ECLI:NL:RBDHA:2026:2481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
09-007294-25 en 10-065735-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77s SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrechtelijke veroordeling voor brandstichting en ontploffing met gevaarzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 2 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte geboren in 2009, die zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting en het veroorzaken van een ontploffing in een portiek van een woning in Den Haag op 1 en 4 december 2024. De verdachte gebruikte open vuur in combinatie met brandbare vloeistoffen en zwaar vuurwerk, waardoor aanzienlijke materiële schade en levensgevaar ontstond.

De bewijsvoering bestond uit DNA-sporen op voorwerpen gevonden op de plaats delict, chatberichten op een in beslag genomen telefoon die de verdachte gebruikte, getuigenverklaringen en forensisch onderzoek. De verdediging voerde onder meer aan dat het DNA niet als daderspoor kon gelden en dat een ex-partner van het slachtoffer mogelijk betrokken was, maar deze verweren werden door de rechtbank verworpen.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en veroordeelde hem tot 275 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een forensisch klinische instelling, vanwege de normoverschrijdende gedragsstoornis en het hoge recidiverisico. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke jeugddetentie werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 275 dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-007294-25 en 10-065735-24 (tul)
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
en wonende te [adres] ,
nu preventief gedetineerd in JJI [locatie] te [plaats 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 28 oktober 2025 (pro forma) en 19 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. D. Kortekaas en de raadsman van de verdachte is mr. E.B. Jobse te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 1 december 2024 te 's-Gravenhage, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door in het portiek van de nummers [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] van de [straatnaam] open vuur in aanraking te brengen met een flesje met brandstof terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat portiek en/of goederen in dat portiek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor bewoners van dat portiek en/of toevallige passanten in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor voor bewoners van dat portiek en/of toevallige passanten, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
2
hij op of omstreeks 4 december 2024 te 's-Gravenhage, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door in het portiek van de nummers [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] van de [straatnaam] open vuur in aanraking te brengen met een of meer Cobra's vastgemaakt aan een flesje met benzine/brandstof terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat portiek en/of goederen in dat portiek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor bewoners van dat portiek en/of toevallige passanten in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor voor bewoners van dat portiek en/of toevallige passanten, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.
3.3
Bewezenverklaring en gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4
Bewijsoverwegingen
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de nacht van 1 december 2024 is er in een portiek, gelegen aan de [straatnaam] te Den Haag, een brandbare vloeistof tegen de voordeur van nummer [huisnummer 3] gegooid. Daardoor is de voordeur in brand gevlogen en door de brandweer geblust. Als gevolg van de brand is de voordeur zwartgeblakerd en er was een sterke brandgeur te ruiken. Ter plaatse heeft de politie een bovenkant van een fles met daarin een lont aangetroffen en buiten de portiek is in het gras een aansteker gevonden. Vervolgens is er in de nacht van 4 december 2024 in diezelfde portiek en bij dezelfde woning een explosief afgegaan, waarbij een harde knal is gehoord door een buurtbewoner. Door de ontploffing is brand ontstaan in de portiek, die door een buurtbewoner is geblust. Als gevolg van het afgaan van het explosief is de voordeur zwartgeblakerd en een portiekraam ontzet. Boven in de portiek lagen een ventilatierooster en luik op de grond. Ter plaatse heeft de politie een dopje en restanten van een flesje Sourcy vitaminwater, vuurwerksnippers, ducttape en een intact stuk vuurwerk aangetroffen. Ook was er een sterke benzinelucht te ruiken. De bewoonster van nummer [huisnummer 3] was ten tijde van beide incidenten niet thuis en heeft aangifte gedaan.
Bij de explosie van 4 december 2024 zijn verschillende objecten, waaronder de resten van ducttape en een dopje van een flesje Sourcy vitaminwater, veiliggesteld en naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gestuurd voor DNA-onderzoek. Op de taperesten en het dopje is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Verder is op 6 mei 2025 bij iHub, een woongroep in [plaats 2] , een telefoon (een Samsung Galaxy 8) inbeslaggenomen die volgens de begeleiders daar door de verdachte is achtergelaten. Op deze telefoon zijn chats, nieuwsartikelen en screenshots gevonden over de incidenten op 1 en 4 december 2024. Op basis van het voorgaande is de verdachte in beeld gekomen als mogelijke dader.
