ECLI:NL:RBDHA:2026:2519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/09/680176 / HA RK 25-65
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 431 lid 1 RvArt. 431 lid 2 RvArt. 985 RvArt. 13a Wet Algemene BepalingenArtikel 12 VN-Verdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid rechtbank wegens immuniteit Russische Federatie bij tenuitvoerlegging Oekraïense vonnissen

Luganskgaz, een Oekraïense aardgasleverancier, vordert de tenuitvoerlegging in Nederland van vonnissen van de rechtbank te Kyiv waarin de Russische Federatie is veroordeeld tot betaling van ruim € 85 miljoen wegens schade door de militaire agressie en bezetting van de regio Luhansk.

De rechtbank Den Haag onderzoekt of zij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek. De Russische Federatie beroept zich op immuniteit van jurisdictie, een beginsel van het volkenrecht dat nationale rechters in beginsel niet bevoegd maakt om een soevereine staat te berechten.

De rechtbank oordeelt dat de aan de Russische Federatie verweten handelingen militaire agressie en bezetting betreffen, typische overheidshandelingen (acta iure imperii), waarvoor immuniteit geldt. De door Luganskgaz aangevoerde uitzonderingen op immuniteit, waaronder artikel 12 VN Pro-Verdrag en de Gazprom-criteria, zijn niet van toepassing.

De rechtbank volgt de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof en de Hoge Raad dat immuniteit niet wordt beperkt door de aard of ernst van de gedragingen, ook niet bij ernstige schendingen van internationaal recht. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de Oekraïense vonnissen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de Oekraïense vonnissen tegen de Russische Federatie wegens immuniteit van jurisdictie.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/680176 / HA RK 25-65
Beschikking van4februari 2026
in de zaak van
LUGANSKGAZ ZBUTmet gekozen woonplaats te Amsterdam ,
verzoekster,
hierna te noemen: Lugansk ,
advocaat: mr. H.M.A. over de Linden,
tegen
DE RUSSISCHE FEDERATIEte Den Haag,
verweerster,
hierna te noemen: de Russische Federatie,
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor (aangewezen o.g.v. artikel 13 Advocatenwet Pro).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, binnengekomen op 12 februari 2025, met producties;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 juni 2025 en de daaraan gehechte spreekaantekeningen van mr. Over de Linden;
- de brief van 23 juli 2025 van mr. Cornegoor, met producties;
- de conclusie van repliek, met productie;
- de brief van 19 november 2025 van mr. Cornegoor.
1.2.
Het verzoek strekt primair tot verkrijging van verlof op basis van artikel 985 Rv Pro en verder tot tenuitvoerlegging in Nederland van een door de rechtbank in Kyiv, Oekraïne, tussen partijen gewezen vonnis. De rechtbank heeft een mondelinge behandeling bepaald op 19 juni 2025. Bij die mondelinge behandeling is namens de Russische Federatie niemand verschenen. Omdat niet kon worden vastgesteld dat de door Luganskgaz uitgebrachte exploten de Russische Federatie tijdig hadden bereikt, heeft de rechtbank Luganskgaz in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen inzake de betekening en de oproeping van de Russische Federatie. Nog voordat de rechtbank over de verstekverlening had beslist, is de Russische Federatie alsnog in de procedure verschenen. Daarop heeft de rechtbank een nieuwe mondelinge behandeling bepaald op 17 december 2025.
1.3.
De voorgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. De advocaat van Luganskgaz heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.
1.4.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.
Luganskgaz is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, opgericht naar Oekraïens recht. Tot februari 2022 hield Luganskgaz zich op basis van een in 2017 aan haar verstrekte vergunning bezig met de levering en distributie van aardgas in (hoofzakelijk) de oblast Luhansk (Oekraïne). Luganskgaz was de enige exploitant in Luhansk en zij is of was gevestigd in Siverskodonetsk in Luhansk.
2.2.
Op 24 februari 2022 is de Russische Federatie een aanvalsoorlog begonnen tegen Oekraïne. Daarnaast heeft de Russische Federatie de Oekraïense oblasten Donetsk en Luhansk erkend als onafhankelijke entiteiten. De invasie en de erkenning van de oblasten zijn op 2 maart 2022 veroordeeld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
2.3.
Op 30 september 2022 heeft de Russische Federatie de oblast Luhansk eenzijdig geannexeerd. Als reactie op (onder meer) deze annexatie heeft de Europese Unie (aanvullende) sancties opgelegd tegen de Russische Federatie. Deze sancties treffen personen en entiteiten die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.
2.4.
Na de gewapende inval van de Russische Federatie in Oekraïne in februari 2022 heeft Luganskgaz haar commerciële activiteiten in Luhansk gestaakt.
2.5.
Op 12 september 2023 heeft Luganskgaz bij de Commercial Court of Kyiv (hierna: de rechtbank te Kyiv) een procedure aanhangig gemaakt tegen de Russische Federatie. In die procedure heeft Luganskgaz vergoeding gevorderd van de schade die zij heeft geleden ten gevolge van de militaire agressie van de Russische Federatie. De door Luganskgaz gevorderde schade bestaat onder meer uit gederfde winst, de onmogelijkheid om vorderingen te innen, en het verlies van eigendommen. De Russische Federatie is in deze procedure niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.
2.6.
Bij (verstek)vonnis van 16 januari 2024 heeft de rechtbank te Kyiv de Russische Federatie veroordeeld tot betaling aan Luganskgaz van 3.161.365.073,57 grivna (UAH). In het vonnis wordt onderscheid gemaakt tussen de schade die het gevolg is van de onmogelijkheid om commerciële activiteiten uit te oefenen en de schade die het gevolg is van het verlies van activa. In het vonnis heeft de rechtbank Kyiv (volgens de door Luganskgaz overgelegde beëdigde Engelse vertaling op pagina 5, 6, 18 en 19) onder meer het volgende overwogen:

