ECLI:NL:RBDHA:2026:2487

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
09-243981-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing, vernieling, binnendringen en diefstal met braak

De rechtbank Den Haag heeft op 11 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing, vernieling, wederrechtelijk binnendringen en diefstal met braak. Het onderzoek vond plaats tijdens zittingen op 19 december 2025 en 28 januari 2026, waarbij de verdachte werd bijgestaan door een beëdigde tolk vanwege onvoldoende beheersing van het Nederlands.

De rechtbank heeft op basis van diverse bewijsmiddelen, waaronder DNA-sporen, camerabeelden en verklaringen van de aangever, vastgesteld dat de verdachte op 7 september 2025 in een woning te Den Haag aanwezig was en de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en afgeperst. Ondanks enkele contra-indicaties, zoals het ontbreken van littekens bij de verdachte die de aangever wel had waargenomen, vond de rechtbank de bewijzen overtuigend genoeg om de verdachte schuldig te verklaren.

De verdachte heeft ook een raam vernield om toegang te verkrijgen tot de woning en heeft diefstal met braak gepleegd door een zonnebril weg te nemen. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole.

Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €2.388,52, bestaande uit materiële en immateriële schade, toegewezen met wettelijke rente vanaf 7 september 2025. De verdachte werd tevens veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De straf en maatregelen zijn gebaseerd op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het reclasseringsadvies.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en toegewezen schadevergoeding van €2.388,52 met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/243981-25 en 09/231415-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 december 2025 (pro forma) en 28 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A. Ramsaroep naar voren is gebracht.
Omdat de verdachte niet of onvoldoende Nederlands beheerst, is hij tijdens het onderzoek op de terechtzitting bijgestaan door een beëdigde tolk Berber (Tarifit). Wat daar is gesproken of voorgelezen heeft de tolk voor de verdachte vertolkt.
De benadeelde partij [aangever 1] is ter zitting vertegenwoordigd door dhr. [naam] van Slachtofferhulp Nederland.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 28 januari 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle onder dagvaarding I en dagvaarding II tenlastegelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder dagvaarding I onder 3 en 4 en dagvaarding II gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van dagvaarding I
Feit 1 en 2: Alternatief scenario: is de verdachte de dader?
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het niet de verdachte, maar een onbekend persoon moet zijn geweest die de aangever heeft afgeperst en wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij op 7 september 2025 niet in de woning is geweest. Daarbij is onder andere besproken dat de aangever in zijn aangifte heeft verklaard dat de dader ‘veel littekens rondom zijn buik aan de linkerkant’ had. Op de terechtzitting is gebleken dat de verdachte geen littekens op zijn buik heeft. Ook heeft de aangever verklaard dat de dader ten tijde van de feiten informatie heeft gedeeld over zijn familiesituatie. Wat de aangever hierover heeft gezegd, zou niet stroken met de familiesituatie van de verdachte. Daarnaast heeft de aangever verklaard in de woning een pinpas te hebben gezien die op naam stond van een andere persoon dan de verdachte, en dat het dossier aanwijzingen bevat dat deze persoon een bekend harddrugsgebruiker zou zijn die eerder betrokken is geweest bij een gijzeling.
Gelet op het verweer van de verdediging staat de rechtbank voor de vraag of buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Niet ter discussie staat dat de verdachte in de woning is geweest. Dat heeft hij immers op de terechtzitting bekend en er zijn meerdere goederen uit de woning in beslag genomen waarop DNA-sporen zijn aangetroffen die matchen met zijn DNA. Wel staat ter discussie het antwoord op de vraag of de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten in de woning aanwezig was en zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing.
Het antwoord op deze vraag moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ten eerste blijkt uit het procesdossier dat de verdachte op 6 september 2025 voor een ander feit is aangehouden en die dag ook weer is heengezonden. Op de SKDB-foto van 6 september 2025 is te zien welke kleding de verdachte op dat moment droeg, namelijk een wit T-shirt met verticale strepen met als opdruk ‘NEW YORK’. Volgens het dossier is de verdachte op 7 september 2025 wederom aangehouden en die dag om 02.18 uur heengezonden. Op de SKDB-foto gemaakt op 7 september 2025 droeg de verdachte voornoemd T-shirt ook. De verdachte is te zien op camerabeelden op het moment dat hij op 7 september 2025 het politiebureau verlaat. Op deze camerabeelden is te zien dat de verdachte een korte broek en gestreepte blauwe slippers draagt. Later op deze dag, nadat de aangever zich had gemeld bij de politie, is de woning aan de [adres 2] doorzocht. Bij deze doorzoeking is kleding aangetroffen (een shirt met verticale strepen en ‘NEW YORK’ als opdruk, gestreepte blauwe slippers en een kort broekje) die ofwel dezelfde kleding betreft, dan wel zeer grote overeenkomsten vertonen met de kleding die de verdachte tijdens zijn eerdere aanhoudingen droeg. De verdachte heeft niet weersproken dat de in de woning aangetroffen kleding van hem is. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte wel degelijk na zijn aanhouding op 7 september 2025 in de woning moet zijn geweest.