De proceshouding van de verdachte en het standpunt van de verdediging
De verdachte ontkent dat hij enige betrokkenheid heeft gehad bij de feiten. Door de verdediging is aangevoerd dat het in het onderzoek aan de verdachte toegeschreven telefoonnummer [telefoonnummer 1] niet van de verdachte is geweest, dat hij het nummer in ieder geval niet heeft gebruikt en dat de Samsung Galaxy 8 niet bij hem is aangetroffen. Verder kan het DNA-materiaal op het dopje van het flesje Sourcy vitaminwater volgens de verdediging niet als bewijs dienen, omdat het hierbij niet om een daderspoor gaat. Het dopje is immers een verplaatsbaar object. Ook het DNA-materiaal op de ducttaperesten is onvoldoende betrouwbaar bewijs, mede omdat het alleen op de tweede laag van het tape is aangetroffen en niet ook op de eerste laag. Door de verdediging is ten slotte aangevoerd dat er in het dossier meerdere aanknopingspunten zijn te vinden voor betrokkenheid van de ex-partner van de aangeefster bij de incidenten. De aangeefster noemt de ex-partner in haar aangiftes, hij voldoet aan het kledingsignalement van de dader en hij is ten tijde van de gebeurtenis op 4 december 2024 in de omgeving van de [straatnaam] geweest.
Telefoonnummer [telefoonnummer 1] en telefoon Samsung Galaxy 8
De rechtbank zal eerst de vraag moeten beantwoorden of het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en de Samsung Galaxy 8 van de verdachte zijn. De rechtbank overweegt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen als volgt.
Uit het dossier blijkt dat op 6 mei 2025 een telefoon inbeslaggenomen is bij iHub, een woongroep in [plaats 2] , waar de verdachte op dat moment verbleef. Het gaat om een Samsung Galaxy 8. De verdachte had zich op 1 mei 2025 onttrokken aan zijn begeleid verlof en heeft volgens zijn begeleiders zijn telefoon, de bewuste Samsung Galaxy 8, niet meegenomen, maar daar achtergelaten. Uit het onderzoek aan deze Samsung Galaxy 8 blijkt dat de gebruiker van de telefoon zichzelf ‘Harsh’ noemt en dat de gebruiker met telefoonnummer [telefoonnummer 1] contact heeft met nummers, waarvan uit het integrale politiesysteem blijkt dat dit nummers zijn van de moeder, de vader en de oma van de verdachte. De berichtenwisseling met de moeder en de oma vond in ieder geval in de periode van 26 november 2024 tot en met 21 december 2024 plaats. Hierbij komt dat de moeder van de verdachte dit telefoonnummer bij vermissing van de verdachte op 2 december 2024 als telefoonnummer van de verdachte heeft opgegeven. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat er daarom van uit kan worden gegaan dat de verdachte in de periode dat de ten laste gelegde feiten werden gepleegd, de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] is geweest en dat de verdachte de Samsung Galaxy 8 toen in zijn bezit heeft gehad.
Onderzoek aan de Samsung Galaxy 8
Uit het onderzoek aan de Samsung Galaxy 8 blijkt het volgende. In de periode van 23 november 2024 tot en met 4 december 2024 is er veelvuldig contact geweest met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Op 30 november 2024 wordt door de gebruiker van dit laatste nummer gevraagd: ‘wannr zetten we die torie recht’, waarop de verdachte reageert met: ‘vndg ben al fit’. Na de explosie van 4 december 2024 is er door de verdachte meermaals naar het nummer [telefoonnummer 2] gebeld en heeft hij een bericht verstuurd met de volgende inhoud: ‘vw je berocht’. Daarna stuurde de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] naar de verdachte: ‘ve deze nummer en bericht’. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte en de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] met elkaar bespreken dat zij een nummer en berichten moeten verwijderen.
