ECLI:NL:RBDHA:2026:2491

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL25.33464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag Libië wegens onvoldoende aannemelijkheid vervolging

Eiser, een Libische nationaliteit dragende man, diende een herhaalde asielaanvraag in Nederland in nadat eerdere aanvragen waren afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn asielmotieven. Hij stelde dat hij vreest voor vervolging door de Libische autoriteiten, mede vanwege een dagvaarding en ondervraging van zijn broer.

De minister van Asiel en Migratie achtte de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig, maar verwierp het vervolgingsgevaar als onvoldoende aannemelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de nieuwe bewijsstukken onvoldoende waren om het eerdere oordeel te herzien. De situatie in Libië werd erkend als een 15c-situatie met een laag risico op willekeurig geweld, zonder aanvullende individuele omstandigheden.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk vervolgd zal worden of slachtoffer zal worden van willekeurig geweld bij terugkeer. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van persoonlijk vervolgingsgevaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33464

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Libische nationaliteit te hebben. Op 29 december 2020 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 7 april 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het asielmotief over de gedwongen rekrutering door milities is daarbij ongeloofwaardig geacht. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, ongegrond verklaard. [1] Dit oordeel is bevestigd door de Afdeling. [2] Het besluit staat daarmee in rechte vast. Eisers tweede asielaanvraag, ingediend op 9 januari 2025, is bij besluit van 17 januari 2025 buiten behandeling gesteld. Op 4 april 2025 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zijn huidige asielmotieven te maken hebben met de problemen zoals aangedragen tijdens zijn eerste asielprocedure. Hij vreest voor de Libische autoriteiten. Zijn broer heeft een dagvaarding ontvangen en is ondervraagd door de Libische autoriteiten. Daarbij zijn ook vragen aan hem gesteld over eiser. Daarnaast beroept eiser zich op de verslechterde algemene situatie in Libië.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Dat eiser wordt vervolgd door de overheid van Libië heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Omdat de gestelde problemen voortborduren op de ongeloofwaardig geachte problemen uit zijn eerste procedure is het aan eiser om de problemen aannemelijk te maken door middel van nieuwe bewijsstukken en verklaringen. Verweerder heeft overwogen dat de door eiser overgelegde stukken hiertoe onvoldoende zijn. [3] Met zijn verklaringen heeft eiser zijn relaas ook niet aannemelijk gemaakt. [4] Verder is in [plaats] geen sprake van een gewapend conflict, wat maakt dat verweerder geen beoordeling heeft gemaakt van het risico dat eiser bij terugkeer naar Libië loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Omdat sprake is van een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard, is de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt in beroep dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor de inhoud van zijn asielrelaas. Hij heeft de meeste informatie van zijn broer uit Libië ontvangen. In de zienswijze heeft hij opgemerkt dat de conclusie dat hij zijn vrees baseert op een aanname geen recht doet aan het feit dat er diverse milities actief zijn. Verweerder lijkt ook te erkennen dat er milities actief zijn. Dit stuk uit de zienswijze lijkt verweerder niet duidelijk weg te motiveren in de beschikking. Aanvullend heeft eiser een brief van verweerder van 27 oktober 2025 over het landenbeleid ten aanzien van Libië overgelegd. Eiser stelt dat, hoewel in het noordwesten van Libië sprake is van een 15c-situatie in de laagste gradatie, het risico dus wel aanwezig is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt voorop dat in rechte vast staat dat het ongeloofwaardig is dat eiser problemen heeft gehad met milities in Libië. De rechtbank merkt in deze procedure op dat eiser bij zijn herhaalde aanvraag nieuwe elementen en bevindingen naar voren heeft gebracht, namelijk de dagvaarding die zijn broer heeft ontvangen en een WhatsApp bericht van zijn broer. Eiser stelt dat de milities de autoriteiten zijn geworden en daarom vreest hij nu voor vervolging door de Libische autoriteiten. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt.
5. Uit de dagvaarding (oproep) blijkt niet dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor de Libische autoriteiten. Daargelaten dat hieruit niet blijkt in welke hoedanigheid de broer van eiser is opgeroepen, is evenmin gebleken dat hij daadwerkelijk ondervraagd is over eiser. De enkele verklaring en het WhatsApp bericht van eisers broer is hiertoe onvoldoende. Zijn broer kan niet worden aangemerkt als objectieve bron. Ook in het geval er wel daadwerkelijk vragen zijn gesteld over eiser maakt dat niet direct dat hij te vrezen heeft voor de autoriteiten. Er is dan ook geen enkel bewijs dat eiser vervolgd zal worden bij terugkeer.
6. Het enkele gegeven dat verweerder erkent dat er diverse milities actief zijn in Libië, maakt niet dat het relaas van eiser dan ook aannemelijk is. Eiser heeft nog altijd niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor deze milities.
7. Uit de door eiser overgelegde brief van verweerder van 27 oktober 2025 volgt dat in het noordwesten van Libië sprake is van een 15c-situatie in de laagste gradatie. Het risico om getroffen te worden door willekeurig geweld is dermate klein dat er altijd sprake moet zijn van aanvullende individuele omstandigheden. Gelet op het voorgaande is er in het geval van eiser geen sprake van aanvullende individuele omstandigheden die maken dat eiser bij terugkeer het risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 februari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Uitspraak van 19 maart 2024 (niet gepubliceerd).
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5179.
3.Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.