ECLI:NL:RBDHA:2026:2503

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
09/284361-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 43a SrArt. 312 SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewelddadige woningoverval met medeplegen en schadevergoeding

Op 20 oktober 2025 vond een gewelddadige woningoverval plaats in Rotterdam waarbij de aangeefster werd bedreigd met een nepvuurwapen en geslagen, waarna geld, een rijbewijs, creditcard en AirPods werden weggenomen. De verdachte en een medeverdachte drongen de woning binnen, maakten het slachtoffer wakker en eisten haar pincode.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte medepleger was bij deze overval, waarbij sprake was van nauwe en bewuste samenwerking. Het toegepaste geweld werd aan beide verdachten toegerekend. De verdachte had eerder een soortgelijk misdrijf gepleegd en zat nog in de proeftijd van een eerdere gevangenisstraf.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot zes jaar gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en het strafblad van de verdachte. Tevens werd een schadevergoeding van €3.316,40 aan het slachtoffer toegekend, inclusief immateriële schade en wettelijke rente vanaf de datum van de overval.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €3.316,40.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/284361-25
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 op [geboorteland] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. van Riet naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [aangeefster] en van de nadere toelichting daarop van [naam 1] , juridisch medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Rotterdam omstreeks 04.30u, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning aan de [adres 1] een geldbedrag in euro's, een geldbedrag in Zwitserse franken, een rijbewijs, één of meerdere creditcards, één of meerdere (pin)passen en/of airpods, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangeefster] wakker te maken, vast te pakken en te zeggen "geef je pincode", althans woorden van gelijke strekking,
- door een wapen op die [aangeefster] te richten en te zeggen "rustig blijven", althans woorden van gelijke strekking en/of
- door haar te duwen en/of in het gezicht te slaan/stompen waardoor zij op de grond terecht kwam;
zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf welke in kracht van gewijsde was gegaan.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdachte geen geweld heeft gebruikt tegen de aangeefster en dat de verdachte van dat deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2025363137 (onderzoek Austin/RT4R025182) van de politie eenheid Rotterdam, districtsrecherche Rotterdam-Zuid (p. 1 t/m 274).
1. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van [aangeefster] , opgemaakt op 20 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 5-7):
Op maandag 20 oktober 2025 ging ik om ongeveer 01:00 uur slapen. Ik was alleen in mijn huis aan de [adres 1] . Op een gegeven moment werd ik wakker gemaakt. Ik hoorde dat iemand aan het praten was en mij aanraakte. Ik zag dat er naast mij, bij het hoofdeinde, een man stond en dat er een tweede man stond bij het voeteneinde. Ik zal de man die bij mijn hoofdeinde stond dader 1 noemen en de man die bij het voeteneinde stond dader 2. Ik had al snel door dat het
goed mis was. Ik schrok enorm. Ik hoorde dader 1 zeggen "Ik wil je pincode" of woorden van gelijke strekking. Toen begon ik te schreeuwen dat ze weg moesten gaan. Ik hoorde dader 1 zeggen dat ik mij rustig moest houden en mijn pincode moest geven. Ik lag op dat moment nog in bed. Ik heb vervolgens een kleine wekker gepakt en daarmee heb ik geprobeerd dader 1 te slaan. Ik merkte dat dit niet ging werken en dat ik die jongens niet weg kreeg met geschreeuw en commando's geven. Ik heb toen naar voren gereikt met mijn handen, richting dader 2. Want ik zag dat hij met zijn arm gestrekt stond en wees in mijn richting. Ik voelde toen ik mijn hand uitstrekte, zijn hand en iets van metaal dat koud was dat hij vast had. Ik schrok enorm, ik dacht gelijk aan een vuurwapen. Ik zei vervolgens tegen de jongens "Jongens, we moeten praten". Ik hoorde een van de daders zeggen: "Ik wil je pincode". Vervolgens zei ik: "We gaan naar beneden". Ik stapte uit bed en liep voor hen uit de trap af naar beneden. Ze liepen beiden achter mij aan, welke volgorde weet ik niet. Ik ben toen ik beneden kwam, direct rustig naar de voordeur gelopen en toen heb ik de deur geopend en ben ik naar buiten gerend. Toen ik buiten kwam stond ik op het paadje in mijn tuin, ongeveer halverwege. Ik ben toen hard om hulp gaan roepen. Ik zag dat een van de daders mijn huis uit kwam lopen en langs mij heen de tuin uit rende. De andere dader kwam zo'n 10 á 20 seconden later naar buiten en volgde hem. Vanuit het niets werd ik door deze dader vanaf de zijkant hard op mijn gezicht geslagen. Het was erg hard en deed pijn. Dit deed hij in het voorbijgaan. Dit was zo hard, dat ik in het perkje in mijn tuin viel. Hierdoor heb ik ook een wond aan mijn enkel opgelopen. En door de klap die ik kreeg had ik enorme pijn in mijn kaak. Ik bloedde ook bij mijn mond, hier zijn wondjes ontstaan door de klap. De daders ging er lopend vandoor. Ik ben vervolgens naar binnen gegaan en ik heb 112 gebeld. Dit was om 04:56 uur. Toen was dit alles dus net gebeurd.