Daarnaast is in de telefoon een screenshot van de portiek aan de [straatnaam] nummers [huisnummer 1] - [huisnummer 2] en een looproute naar die portiek aangetroffen. Dit screenshot is gemaakt op 23 november 2024 om 02:57:15 uur. Ook is in de telefoon een screenshot van een nieuwsartikel aangetroffen over het incident van 1 december 2024 in de [straatnaam] . Dit screenshot is gemaakt op 1 december 2024 om 07:08 uur. In de telefoon zijn twee links gevonden naar nieuwsberichten van ‘Oozo’ over het incident in de [straatnaam] in de nacht van 4 december 2024.
Tussenconclusie
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit al deze omstandigheden dat de Samsung Galaxy 8 die bij de verdachte in gebruik was, is gebruikt bij (het plannen van) de feiten die zijn gepleegd op 1 en 4 december 2024.
DNA-materiaal incident 4 december 2024
Het NFI heeft onderzoek verricht op enkele objecten die na het incident van 4 december 2024 zijn aangetroffen. Uit dat onderzoek komt naar voren dat er DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte, zowel op het dopje van een flesje Sourcy vitaminwater als op verschillende ducttaperesten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om te betwijfelen dat het hier om DNA-materiaal van de verdachte gaat. Anders dan de verdediging heeft betoogd, heeft dit DNA-materiaal ook een hoge bewijswaarde. Door de verdediging is aangevoerd dat de objecten verplaatsbaar zijn en daarom geen dadersporen kunnen zijn. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De voorwerpen zijn blijkens het dossier in de portiek gevonden, in het trappenhuis en op de trap van de eerste naar de tweede woonlaag. Dat betreft de plaats delict, blijkens het proces-verbaal van het forensisch onderzoek. Uit het dossier volgt verder dat de politie ook op 1 december 2024 in dezelfde portiek onderzoek heeft gedaan, waarbij deze voorwerpen niet zijn gevonden. Dat betekent dat zij dus niet reeds langere tijd in de portiek hebben gelegen. Daaruit volgt dat de voorwerpen een sterke relatie met het feit van 4 december 2024 hebben. De conclusie van de politie dat deze objecten zijn gebruikt bij het feit van 4 december 2024, is dan ook volstrekt logisch. Het DNA-materiaal van de verdachte kan daarom als daderspoor worden aangemerkt. Daar komt nog bij dat de verdachte geen alternatief scenario heeft geschetst met een verklaring hoe het kan dat zijn DNA-materiaal op twee objecten in de desbetreffende portiek is terechtgekomen, terwijl dit, gelet op de hoge bewijswaarde van deze bevindingen, wel op zijn weg lag
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit gepleegd op 4 december 2024.
Brandstichting of ontploffing en de gevaarzetting op 4 december 2024
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of op 4 december 2024 sprake is geweest van een brandstichting of van een ontploffing en welk gevaar dit heeft veroorzaakt. Gelet op het proces-verbaal van bevindingen, het proces-verbaal van de forensische opsporing en de getuigenverklaring van [getuige] is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzettelijk een ontploffing heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan brand is ontstaan. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat door die brand gemeen gevaar voor de portiek en goederen in de portiek en gemeen gevaar voor (aangrenzende) woningen te duchten was. Of door de ontploffing ook gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten was voor de bewoners of toevallige passanten, hangt af van het antwoord op de vraag of dat gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Uit de bijlage bij het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict blijkt dat wanneer vuurwerk ontploft, dit in zijn algemeenheid gevaar oplevert voor personen die zich in de nabijheid van het vuurwerk bevinden. Als de brand zich verder had uitgebreid via deuren, kozijnen en andere soorten brandbaar materiaal, hadden de bewoners van de portiek niet meer naar buiten gekund en was een uitweg via het trappenhuis ook belemmerd. Daarnaast ontstaan door rookontwikkeling bij brand levensgevaarlijke gassen, zoals koolmonoxide en cyanide, en bij inademing van deze gassen zijn deze direct levensbedreigend voor mensen. Dit gevaar heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook verwezenlijkt, aangezien een (zwangere) bewoonster van de portiek met de ambulance is afgevoerd vanwege ademhalingsproblemen door de rookontwikkeling. Daar komt bij dat de ontploffing in de nachtelijke uren heeft plaatsgevonden, op het moment dat, normaal gesproken, de meeste personen liggen te slapen. Dit leidt tot de conclusie dat zowel sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen als van levensgevaar.
