noemt en dat de gebruiker met telefoonnummer [telefoonnummer 1] contact heeft met nummers, waarvan uit het integrale politiesysteem blijkt dat dit nummers zijn van de moeder, de vader en de oma van de verdachte. De berichtenwisseling met de moeder en de oma vond in ieder geval in de periode van 26 november 2024 tot en met 21 december 2024 plaats. Hierbij komt dat de moeder van de verdachte dit telefoonnummer bij vermissing van de verdachte op 2 december 2024 als telefoonnummer van de verdachte heeft opgegeven. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat er daarom van uit kan worden gegaan dat de verdachte in de periode dat de ten laste gelegde feiten werden gepleegd, de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] is geweest en dat de verdachte de Samsung Galaxy 8 toen in zijn bezit heeft gehad.
Onderzoek aan de Samsung Galaxy 8
Uit het onderzoek aan de Samsung Galaxy 8 blijkt het volgende. In de periode van 23 november 2024 tot en met 4 december 2024 is er veelvuldig contact geweest met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Op 30 november 2024 wordt door de gebruiker van dit laatste nummer gevraagd: ‘wannr zetten we die torie recht’, waarop de verdachte reageert met: ‘vndg ben al fit’. Na de explosie van 4 december 2024 is er door de verdachte meermaals naar het nummer [telefoonnummer 2] gebeld en heeft hij een bericht verstuurd met de volgende inhoud: ‘vw je berocht’. Daarna stuurde de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] naar de verdachte: ‘ve deze nummer en bericht’. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte en de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] met elkaar bespreken dat zij een nummer en berichten moeten verwijderen.
Daarnaast is in de telefoon een screenshot van de portiek aan de [straatnaam] nummers [huisnummer 1] - [huisnummer 2] en een looproute naar die portiek aangetroffen. Dit screenshot is gemaakt op 23 november 2024 om 02:57:15 uur. Ook is in de telefoon een screenshot van een nieuwsartikel aangetroffen over het incident van 1 december 2024 in de [straatnaam] . Dit screenshot is gemaakt op 1 december 2024 om 07:08 uur. In de telefoon zijn twee links gevonden naar nieuwsberichten van ‘Oozo’ over het incident in de [straatnaam] in de nacht van 4 december 2024.
Tussenconclusie
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit al deze omstandigheden dat de Samsung Galaxy 8 die bij de verdachte in gebruik was, is gebruikt bij (het plannen van) de feiten die zijn gepleegd op 1 en 4 december 2024.
DNA-materiaal incident 4 december 2024
Het NFI heeft onderzoek verricht op enkele objecten die na het incident van 4 december 2024 zijn aangetroffen. Uit dat onderzoek komt naar voren dat er DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte, zowel op het dopje van een flesje Sourcy vitaminwater als op verschillende ducttaperesten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om te betwijfelen dat het hier om DNA-materiaal van de verdachte gaat. Anders dan de verdediging heeft betoogd, heeft dit DNA-materiaal ook een hoge bewijswaarde. Door de verdediging is aangevoerd dat de objecten verplaatsbaar zijn en daarom geen dadersporen kunnen zijn. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De voorwerpen zijn blijkens het dossier in de portiek gevonden, in het trappenhuis en op de trap van de eerste naar de tweede woonlaag. Dat betreft de plaats delict, blijkens het proces-verbaal van het forensisch onderzoek. Uit het dossier volgt verder dat de politie ook op 1 december 2024 in dezelfde portiek onderzoek heeft gedaan, waarbij deze voorwerpen niet zijn gevonden. Dat betekent dat zij dus niet reeds langere tijd in de portiek hebben gelegen. Daaruit volgt dat de voorwerpen een sterke relatie met het feit van 4 december 2024 hebben. De conclusie van de politie dat deze objecten zijn gebruikt bij het feit van 4 december 2024, is dan ook volstrekt logisch. Het DNA-materiaal van de verdachte kan daarom als daderspoor worden aangemerkt. Daar komt nog bij dat de verdachte geen alternatief scenario heeft geschetst met een verklaring hoe het kan dat zijn DNA-materiaal op twee objecten in de desbetreffende portiek is terechtgekomen, terwijl dit, gelet op de hoge bewijswaarde van deze bevindingen, wel op zijn weg lag
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit gepleegd op 4 december 2024.