V: Welke goederen mist u uit uw woning?
A: Uit mijn portemonnee, die in de woonkamer lag, een geldbedrag van ongeveer Euro 80,-. Dit waren briefjes van E20, E10 en nog een van E5. Mijn rijbewijs, welke ook in mijn portemonnee zat en mijn Credit Card van ICS Mastercard Gold. Verder lag er in de woonkamer op een tafeltje nog een envelop met hierin 100 (honderd) Zwitserse Frank. De envelop ligt er nog, maar het geld is eruit gehaald.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 12):
Op dinsdag 21 oktober 2025 zagen wij, verbalisanten, dat aangeefster [aangeefster] naar buiten kwam en naar ons toeliep. Zij deelde ons mede dat zij haar woning aan het opruimen was en dat zij mogelijk ook haar AirPods miste welke bij haar iPhone 13 hoorde. Hierop hebben wij via de app Find my iPhone gekeken of we de AirPods konden traceren. Wij zagen dat zowel het linker- als het rechteroortje als locatie aan gaf: [adres 2] met daarbij de tekst in het rood: 16 uur geleden.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende:
Op een gegeven moment gaat deze meneer (de rechtbank begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ) stoelen zetten en bij het balkon naar binnen. Hij komt vervolgens naar beneden en doet de deur open. Ik ben naar binnen gegaan en ik ging naar boven. Ik stond naast het bed en heb mevrouw wakker gemaakt. Ik wilde haar pincodes opschrijven. Zij schrok van ons, ze klapte mij en ze trok mijn masker van mijn gezicht af. Toen heb ik tegen haar gezegd “rustig blijven, geef je pincode en dan gaan we weg”. Toen trok hij (de rechtbank begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ) een pistool op mevrouw. Ik heb pasjes vastgehad.
4. Het geschrift, te weten een Forensisch Medische Letselrapportage van FARR d.d. 24 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 10-11):
Betreffende: Mevr. [aangeefster] .
Letselbeschrijving op basis van letselbeoordeling op 21-10-2025.
Tijdens de letselbeoordeling werd letsel geconstateerd, gefotografeerd en nadien beschreven door ondergetekende.
1) Ter plaatse van de rechter wang is een vaag begrensde min of meer ovale vaag blauw-gele huidverkleuring zichtbaar van +/- 4,0cm bij +/- 3,5cm in doorsnede.
2) Ter plaatse van de bovenlip, aan de linker zijde, is een oppervlakkige huidverwonding zichtbaar van +/- 0,3cm bij +/- 0,3cm in grootte.
3) Ter plaatse van het slijmvlies van de bovenlip is zowel in de linker mondhoek als in de rechter mondhoek een verwonding zichtbaar.
4) Ter plaatse van de onderlip, aan de linker zijde is sprake van oppervlakkige huidverwondingen in een gebied van +/- 1,0cm bij +/-0,5cm in grootte.
5) Ter plaatse van het slijmvlies van de onderlip is aan de rechter zijde een verwonding zichtbaar.
6) In het verloop van het onderkaakbot, aan de rechter zijde van het gelaat is een matig scherp begrensde min of meer paarse ronde huidverkleuring zichtbaar van +/-2,0cm in doorsnede.
7) In het verloop van het onderkaakbot, aan de rechter zijde van het gelaat zijn tevens twee puntvormige oppervlakkige huidbeschadigingen met korstvorming zichtbaar van maximaal 0,2cm in doorsnede.
8) Ter plaatse van het linker onderbeen, net boven het botachtig uitsteeksel van het enkelgewricht aan de buitenzijde is een min of meer ovale oppervlakkige huidbeschadiging zichtbaar van +/- 2,0cm bij +/- 1,0cm in doorsnede.
De afwijkingen beschreven onder 1) en 6) betreffen bloeduitstortingen.
De afwijkingen beschreven onder 2), 4), 7) en 8) betreffen schaafverwondingen.
De afwijkingen beschreven onder 3) en 5) betreffen tand door de lip letsels.
Een bloeduitstorting ontstaat door inwerking van uitwendig stomp, samendrukkend, omsnoerend of botsend geweld, of zuigkracht, bijvoorbeeld door stoten, schoppen, slaan met of tegen een hard voorwerp, krachtig vastpakken of zuigen.