Tussenconclusie feit 2
Op basis van voornoemde inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 4 december 2024 een ontploffing teweeg heeft gebracht en dat daarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het feit van 1 december 2024
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende redengevende omstandigheden zijn op grond waarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ook het feit van 1 december 2024 heeft gepleegd.
Schakelbewijs
De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de verdachte het feit van 4 december 2024 heeft gepleegd. De rechtbank overweegt dat voor het bewijs van een ten laste gelegd feit, aan een ander bewezen geacht en soortgelijk feit ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs in de vorm van zogenaamd schakelbewijs kunnen worden gebruikt. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van dat andere feit dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van de verdachte (‘modus operandi’). Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, kijkt de rechtbank naar de feitelijke gang van zaken ten aanzien van beide feiten, waaronder begrepen de context en de omstandigheden waarbinnen de feiten hebben plaatsgevonden. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als een feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank stelt vast dat er kenmerkende overeenkomsten zijn tussen de beide feiten. Het betreft twee feiten, kort na elkaar gepleegd, op precies dezelfde plek en kennelijk gericht tegen dezelfde aangeefster. In beide gevallen is er brand ontstaan.
De rechtbank overweegt voorts dat in de Samsung Galaxy 8 een screenshot van de portiek aan de [straatnaam] [huisnummer 3] met een looproute is aangetroffen en dat dit screenshot al is gemaakt op 23 november 2024. Daarnaast is ook een screenshot van een nieuwsartikel over de gebeurtenis in de [straatnaam] , gemaakt op 1 december 2024, in de telefoon van de verdachte aangetroffen.
De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte in de periode vanaf 24 november 2024 tot en met 4 december 2024 veelvuldig contact had met de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] . Uit de telefoongegevens blijkt dat er met name rondom de nacht van 1 december 2024 en in de nacht van 4 december 2024 veel contact was. Zo werd op 30 november 2024 door de gebruiker van voornoemd nummer gevraagd: ‘wannr zetten we die torie recht’, waarop de verdachte reageerde met: ‘vndg ben al fit’. Het gebruik van het woordje ‘vndg’, dat door de rechtbank wordt begrepen als “vandaag”, wijst daarbij met name naar het feit op 1 december 2024.
Ten slotte heeft een getuige ( [getuige] ) verklaard dat beide feiten zijn gepleegd door dezelfde persoon; deze getuige herkende de dader aan zijn kleding. De rechtbank hecht, in combinatie met de gegevens uit de telefoon van de verdachte, waarde aan deze herkenning.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het de verdachte is geweest die ook het feit op 1 december 2024 heeft gepleegd.
Brandstichting of ontploffing en de gevaarzetting op 1 december 2024
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een brandstichting. Dat er door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, staat vast. De rechtbank kan echter niet vaststellen of er daarbij ook daadwerkelijk gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar is ontstaan, nu onvoldoende duidelijk is geworden wat er precies is gebeurd.
