ECLI:NL:RBDHA:2026:2507

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4617
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 4 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de maatregel onterecht was omdat hij niet ongewenst was verklaard, recht had op terugkeer vanuit Polen en geen informatiefolder in het Pools had ontvangen.

De rechtbank overwoog dat verweerder voldoende zware gronden had gesteld, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Verweerder had bovendien vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf had en dat zijn verblijf in Nederland niet effectief was beëindigd na uitzetting naar Polen. De rechtbank concludeerde dat de gronden en motivering voldoende waren om de bewaring te rechtvaardigen.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder aan zijn informatieplicht had voldaan, mede omdat een Poolse vertaling van de maatregel in het dossier aanwezig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4617

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S Juriaans).

Procesverloop

1. Bij besluit van 23 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 29 januari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 4 februari 2026 op gereageerd. Op 6 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser is overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending. De stukken betreffende de strafrechtelijke aanhouding bevinden zich niet in het dossier, waardoor niet valt te controleren of er sprake was van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht. In dat geval moet er namelijk sprake zijn van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Verder bestrijdt eiser alle zware gronden. Eiser stelt dat hij niet ongewenst is verklaard en dat hij het recht heeft om terug te keren vanuit Polen en in Nederland werk te zoeken. Daarnaast voert eiser aan dat hij geen informatiefolder in de Poolse taal heeft ontvangen.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Na indiening van de gronden heeft verweerder een proces-verbaal van aanhouding en een proces-verbaal van bevindingen aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft geen nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij hiermee voldoende informatie om te bepalen of er sprake is van een vreemdelingrechtelijk toezicht. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat dit niet het geval is.
6. Verder heeft verweerder bij beschikking van 26 november 2025 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het recht van de Europese Unie. Daarbij heeft verweerder eiser tevens opgedragen om Nederland te verlaten. Op 20 januari 2026 is eiser uitgezet naar Polen en op 23 januari 2026 is eiser in Nederland aangehouden. Gelet op de korte termijn waarbinnen eiser weer is teruggekeerd, is niet aannemelijk dat eiser zijn verblijf in Nederland effectief en daadwerkelijk heeft beëindigd. Bovendien heeft hij niet met objectieve gegevens onderbouwd dat hij zijn verblijf heeft verplaatst naar Polen, zich daar heeft gevestigd en daar een bestaan heeft opgebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de zware gronden dan ook terecht mogen tegenwerpen. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten.
7. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval aan zijn informatieplicht heeft voldaan. In het bestreden besluit, bladzijde 5, is aangekruist dat de informatiefolder ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ in de Poolse taal aan eiser is uitgereikt. De enkele stelling dat dit niet klopt omdat de brief niet in het dossier zou zitten, is onvoldoende om te oordelen dat dit niet is gebeurd. Bovendien bevindt zich in het dossier een Poolse vertaling van de maatregel van bewaring. [1]
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Onder gedingstuk nummer 4, getiteld: additioneel ketendocument.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.