Een schaafverwonding ontstaat door een schuivende krachtinwerking of druk op de huid, waarbij de opperhuid over een zekere afstand wordt afgeschraapt, zoals bij schuren over een hard oppervlak of schuiven van een min of meer ruw oppervlak of voorwerp over de huid.
Tand door de lip letsel ontstaat door de uitoefening van een stompe kracht op de lip. Door de botsing perforeert de tand (of meerdere tanden) de lip.
5. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ( [adres 1] ), opgemaakt op 28 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 200, 202):
Op maandag 20 oktober 2025 omstreeks 06:00 uur kwam ik naar aanleiding van een overval in een woning voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 1] .
Ik heb de nagels van het slachtoffer bemonsterd met de daarvoor bestemde nagelbemonsteringset, voorzien van het SIN NAAA5169NL.
6. Een verslag van een deskundige, te weten een NFI-rapport met zaaknummer 2025.10.21.025 (aanvraag 001) d.d. 23 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 39-41):
DNA-mengprofiel NAAA5169NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [aangeefster] en [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [aangeefster] en een willekeurige
onbekende persoon.
7. Een geschrift, zijnde een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 november 2025 betreffende verdachte, voor zover inhoudende:
Datum beslissing: 29 september 2023, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Feit 1: art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht.
Kwalificatie: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of
bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Status: onherroepelijk 14 oktober 2023.
Feit 1: 4 jaren Gevangenisstraf.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
In de nacht van 19 op 20 oktober 2025 heeft een gewelddadige overval plaatsgevonden in een woning aan de [adres 1] De aangeefster [aangeefster] (hierna: de aangeefster) heeft verklaard dat zij ’s nachts, toen zij in haar bed lag te slapen, wakker werd gemaakt door twee mannen die aan haar bed stonden. In haar slaapkamer is om haar pincode gevraagd en is gezegd dat ze rustig moest blijven, terwijl er tegelijkertijd een wapen op haar werd gericht. Ze is vervolgens met de twee mannen naar beneden gelopen. De aangeefster heeft verklaard dat zij daarna – toen zij naar buiten rende om te vluchten en om hulp te roepen – door één van de twee mannen is geslagen waardoor zij op de grond terecht is gekomen. De verklaring van de aangeefster wordt ondersteund door het geconstateerde letsel bij de aangeefster en de beoordeling daarvan, waaruit volgt dat de bloeduitstortingen zijn ontstaan door inwerking van een uitwendige stomp, samendrukkend, omsnoerend of
botsend geweld en de tand door de lip is ontstaan door de uitoefening van een stompe kracht op de lip. Bij de aangeefster zijn onder andere contant geld, een rijbewijs, een creditcard en Airpods weggenomen.
Medeplegen
De verdachte heeft een grotendeels bekennende verklaring afgelegd waarbij hij heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij de woningoverval. Hij heeft ontkend buiten in de tuin geweld te hebben gebruikt tegen de aangeefster.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of sprake is geweest daarvan kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de nauwe en bewuste samenwerking dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van de aangeefster is gegaan. Ze hebben de auto in de buurt geparkeerd en een op een echt gelijkend vuurwapen en een gezicht bedekkend masker meegenomen. De medeverdachte [medeverdachte] is via het balkon de woning binnengekomen en heeft vervolgens de voordeur beneden voor de verdachte opengemaakt. De medeverdachte [medeverdachte] heeft vervolgens in de woonkamer goederen van de aangeefster gepakt. Uiteindelijk zijn beide verdachten naar de slaapkamer van de aangeefster gegaan. Ze hebben haar wakker gemaakt terwijl ze beiden aan haar bed stonden en de verdachte heeft de aangeefster om haar pincode gevraagd en gezegd dat ze rustig moest blijven. Ondertussen richtte de medeverdachte [medeverdachte] een nepwapen op haar, dat een sprekende gelijkenis had met een echt vuurwapen. Ze zijn vervolgens met de aangeefster mee naar beneden gelopen en beiden vlak na elkaar gevlucht toen de aangeefster buiten om hulp riep. De aangeefster is in haar gezicht geslagen door een van de verdachten, is daarbij op de grond gevallen en heeft daarbij onder meer letsel aan haar gezicht opgelopen, terwijl de andere verdachte vlak daarna ook naar buiten rende.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] bij het plegen van de gewapende woningoverval, zonder dat is gebleken dat een van de verdachten zich op enige manier heeft gedistantieerd. Het is voor de juridische kwalificatie niet relevant welke specifieke bijdrage de verdachte heeft geleverd aan het geheel. Het accent ligt bij medeplegen immers op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Een vrijspraak voor het gepleegde geweld tegen de aangeefster ligt, anders dan door de verdediging is betoogd, dan ook niet in de rede, omdat voor een bewezenverklaring niet vast hoeft komen te staan wie de aangeefster heeft geslagen. De rechtbank merkt daarbij op dat voor zover de verdediging heeft betoogd dat een derde aanwezige persoon ‘ [naam 2] ’ de aangeefster zou hebben geslagen, hier geen aanwijzingen voor bestaan in het dossier. De nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] leidt tot de conclusie dat het toegepaste geweld aan beide daders kan worden toegerekend. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 20 oktober 2025 te Rotterdam omstreeks 04.30u, tezamen en in vereniging met een ander, uit een woning aan de [adres 1] een geldbedrag in euro's, een geldbedrag in Zwitserse franken, een rijbewijs, één creditcard en AirPods, die aan [aangeefster] toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangeefster] wakker te maken, vast te pakken en te zeggen "geef je pincode", althans woorden van gelijke strekking, en