Tussenconclusie feit 2
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op 1 december 2024 brand heeft gesticht en dat daarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 1 december 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door in
deportiek van de nummers [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] van de [straatnaam] open vuur in aanraking te brengen met een flesje met brandstof terwijl daarvan gemeen gevaar voor
dieportiek en/of goederen in
dieportiek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
2
hij op 4 december 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht door in het portiek van de nummers [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] van de [straatnaam] open vuur in aanraking te brengen met een of meer Cobra's vastgemaakt aan een flesje met benzine/brandstof terwijl daarvan gemeen gevaar voor
dieportiek en/of goederen in
dieportiek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en levensgevaar voor bewoners van
dieportiek, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf en maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 202 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem daarnaast een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair bepleit dat, mocht de rechtbank onverhoopt overgaan tot strafoplegging, een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) wordt opgelegd. Subsidiair heeft de verdediging bepleit om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden, namelijk onder meer dat de verdachte wordt opgenomen in [kliniek] of een soortgelijke residentiële instelling.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte was ten tijde van de feiten 15 jaar. Hij heeft zich in vier dagen tijd schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een brand en een ontploffing bij een en dezelfde woning. De brand is ontstaan door een flesje brandstof in aanraking te brengen met vuur en daardoor is de deur van de woning beschadigd. De ontploffing is veroorzaakt door zwaar vuurwerk (Cobra’s), vastgemaakt aan een flesje brandstof, aan te steken. Door de ontploffing is ook brand ontstaan, een portiekraam ontzet, de deur van de woning zwartgeblakerd en boven in de portiek zijn het ventilatierooster en een luik uit het plafond gevallen. Bij de ontploffing ontstond zodanig veel rook dat een zwangere vrouw die in de getroffen portiek woont,
naar het ziekenhuis vervoerd moest worden vanwege ademhalingsproblemen. Uit de aangiftes blijkt dat de bewoonster van de getroffen woning erg geschrokken is van deze feiten, die tegen haar persoon gericht lijken te zijn geweest. Naast de materiële schade hebben deze feiten haar veiligheidsgevoel aangetast. Ook het veiligheidsgevoel van anderen (de familie van het slachtoffer, buren) zal zijn aangetast door de brand en de ontploffing. Het veroorzaken van ontploffingen met vuurwerkbommen doet zich op verschillende plaatsen in Nederland steeds vaker voor en heeft kennelijk tot doel personen te intimideren en angst aan te jagen. Dit soort strafbare feiten zorgt niet alleen bij de slachtoffers voor gevoelens van onrust, angst en onveiligheid, maar ook breder binnen de samenleving. Dat de verdachte hieraan heeft meegedaan, rekent de rechtbank hem aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 oktober 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder brandstichting. Op het moment van het plegen van de strafbare feiten die de rechtbank bewezen verklaart, liep de verdachte in twee proeftijden. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro Justitia-rapport van 3 december 2025, opgesteld door drs. [naam 1] , kinder- en jeugdpsychiater, en drs. [naam 2] , GZ-psycholoog. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte lijdt aan een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken. Deze stoornissen waren volgens de deskundigen ook aanwezig ten tijde van de delicten, maar omdat de verdachte niet in gesprek heeft willen gaan over de delicten, kan niet worden bepaald in hoeverre de stoornissen een rol hebben gespeeld tijdens de strafbare feiten en welke invloed dit heeft gehad op de toerekenbaarheid daarvan aan de verdachte. Er is sprake van weinig beschermende factoren en een hoog risico op recidive. Om het risico op recidive te verminderen en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte, is intensieve residentiële behandeling noodzakelijk. De behandeling moet zich richten op de persoonlijkheid van de verdachte en het systeem rondom de verdachte. Geadviseerd wordt om dit te laten plaatsvinden binnen het juridische kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel is niet passend omdat de verdachte slechts beperkt openstaat voor behandeling en niet of nauwelijks probleembesef heeft.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de Raad van 13 januari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. De Raad onderschrijft de analyse en de zorgen van onderzoekers van het pro Justitia-rapport, maar ziet nog wel mogelijkheden voor een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De verdachte heeft namelijk aangegeven open te staan voor behandeling in een residentiële setting. Daar komt bij dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel diep zal ingrijpen in het leven van de nog jonge verdachte. Volgens de Raad moet de verdachte nog een kans krijgen om binnen een voorwaardelijk kader te laten zien dat hij zich aan voorwaarden en intensieve begeleiding kan houden. De deskundige heeft ter zitting voorts naar voren gebracht dat behandeling in een ambulant kader en daarmee oplegging van een GBM niet passend is omdat de verdachte gebaat is bij langdurige behandeling in een forensische residentiële setting. Daarbij komt dat bij het eventueel mislukken van een GBM er geen behandeling meer plaatsvindt, maar dat de verdachte dan in detentie terechtkomt. De Raad adviseert daarom oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met als bijzondere voorwaarde (onder meer) dat de verdachte zich (klinisch) laat behandelen bij [kliniek] of een soortgelijke instantie.
