ECLI:NL:RBDHA:2026:2513

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
25/4301
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevensArt. 282 lid 1 SrArt. 47 lid 1 SrArt. 317 lid 1 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor functie in de zorg

Eiser heeft een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor een functie als zzp-er bij een zorginstelling, maar deze aanvraag is door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen vanwege justitiële gegevens die wijzen op ernstige strafbare feiten, waaronder medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en diefstal met geweldpleging. De strafzaak is nog in behandeling.

Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn positieve gedragsverandering, de lage recidivekans volgens de reclassering, het ontbreken van eerdere veroordelingen en zijn waardevolle bijdrage aan de maatschappij. Verweerder baseert de afwijzing op het screeningsprofiel voor de gezondheidszorg en de beleidsregels VOG-NP-RP 2024, waarbij het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser.

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, mede vanwege de ernst van de feiten, het beperkte tijdsverloop sinds de feiten en het verschil in weergave tussen eiser en het Openbaar Ministerie. De reclasseringinschatting is onvoldoende om het risico in het kader van de functie te verlagen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag vanwege het risico voor de samenleving.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. Aïssal),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Spekreijser).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een VOG nodig voor de functie van zzp-er bij [zorginstelling] in [plaats] (een zorginstelling). Verweerder heeft de aanvraag voor een VOG afgewezen.
Verweerder heeft eisers aanvraag beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier. Verweerder heeft daarbij de criteria van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (de Beleidsregels) toegepast. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) binnen de terugkijktermijn de volgende justitiële gegevens staan:
- Volgens registratie in het JDS is eiser op 12 oktober 2023 in Zoetermeer met politie/Justitie in aanraking gekomen wegens feit 1, het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 eerste Pro lid in samenhang gelezen met artikel 47 eerste Pro lid ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht), feit 2, afpersing (artikel 317 eerste Pro lid Wetboek van Strafrecht) en feit 3, diefstal met geweldpleging (artikel 310 in Pro samenhang gelezen met artikel 312, eerste lid Wetboek van Strafrecht). Deze zaak staat nog open.
Volgens verweerder vormt dit feit, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de door eiser geambieerde functie in de zorg. Daarmee is aan het objectieve criterium voldaan. Verder vindt verweerder dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG (het subjectieve criterium).
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is van mening dat verweerder niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen om hem geen VOG toe te kennen. Daarbij heeft verweerder de belangen niet op juiste wijze gewogen. Zo kent verweerder te veel gewicht toe aan de strafzaak. Eiser heeft zijn leven al sinds lange tijd weer opgepakt sinds zijn voorlopige hechtenis werd geschorst. De reclassering heeft zelfs zoveel vertrouwen in eiser dat zij een verklaring hebben opgesteld waarin aangegeven wordt dat de kans op recidive laag is. Verder dient verweerder meer gewicht toe te kennen aan het feit dat eiser nooit eerder is veroordeeld en ook niet opnieuw verdachte is geweest voor een (soortgelijk) delict. Daarnaast onderstreept eiser dat hij van de ernst en consequenties is doordrongen als hij wederom verdachte zou worden van een strafbaar feit. Daarmee is de kans op recidive uitgesloten.
Eiser kan met zijn werk in de zorgsector een waardevolle bijdrage leveren aan de maatschappij. Eiser heeft in verband hiermee een referentiebrief ingebracht van de [zorginstelling]. Los daarvan heeft eiser een eigen belang om te laten zien dat hij voor zichzelf kan zorgen en niet afhankelijk is van steun van de overheid. Indien de VOG niet wordt afgegeven zal eiser op zoek moeten naar ander werk dat niet aansluit bij zijn opleiding, ervaring en ambities.
Wat zijn de regels?
4. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat voldaan wordt aan het zogenoemde objectieve criterium voor het weigeren van een VOG. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of op basis van het subjectieve criterium een VOG afgegeven had moeten worden.