- door een wapen op die [aangeefster] te richten en te zeggen "rustig blijven", althans woorden van gelijke strekking en
- door haar in het gezicht te slaan/stompen waardoor zij op de grond terecht kwam,
zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf welke in kracht van gewijsde was gegaan.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dwang die door een derde op de verdachte werd uitgeoefend om mee te doen aan het ten laste gelegde feit, in strafverminderende zin moet worden meewogen in de strafoplegging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval die in de nacht plaatsvond. Ze zijn samen de woning binnengedrongen en doelbewust naar de slaapkamer gegaan van het slachtoffer, die op dat moment in bed lag te slapen. Ze hebben haar wakker gemaakt en om haar pincode gevraagd terwijl ze gemaskerd waren en haar bedreigden met een nepwapen dat sprekend leek op een echt vuurwapen. Toen het slachtoffer naar buiten wist te vluchten en om hulp riep, is zij geslagen/gestompt waardoor zij op de grond terecht kwam met letsel ten gevolge. Bij de overval hebben de verdachten contant geld, een rijbewijs, een creditcard en AirPods weggenomen.
De verdachte heeft met het plegen van de woningoverval ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Hij heeft laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van anderen. Het moet voor het slachtoffer buitengewoon beangstigend zijn geweest dat zij midden in de nacht door twee gemaskerde mannen werd wakker gemaakt. Dit blijkt ook uit haar slachtofferverklaring waaruit volgt dat zij in doodsangst verkeerde vanaf het moment dat ze aan haar bed stonden. Zij heeft nog steeds last van gevoelens van onveiligheid in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Naast persoonlijk leed voor het slachtoffer leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich kennelijk alleen door eigen materieel gewin heeft laten leiden en volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daden voor het slachtoffer.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 november 2025. Daaruit volgt dat de verdachte in 2023 is veroordeeld tot gevangenisstraf vanwege een soortgelijk misdrijf, te weten een overval op een winkel. Deze veroordeling is onherroepelijk. De verdachte was na het uitzitten van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar sinds juni 2025 in vrijheid gesteld en heeft dus binnen enkele maanden deze woningoverval gepleegd. De verdachte liep dus nog maar net in de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Ook was nog geen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de eerdere veroordeling verstreken. De rechtbank weegt deze omstandigheid met inachtneming van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Ook eerder, langer dan vijf jaar geleden, heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten, ook met geweld.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van drie jaren bij een woningoverval met licht geweld en bedreiging. In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat de woningoverval in vereniging en in de nachtelijke uren is gepleegd, dat het slachtoffer alleen in haar woning was en wakker is gemaakt, dat er gebruik is gemaakt van een wapen en vermomming en dat het slachtoffer letsel is toegebracht. De verdachte was daarnaast in juni 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld voor een soortgelijk misdrijf, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om een paar maanden later op dezelfde voet verder te gaan en opnieuw een overval te plegen. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een (fors) hogere straf dan het uitgangspunt, waarbij de rechtbank benadrukt dat zij de omstandigheden waaronder de woningoverval is gepleegd bijzonder kwalijk acht.
De rechtbank overweegt tot slot dat op basis van het dossier volstrekt niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een derde persoon die de verdachte zou hebben gedwongen de woning in te gaan om de pincode van het slachtoffer te vragen, terwijl die mogelijkheid blijkens het BOB-dossier wel in het onderzoek is betrokken. Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat deze omstandigheid strafverminderend zou moeten doorwerken, volgt de rechtbank dit niet.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.316,40 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 316,40 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële en immateriële schade
De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade volledig toewijzen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 3.316,40, bestaande uit € 316,40 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.316,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikelen 36f, 43a en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning,
terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en
terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (ZES) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om € 3.316,40, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
proceskosten;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.316,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 33 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
hoofdelijkheid;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding, proceskosten en/of de opgelegde schadevergoedingsmaatregel deels of geheel aan de benadeelde partij en/of de Staat heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. Y.H.M. de Groot, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2026.