De jeugdreclasseerder heeft ter zitting naar voren gebracht ook nog mogelijkheden in een voorwaardelijk kader te zien.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen, waarin als uitgangspunt is vermeld dat in beginsel jeugddetentie wordt opgelegd.
Gezien de ernst van de feiten, kan niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan jeugddetentie. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 275 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank een PIJ-maatregel opleggen, in voorwaardelijke vorm.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een GBM op te leggen en volgt hierin het advies van de Raad. Een GBM zal immers plaatsvinden in een ambulant kader en de rechtbank is van oordeel dat uit de adviezen van de deskundigen blijkt dat het nodig is dat de verdachte in een residentiële of klinische setting verblijft en daar behandeling krijgt. Dat maakt dat een GBM niet geschikt is, nu deze mate van intensiteit in de behandeling niet kan worden gerealiseerd via de GBM en het kader niet toereikend is.
PIJ-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel, zoals vermeld in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan.
De bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van wat de deskundigen over de verdachte hebben opgenomen in de rapportages, komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, te weten een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken. Daarnaast eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat in de afgelopen jaren verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, ook in het civiele kader, maar dat dit kennelijk onvoldoende positief effect heeft gehad.
Bovendien is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat de verdachte gebaat is bij intensieve ondersteuning, behandeling en begeleiding in een kader met strakke voorwaarden. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook de door de Raad geadviseerde voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. Nu de Raad en de jeugdreclassering hebben aangegeven nog mogelijkheden in een voorwaardelijk kader te zien, zal de rechtbank de verdachte die kans nog geven. De voorwaardelijke PIJ-maatregel fungeert daarbij als een dwingend kader voor de bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen. De voorwaardelijke PIJ-maatregel moet de verdachte er ook van weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij vindt de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte in een forensisch klinische setting, zoals [kliniek] , zal gaan verblijven en daar begint met zijn behandeling.
Aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel verbindt de rechtbank een proeftijd van twee jaar. De verdachte moet zich gedurende die proeftijd aan bijzondere voorwaarden houden, zoals hierna nader wordt gespecificeerd. Dit strakke kader is noodzakelijk om het hoge recidiverisico te beperken en hiermee krijgt de verdachte de kans om zich in te zetten voor de voor hem noodzakelijk geachte behandeling.
De rechtbank overweegt dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van meerdere misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat in het geval van tenuitvoerlegging, verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank komt tot die conclusie gezien de ernst van de gepleegde feiten, de eerdere veroordeling alsmede het door de psycholoog en de psychiater en de Raad vermelde recidiverisico (hoog) en de in dat verband geschetste noodzaak tot het starten van een intensieve ondersteuning, behandeling en begeleiding.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 10-065735-24 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam op 31 oktober 2024 voorwaardelijk opgelegde straf van 30 dagen jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de aan dat voorwaardelijk verbonden algemene voorwaarde van het niet opnieuw plegen van strafbare feiten.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair is verzocht de aan het voorwaardelijk strafdeel verbonden proeftijd met een jaar te verlengen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet dat er gronden zijn voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2024, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Hij heeft zich immers binnen de proeftijd schuldig gemaakt aan twee nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal aan de verdachte echter een lange jeugddetentie opleggen, die er mede toe strekt de periode tot opname in [kliniek] of een soortgelijke instantie te overbruggen. De rechtbank zal daarom niet overgaan tot tenuitvoerlegging van de eerdere veroordeling. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering afwijzen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf en maatregel
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
275 (TWEEHONDERDVIJFENZEVENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
legt op
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming west Haaglanden op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2.
zich laat behandelen in [kliniek] of een soortgelijke forensisch klinische behandelsetting, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het - op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
de vordering tenuitvoerlegging
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 31 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 10-065735-24.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,
en mr. C.M. Koole, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2026.