Ten tweede betrekt de rechtbank bij haar overweging dat de aangever heeft verklaard dat de gijzeling tot ongeveer 15:30 uur op 7 september 2025 heeft geduurd. Op camerabeelden is te zien dat een man met uiterlijke kenmerken die overeenkomen met die van de verdachte, om 15:32 uur aan de achterkant van de [adres 2] , de hofjes verlaat.
Verder heeft de aangever verklaard dat hij in de badkamer is opgesloten met een zonnebril die hij van de verdachte in zijn handen gedrukt heeft gekregen. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat er op deze zonnebril én op de knop van het deurslot van de badkamer DNA-sporen zijn aangetroffen die matchen met het DNA van de verdachte.
Ook neemt de rechtbank in overweging dat de aangever na het incident een mes heeft gevonden in de tuin van de [adres 2] , dat hij heeft herkend als het mes dat door de verdachte is gebruikt tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing. Ook op dit mes is DNA aangetroffen dat matcht met dat van de verdachte.
Tot slot heeft de rechtbank in het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten aangetroffen dat iemand anders dan de verdachte in of rondom de pleegperiode in de woning verbleef. Ook de verdachte zelf heeft op de zitting verklaard geen andere personen te hebben gezien toen hij daar verbleef.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen, concludeert de rechtbank dat de verdachte aanwezig was in de woning aan de [adres 2] ten tijde van het ten laste gelegde en dat hij degene is die de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en heeft afgeperst.
Hoewel de rechtbank erkent dat de verklaring van de aangever enkele contra-indicaties bevat die zich lijken te verzetten tegen de conclusie dat de verdachte de dader is (de meest in het oog springende is de verklaring van de aangever dat hij littekens op de buik van de dader heeft waargenomen), leggen deze contra-indicaties onvoldoende gewicht in de schaal in het licht van de diverse en in ruime mate aanwezige bewijsmiddelen die met nadruk wijzen op de verdachte als dader van de tenlastegelegde feiten.
De rechtbank heeft hierbij overigens in overweging genomen dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte in en voor de ten laste gelegde periode naar eigen zeggen veel drugs gebruikte en aan psychische problematiek leed, waardoor hij de controle over zijn gedrag kon verliezen.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid dat een ander dan de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, niet aannemelijk is geworden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I
1
hij op 7 september 2025 te 's-Gravenhage in een woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- de voordeur van de woning op slot te draaien;
- die [aangever 1] onder bedreiging van een mes te dwingen op de bank plaats te nemen;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij, verdachte, spullen uit de woning mee zou nemen en dat die [aangever 1] niets mocht doen;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij stil op de bank moest blijven zitten;
- die [aangever 1] gedurende (vier) uren in een gesprek te dwingen;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij, verdachte, hem wel zou laten zien wat er gebeurt met mensen die niet meewerken – terwijl hij met het mes een snijdende beweging langs zijn, verdachtes, eigen keel maakte en
- die [aangever 1] te dwingen met hem mee te lopen naar de badkamer en hem daar naar binnen te duwen en de deur op slot te doen;
2
hij op 7 september 2025 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een autosleutel en sleutel(bos) en een telefoon en de toegangscode van zijn telefoon en de toegangscode van zijn bankierenapp en een trouwring, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die [aangever 1] toebehoorden, door
- een mes te tonen aan die [aangever 1] ;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat er niets zou gebeuren als [aangever 1] rustig bleef en meewerkte en
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij, verdachte, hem wel zou laten zien wat er gebeurt als hij niet meewerkt – terwijl hij, verdachte, met het mes een snijdende beweging langs zijn eigen keel maakte;
3
hij omstreeks de periode van 6 september 2025 tot en met 7 september 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een slaapkamerraam, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 1] , toebehoorde heeft vernield;
4
hij omstreeks de periode van 6 september 2025 tot en met 7 september 2025 te 's-Gravenhage in de woning, aan de [adres 2] bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
Ten aanzien van dagvaarding II
hij, op 2 september 2025 te 's-Gravenhage, een zonnebril (van het merk Ray-Ban)
diegeheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot strafoplegging komt, verzoekt de verdediging een straf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. In het geval de rechtbank nog een aanvullende straf op willen leggen, verzoekt de verdediging deze zoveel als mogelijk voorwaardelijk op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft een raam vernield om zich toegang te verschaffen tot de woning aan de [adres 2] in Den Haag waarvan het slachtoffer de eigenaar was en heeft zich daarna in deze woning opgehouden. Toen het slachtoffer de woning betrad, heeft de verdachte hem meerdere uren wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en afgeperst. De verdachte heeft de voordeur op slot gedraaid en dreigende taal geuit onder vertoning van een mes. Ook heeft de verdachte meerdere goederen van het slachtoffer afgenomen, zoals zijn telefoon en zijn trouwring. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zich gedurende de feiten erg bedreigd voelde. Hij was angstig en is geraakt door dit alles. De rechtbank rekent de verdachte dit ten zeerste aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak uit een auto. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander en hij heeft schade veroorzaakt. Dit soort strafbare feiten leiden tot een gevoel van onveiligheid bij het slachtoffer en in de maatschappij.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 10 december 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van dagbesteding, middelengebruik en psychosociaal functioneren en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole. De verdachte is gemotiveerd om van zijn problematiek af te komen en in dat verband hulp te aanvaarden.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor een overval in een woning 36 maanden gevangenisstraf opgenomen. De rechtbank beseft dat de verdachte geen woningoverval ten laste is gelegd, maar de feiten en omstandigheden van dit geval sluiten wel nauw aan bij dat strafbare feit.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van dagvaarding I
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2388,52, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1188,52 aan materiële schade en € 1200,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toewijzing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank de vordering tot schadevergoeding primair af te wijzen en subsidiair te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van dagvaarding I
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.388,52, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.188,52 aan materiële schade en € 1.200,- aan immateriële schade.
De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door de onder dagvaarding I bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder dagvaarding I bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de ‘Rotterdamse schaal’ (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen), zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.200,-.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.388,52, bestaande uit € 1.188,52 aan materiële schade en € 1.200,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor de onder dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2388,52, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 63, 138, 282, 311, 317, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Ten aanzien van dagvaarding I
ten aanzien van feit 1 en 2:
eendaadse samenloop van
opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;
en
afpersing;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;
ten aanzien van feit 4:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
Ten aanzien van dagvaarding II
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de GGZ Reclassering [zorgverlener] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de forensische polikliniek van [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk en richt zich op het verminderen van de problematiek rondom het middelengebruik en het psychosociale functioneren. Tevens dient veroordeelde weerbaarder te worden en over meer handvatten te beschikken om de juiste keuzes te (blijven) maken in complexe situaties. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan
hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol, drugs en medicatie om het
middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
Ten aanzien van dagvaarding I
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.388,52 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
Ten aanzien van dagvaarding I
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.388,52, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2026.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Dagvaarding I
1
hij op of omstreeks 7 september 2025 te 's-Gravenhage in een woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
- de voordeur van de woning op slot te draaien;
- die [aangever 1] onder bedreiging van een mes te dwingen op de bank plaats te nemen;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij, verdachte, spullen uit de woning mee zou nemen en dat die [aangever 1] niets mocht doen;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij stil op de bank moest blijven zitten;
- die [aangever 1] gedurende (vier) uren in een gesprek te dwingen;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij, verdachte, hem wel zou laten zien wat er gebeurt met mensen die niet meewerken – terwijl hij met het mes een snijdende beweging langs zijn, verdachtes, eigen keel maakte en/of
- die [aangever 1] te dwingen met hem mee te lopen naar de badkamer en hem daar naar binnen te duwen en de deur op slot te doen;
2
hij op of omstreeks 7 september 2025 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een autosleutel en/of sleutel(bos) en/of een telefoon en/of de toegangscode van zijn telefoon en/of de toegangscode van zijn bankierenapp en/of een bankpas en/of een trouwring, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n), door
- een mes te tonen aan die [aangever 1] ;
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat er niets zou gebeuren als [aangever 1] rustig bleef en meewerkte en/of
- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij, verdachte, hem wel zou laten zien wat er gebeurt als hij niet meewerkt – terwijl hij, verdachte, met het mes een snijdende beweging langs zijn eigen keel maakte;
3
hij in of omstreeks de periode van 6 september 2025 tot en met 7 september 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een slaapkamerraam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4
hij in of omstreeks de periode van 6 september 2025 tot en met 7 september 2025 te 's-Gravenhage in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
Dagvaarding II
hij, op of omstreeks 2 september 2025 te 's-Gravenhage, een zonnebril (van het merk Ray-Ban) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.