ECLI:NL:RBDHA:2026:2502

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
09/268240-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak heling en oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor meervoudige diefstallen

De rechtbank Den Haag heeft op 2 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd verdacht van meerdere diefstallen en heling. De verdachte werd vrijgesproken van het feit van heling omdat onvoldoende bewijs was dat de kledingstukken uit een misdrijf afkomstig waren. Wel werden twee diefstallen bewezen verklaard: het wegnemen van douchegels bij de Etos en bierkratten bij de Albert Heijn.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer de bekennende verklaring van de verdachte, aangifteprocessen-verbaal, kassabonnen en camerabeelden. De verdediging voerde aan dat de verdachte geen opzet had bij de bierkratten omdat deze mogelijk res nullius waren, maar de rechtbank verwierp dit gezien de omstandigheden bij de los- en laadplek.

De verdachte heeft een uitgebreid strafblad met veelvuldige recidive op vermogensdelicten en kampt met ernstige verslavingsproblematiek. De reclassering adviseerde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel om gedragsverandering en behandeling mogelijk te maken. De rechtbank legde daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op, zonder aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van inbeslaggenomen kledingstukken kon niet worden vastgesteld dat de verdachte rechthebbende was, waarna de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelastte. De uitspraak is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van heling, veroordeeld voor twee diefstallen en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/268240-25
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ([land]),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie],
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.A Ramdharie-Beckers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Ketting naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp een of meerdere shampooflessen en/of douchegels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Etos (locatie [straatnaam]), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp een of meerdere bierkratten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn (locatie [straatnaam]), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, een of meerdere kledingstukken en/of een tas, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feit 3
Bij de verdachte zijn tijdens zijn aanhouding meerdere kledingstukken van de Primark in zijn tas aangetroffen met prijskaartjes eraan. De verdachte heeft ter terechtzitting over het verkrijgen van deze kledingstukken verklaard dat hij pasjes/cadeaukaarten had gekregen van Stichting Barka waarmee hij boodschappen kon kopen. Deze pasjes heeft hij naar eigen zeggen gegeven aan een man die hiermee bij de Primark deze kledingstukken heeft gekocht en aan hem heeft gegeven. Hoewel de rechtbank vraagtekens zet bij de aannemelijkheid van deze verklaring is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld onvoldoende aanknopingspunten bieden om vast te kunnen stellen dat de kledingstukken uit enig misdrijf zijn verkregen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 3 niet wettig en overtuigend is bewezen en wordt de verdachte daarvan vrijgesproken.
Bewezenverklaring feiten 1 en 2
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De rechtbank zal voor feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1:
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025343904, van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 50).
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens Etos, opgemaakt op 10 oktober 2025 (p. 3-4);
3. Het geschrift, te weten vier kassabonnen van de Etos d.d. 11 oktober 2025 (p. 50).
Ten aanzien van feit 2:
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025343968, van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 50).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Albert Heijn, opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 19):
Plaats delict: [adres] te Pijnacker (Albert Heijn).
Pleegdatum: 10 oktober 2025.
De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen: 2 bierkratten gevuld met lege bierflesjes.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 23-24):
Op 11 oktober 2025 was ik, verbalisant, belast met het uitkijken van camerabeelden. Op deze camerabeelden was een diefstal zichtbaar gepleegd op 10 oktober 2025. Op de beelden zou zichtbaar zijn dat een persoon twee lege bierkratten wegneemt van het los- en laadstation van de Albert Heijn gelegen op het [straatnaam] te Pijnacker.
Ik zie op de camerabeelden een los- en laadstation van een supermarkt. Ik zie dat er links in beeld een man komt aanlopen. Ik zal deze man als NN1 aanduiden. Ik zie dat NN1 naar de rolcontainer met bierkratten loopt. Ik zie dat NN1 met zijn rechterhand een krat van de rolcontainer met bierkratten pakt. Ik zie dat NN1 weer links uit beeld loopt. Ik zie dat de twee mannen die bezig zijn met laden en lossen van de vracht de lading op de laadklep opvangen en van de laadklep halen. Terwijl dit gebeurt zie ik links NN1 in beeld komen lopen. Ik zie dat NN1 richting de rolcontainer met bierkratten loopt, ik zie dat hij niet meer de bierkrat vastheeft die hij zojuist heeft gepakt. Ik zie dat, op het moment dat de man met het gele hesje de oplegger inloopt om nog meer rolcontainers te pakken en als de mannen die laden en lossen het magazijn inlopen, NN1 richting de rolcontainer met bierkratten loopt. Ik zie dat NN1 van de rolcontainer met bierkratten weer een krat met bier pakt en weer terug loopt met de krat bier.