Brandstichting of ontploffing en de gevaarzetting op 4 december 2024
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of op 4 december 2024 sprake is geweest van een brandstichting of van een ontploffing en welk gevaar dit heeft veroorzaakt. Gelet op het proces-verbaal van bevindingen, het proces-verbaal van de forensische opsporing en de getuigenverklaring van [getuige] is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzettelijk een ontploffing heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan brand is ontstaan. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat door die brand gemeen gevaar voor de portiek en goederen in de portiek en gemeen gevaar voor (aangrenzende) woningen te duchten was. Of door de ontploffing ook gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten was voor de bewoners of toevallige passanten, hangt af van het antwoord op de vraag of dat gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Uit de bijlage bij het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict blijkt dat wanneer vuurwerk ontploft, dit in zijn algemeenheid gevaar oplevert voor personen die zich in de nabijheid van het vuurwerk bevinden. Als de brand zich verder had uitgebreid via deuren, kozijnen en andere soorten brandbaar materiaal, hadden de bewoners van de portiek niet meer naar buiten gekund en was een uitweg via het trappenhuis ook belemmerd. Daarnaast ontstaan door rookontwikkeling bij brand levensgevaarlijke gassen, zoals koolmonoxide en cyanide, en bij inademing van deze gassen zijn deze direct levensbedreigend voor mensen. Dit gevaar heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook verwezenlijkt, aangezien een (zwangere) bewoonster van de portiek met de ambulance is afgevoerd vanwege ademhalingsproblemen door de rookontwikkeling. Daar komt bij dat de ontploffing in de nachtelijke uren heeft plaatsgevonden, op het moment dat, normaal gesproken, de meeste personen liggen te slapen. Dit leidt tot de conclusie dat zowel sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen als van levensgevaar.
Tussenconclusie feit 2
Op basis van voornoemde inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 4 december 2024 een ontploffing teweeg heeft gebracht en dat daarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het feit van 1 december 2024
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende redengevende omstandigheden zijn op grond waarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ook het feit van 1 december 2024 heeft gepleegd.
Schakelbewijs
De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de verdachte het feit van 4 december 2024 heeft gepleegd. De rechtbank overweegt dat voor het bewijs van een ten laste gelegd feit, aan een ander bewezen geacht en soortgelijk feit ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs in de vorm van zogenaamd schakelbewijs kunnen worden gebruikt. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van dat andere feit dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van de verdachte (‘modus operandi’). Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, kijkt de rechtbank naar de feitelijke gang van zaken ten aanzien van beide feiten, waaronder begrepen de context en de omstandigheden waarbinnen de feiten hebben plaatsgevonden. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als een feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank stelt vast dat er kenmerkende overeenkomsten zijn tussen de beide feiten. Het betreft twee feiten, kort na elkaar gepleegd, op precies dezelfde plek en kennelijk gericht tegen dezelfde aangeefster. In beide gevallen is er brand ontstaan.
De rechtbank overweegt voorts dat in de Samsung Galaxy 8 een screenshot van de portiek aan de [straatnaam] [huisnummer 3] met een looproute is aangetroffen en dat dit screenshot al is gemaakt op 23 november 2024. Daarnaast is ook een screenshot van een nieuwsartikel over de gebeurtenis in de [straatnaam] , gemaakt op 1 december 2024, in de telefoon van de verdachte aangetroffen.
De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte in de periode vanaf 24 november 2024 tot en met 4 december 2024 veelvuldig contact had met de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] . Uit de telefoongegevens blijkt dat er met name rondom de nacht van 1 december 2024 en in de nacht van 4 december 2024 veel contact was. Zo werd op 30 november 2024 door de gebruiker van voornoemd nummer gevraagd: ‘wannr zetten we die torie recht’, waarop de verdachte reageerde met: ‘vndg ben al fit’. Het gebruik van het woordje ‘vndg’, dat door de rechtbank wordt begrepen als “vandaag”, wijst daarbij met name naar het feit op 1 december 2024.
Ten slotte heeft een getuige ( [getuige] ) verklaard dat beide feiten zijn gepleegd door dezelfde persoon; deze getuige herkende de dader aan zijn kleding. De rechtbank hecht, in combinatie met de gegevens uit de telefoon van de verdachte, waarde aan deze herkenning.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het de verdachte is geweest die ook het feit op 1 december 2024 heeft gepleegd.
Brandstichting of ontploffing en de gevaarzetting op 1 december 2024
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een brandstichting. Dat er door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, staat vast. De rechtbank kan echter niet vaststellen of er daarbij ook daadwerkelijk gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar is ontstaan, nu onvoldoende duidelijk is geworden wat er precies is gebeurd.
Tussenconclusie feit 2
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op 1 december 2024 brand heeft gesticht en dat daarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.