ECLI:NL:RBDHA:2026:2500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 1, 3 en 4 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, een Poolse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 1 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. De maatregel is gebaseerd op zware gronden, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van een vertrekplicht, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verbleef, een woonruimte en baan had, en dat hij bij zijn moeder verbleef die hem wilde inschrijven op haar adres. De rechtbank oordeelde echter dat eiser sinds 12 september 2025 onrechtmatig in Nederland verbleef, omdat zijn verblijfsrecht als EU-onderdaan was beëindigd en hij Nederland niet had verlaten. Dit rechtvaardigt de opgelegde maatregel.

De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en dat het risico op onttrekking aan toezicht aanwezig is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5466

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Poolse nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3.
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert daartegen aan dat hij langere tijd rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Eiser had woonruimte en een baan. Ook voor de inbewaringstelling werkte eiser en verbleef hij bij zijn moeder. Eisers moeder tracht hem in te schrijven op haar adres. Eiser kan daarnaast weer rechtmatig in Nederland verblijven als hij aan de voorwaarden daarvoor voldoet.
5. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware en de lichte gronden 3b 3c en 4a, zoals aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. Aan eiser is op 12 september 2025 een beschikking uitgereikt waaruit volgt dat zijn verblijfsrecht als EU-onderdaan is beëindigd. Eiser heeft nadien Nederland niet verlaten en eiser verblijft dan ook onrechtmatig in Nederland. Eiser heeft van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland geen melding gemaakt bij de daartoe bevoegde autoriteiten. De zware gronden 3b en 3c en de lichte grond 4a zijn daarom terecht aan eiser tegengeworpen. Deze zware en lichte grond zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Een risico op onttrekking aan het toezicht is daarmee gegeven.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.