The plaintiff asserts that damages totaling UAH 3,161,365,073,57 were incurred due to the actions of the Russian Federation’s armed forces and affiliated armed formations under its control.
T
he plaintiff emphasizes that due to the conditions of occupation (blockade, encirclement) imposed by the aggressor state’s army on the entire territory of the Luhansk Oblast, the plaintiff, as a business entity, was deprived of the ability to conduct legitimate licensed activities within this territory from the onset of active hostilities until the ongoing occupation persists.
Furthermore, the plaintiff highlights that the military aggression of the Russian Federation against Ukraine, particularly in the Luhansk Oblast, resulted in the following direct consequences for (…) Luganskgaz (…):
  • the inability to engage in licensed economic activities within the territory of Luhansk Oblast due to active hostilities and occupation by the Russian Federation, consequently resulting in the loss of potential income from such licensed activities (lost profits of the Company)
  • loss and destruction of the material and technical facilities (main assets) of (…) Luganskgas (…); (…)
  • necessity to evacuate management and personal of the Company due to the constant treat to their lives and ongoing hostilities.
The plaintiff underscores that the inability of (…) Luganskgaz (…) to conduct business operations pertaining to the supply of natural gas to customers in the Luhansk Oblast from February 24, 2022 onwards is solely attributable to the armed aggression perpetrated by the Russian Federation with the aim of violating Ukraine’s sovereignty and engaging in aggressive actions against Ukrainian territories, notably Luhansk Oblast. The incessant shelling and active hostilities witnessed in the Luhansk Oblast during the period of February to June 2022, coupled with the loss of material and technical facilities (main assets) and the occupation of Ukrainian territories, compelled the plaintiff to evacuate personnel to secure territories under Ukrainian control and suspend activities related to natural gas supply to the occupied region.
(…)
Therefore, the military aggression instigated by the Russian Federation against Ukraine,
particularly within the Luhansk Oblast, directly led to the following repercussions for the
plaintiff:
- inability to conduct licensed economic operations within the territory of the Luhansk Oblast due to active hostilities and occupation by the Russian Federation, consequently resulting in the loss of revenue derived from said licensed operations;
(Company's lost profits).
- loss and devastation of the plaintiff's material and technical facilities (main assets).
- mandatory evacuation of the management and personnel of the Company due to the persistent threat to their lives as a consequence of ongoing hostilities.
The plaintiff's inability to conduct business operations related to the supply of natural gas to
consumers in the Luhansk Oblast from February 24, 2022, sterns solely from the armed aggression perpetrated by the Russian Federation with the aim of violating Ukraine's sovereignty and engaging in aggressive actions against Ukrainian territories, notably the Luhansk Oblast.
(…)
Based on the evidence presented and the assessment of the established circumstances in this case, the Court concludes that the plaintiff has satisfactorily demonstrated, with proper and admissible evidence, the loss of property resulting from the armed aggression of the Russian Federation against Ukraine.
2.7.
In het vonnis van 16 januari 2024 heeft de rechtbank te Kyiv overwogen dat aan de Russische Federatie in de gegeven omstandigheden geen beroep toekomt op immuniteit als verweer tegen de aansprakelijkheid van de door Luganskgaz geleden schade. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat Luganskgaz voor haar vorderingen bij de rechtbanken in de Russische Federatie geen effectieve rechtsbescherming geniet. In dit verband heeft de rechtbank onder meer verwezen naar toepasselijk Oekraïense recht (
the Law of Ukraine
On Private International Law”), een uitspraak van Oekraïense Hoge Raad van 18 mei 2022, de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten van 1972, artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen en de