6. Uit het screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ volgt dat functionarissen in dit profiel belast zijn met de zorg voor personen en in een één-op-één relatie kunnen komen te verkeren met diegenen die aan hun zorg zijn vertrouwd.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico's zwaarder dient te wegen dan eisers belang. De rechtbank neemt hiervoor het volgende mee.
8. Verweerder heeft in het voordeel van eiser mee kunnen wegen dat hij behalve de feiten waarvan hij nu wordt verdacht geen andere antecedenten op zijn strafblad heeft staan, ook niet van daarna. Verweerder heeft daar echter tegenover kunnen stellen dat er relatief weinig tijd is verstreken sinds de strafbare feiten waar eiser van verdacht wordt. Verweerder heeft een van de strafbare feiten gelet op de verkregen informatie van het Openbaar Ministerie (OM) in redelijkheid mogen aanmerken als een ernstig geweldsdelict. Hoewel eiser in tegenstelling tot de informatie van het OM ontkent een leidende rol gespeeld te hebben bij het feit, mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog uitgaan van de achtergrondinformatie van het OM. Verweerder loopt niet vooruit op de uitkomst van de lopende strafzaak maar maakt een inschatting van het risico voor de samenleving als het strafbare feit nog eens gebeurt tijdens de beoogde werkzaamheden. Daarbij wordt ook gekeken naar de impact die dat zou hebben. Verweerder heeft verder rekening gehouden met het feit dat de afwijzing van de aanvraag van een VOG een complicerende factor is en het ertoe leidt dat eiser niet de door hem gewenste functie kan uitoefenen. De strafbare feiten waar eiser van verdacht wordt zijn volgens verweerder echter bij uitstek niet te verenigen met de functie van verzorgende. De rechtbank merkt aanvullend op dat eiser tot nu toe, als zzp-er zonder VOG, niet zonder werk is komen te zitten.
9. Dat de reclassering het risico op herhaling als laag heeft ingeschat, betekent niet dat de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. Verweerder mocht hierbij aan eiser tegenwerpen dat de reclassering een algemene inschatting maakt van het risico op herhaling, en dat voor een VOG een andere beoordeling wordt gemaakt. Voor een VOG moet worden bekeken wat het risico op herhaling is in relatie tot het werk dat eiser wil gaan doen en hoe dat risico zich verhoudt tot het belang van de samenleving en de bescherming van de kwetsbare personen die eiser zal verzorgen. Het gaat dus niet om de concrete verwachting dat eiser opnieuw mensen zal afpersen, maar om het
risicoop herhaling in verhouding tot het voorgenomen werk. De reclassering heeft die beoordeling niet als zodanig verricht.
10. Het is positief dat eiser zijn leven heeft omgegooid en dat hij er sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis hard aan werkt om zijn leven een positieve wending te geven, zoals ook blijkt uit de verklaring van zijn werkgever. Verweerder mocht alleen – gelet op de ernst van het vermeende delict, het verschil in weergave van de feiten door eiser en het OM en het (beperkte) tijdsverloop sinds het strafbare feit, gerekend vanaf de schorsing van de voorlopige hechtenis van eiser – vinden dat dit nog niet zwaar genoeg weegt om in aanmerking te komen voor een VOG.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens weigert verweerder de afgifte van een VOG als in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.
Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (Beleidsregels) wordt, wanneer op naam van de aanvrager justitiële gegevens staan, de vraag of de VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium, zie paragraaf 3.1. de beoordeling van een aanvraag voor een VOG.
Op grond van paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd als wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.
Volgens paragraaf 3.2.3.van de Beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG politiegegevens zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG politiegegevens afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
Voor de toepassing van het subjectieve criterium staan de omstandigheden van het geval centraal. Hierbij wordt gekeken naar de specifieke omstandigheden van het geval, zoals de aard van de politiegegevens, de frequentie van politiegegevens en de actualiteit van de politiegegevens en dit alles bezien in onderlinge samenhang. Indien de aanvrager ten tijde van de politieregistratie minderjarig was, betrekt het COVOG dit eveneens in de beoordeling van de aanvraag.