Ik zie dat het andere fragment visoogcamera is die de ingang van de Albert Heijn filmt. Ik zie dat NN1 de winkel in komt gelopen met twee bierkratten.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op de camerabeelden de persoon ben die de bierkratten uit de kar pakt.
3.4.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de bierkratten met lege flesjes, omdat hij er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat er sprake was van een res nullius.
De rechtbank overweegt hiertoe dat de bierkratten met lege flesjes zich bevonden in een kar bij de los- en laadplek van de supermarkt. Naast deze karren stond een vrachtwagen met een open laadklep. Bij de los- en laadplek waren op dat moment ook medewerkers van de supermarkt bezig om karren uit de vrachtwagen te halen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte – gelet op deze omstandigheden – er niet van uit mocht gaan dat afstand was gedaan van de bierkratten en deze aan niemand toebehoorden.
De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om de bierkratten met lege flesjes zich wederrechtelijk toe te eigenen, zodat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 10 oktober 2025 te Pijnacker meerdere douchegels, die aan de Etos (locatie [straatnaam]) toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 10 oktober 2025 te Pijnacker meerdere bierkratten, die aan de Albert Heijn (locatie [straatnaam]), toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden die bestaan uit een meldplicht, verplichte klinische verslavingsbehandeling, verplichte medewerking aan diagnostiek, beschermd wonen, middelenverbod- en controle, dagbesteding en begeleiding richting een terugkeer naar [land]. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bij de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen, te weten een winkeldiefstal van een aantal douchegels bij de Etos en de diefstal van een paar bierkratten met lege flesjes bij de los- en laadplek van de Albert Heijn. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit, dat schade en overlast veroorzaakt. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 december 2025, waaruit volgt dat hij in betrekkelijk korte tijd vele malen is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder winkeldiefstal. Er is sprake van veelvuldige recidive.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van twee rapporten van GGZ Fivoor Leiden (hierna: de reclassering), d.d. 20 oktober 2025 en 19 december 2025. In dit laatste rapport wordt geadviseerd over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Ter terechtzitting is een reclasseringsmedewerker, mevrouw [naam], als deskundige gehoord.
Uit het rapport volgt dat de verdachte (onder meer) strafbare feiten pleegt als gevolg van zijn verslavingsproblematiek. Hij moet zichzelf voorzien van middelen. De verdachte is verslaafd aan heroïne, crack en cannabis, maar zijn alcoholgebruik speelt tevens een bepalende rol omdat hij heeft verklaard daarvan onder invloed te moeten zijn om delicten te durven plegen. Daarnaast heeft de verdachte geen huisvesting, dagbesteding en inkomen en bevindt hij zich in een gebruikers- en crimineel netwerk, wat het risico op recidive verhoogt. De verdachte is eerder in 2024 onder toezicht gesteld van de reclassering, maar is toen niet komen opdagen, waarna het toezicht voortijdig negatief is beëindigd. Daarna heeft de verdachte opnieuw een aanbod voor hulpverlening van de reclassering geweigerd. De reclassering concludeert daarom dat een voorwaardelijk kader ontoereikend is en dat de verdachte gebaat is bij een gestructureerde omgeving waarbij hij in een individueel programma kan werken aan gedragsverandering.
De reclassering is van mening dat enkel een onvoorwaardelijke ISD-maatregel kan leiden tot stabilisatie van de problematiek en leefgebieden. Vanuit deze maatregel kan ingezet worden op behandeling van zijn middelengebruik, onderzoek naar zijn psychosociaal functioneren en begeleiding op het gebied van wonen, werken en financiën.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals bepaald in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Er is een vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel en de feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank is van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. De verdachte blijft strafbare feiten plegen en wijst hulpverlening af. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de verslavingsproblematiek van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen.
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte gelegenheid te geven aan zijn problematiek te werken, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

Op pagina 49 van het proces-verbaal staat een kennisgeving van inbeslagneming van vijftien kledingstukken vermeld die bij de verdachte in beslag zijn genomen.
7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen kledingstukken.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen kledingstukken moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld onvoldoende vaststellen dat de verdachte degene is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt van de inbeslaggenomen kledingstukken.
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank ten aanzien van deze kleding de bewaring ten behoeve de rechthebbende gelasten.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt aan de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur
van 2 (TWEE) JAREN;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op kennisgeving van inbeslagneming (p. 49) genoemde voorwerpen, te weten vijftien kledingstukken.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.H.M. de Groot, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2026.