Convention on Legal Aid and Legal Relations in Civil, Family and Criminal Cases, van 22 januari 1993.
2.8.
Bij (aanvullend) vonnis van 13 februari 2024 heeft de rechtbank te Kyiv de Russische Federatie veroordeeld om aan Luganskgaz een vergoeding te betalen van UAH 548.811,99 (volgens Luganskgaz overeenkomend met ongeveer € 13.448,00) ter zake van proceskosten.
2.9.
Naar aanleiding van een verzoek van Luganskgaz tot verbetering van kennelijke schrijffouten in het vonnis van 16 januari 2024 heeft de rechtbank te Kyiv op 26 november 2024 een verbetervonnis gewezen. In dit vonnis heeft de Rechtbank te Kyiv onder verwijzing naar het vonnis van 16 januari 2024, de door de Russische Federatie aan Luganskgaz te betalen bedragen vastgesteld op de volgende bedragen in euro’s:
  • € 58.890.751,98 (11.788.605,81 voor de periode van 24 februari 2022 tot 19 september 2023) + 47.102.146,17 voor de periode van 19 september 2023 tot 18 september 2028) ter zake van gederfde winst;
  • € 26.132.896,27 voor het niet kunnen incasseren van openstaande vorderingen;
  • € 3.367,04 ter zake van het verlies van activa.
2.10.
Voormelde drie vonnissen (hierna: de Oekraïense vonnissen), waarin de Russische Federatie is veroordeeld tot betaling aan Luganskgaz van in totaal € 85.040.463,29, zijn onherroepelijk geworden.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Luganskgaz verzoekt, samengevat, om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
zonder verplichting tot zekerheidstelling, verlof te verlenen om de Oekraïens vonnissen in Nederland ten laste van de Russische Federatie integraal ten uitvoer te kunnen leggen, een en ander onder door de rechtbank nader te stellen voorwaarden, althans datgene te bepalen zodat de Russische Federatie op grond van de Oekraïense vonnissen wordt veroordeeld (afgerond) € 85.040.463,-- aan Luganskgaz te voldoen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en met veroordeling van de Russische Federatie in de proceskosten.
3.2.
Aan het verzoek heeft Lugansk het volgende ten grondslag gelegd.
Op basis van het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken [1] (hierna: het Erkenningsverdrag) en artikel 986 Rv Pro kunnen de Oekraïense vonnissen in Nederland ten uitvoer worden gelegd.
Voor het geval tenuitvoerlegging op basis van het Erkenningsverdrag niet mogelijk is, verzoekt Luganskgaz de Russische Federatie op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro, en onder toepassing van de zogeheten Gazprom-criteria te veroordelen tot hetgeen waartoe zij in de Oekraïense vonnissen is veroordeeld, te weten betaling aan Luganskgaz van (afgerond) € 85.040.463,--.
3.3.
De Russische Federatie concludeert tot onbevoegdheid van de rechtbank, dan wel tot afwijzing van de verzoeken van Luganskgaz . De Russische Federatie heeft hiertoe aangevoerd dat de aan de Russische Federatie toekomende immuniteit van jurisdictie aan erkenning van het Vonnis dan wel veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro in de weg staat.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 431 lid 1 Rv Pro kunnen beslissingen die zijn gegeven door een rechter van een ‘vreemde staat’ in Nederland niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of wettelijke bepaling als bedoeld in artikel 985 Rv Pro en verder. Indien een verdrag met een vreemde staat niet voorziet in rechtstreekse erkenning van vonnissen, is voor tenuitvoerlegging in Nederland een exequatur (verlof tot tenuitvoerlegging) van de Nederlandse rechter vereist. Op grond van artikel 431 lid 2 Rv Pro kan een geding dat ten overstaan van een buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Indien de eiser hierbij vordert dat gedaagde wordt veroordeeld tot datgene waartoe hij op grond van het buitenlandse vonnis gehouden is, dient de Nederlandse rechter te beoordelen welk gezag hij toekent aan de buitenlandse beslissing. In een dergelijke procedure (die ook wel wordt aangeduid als verkapte exequaturprocedure) geldt als uitgangspunt dat een buitenlands vonnis in beginsel wordt erkend indien voldaan is aan de zogeheten Gazprom-criteria [2] .
4.2.
Luganskgaz verzoekt primair om erkenning en tenuitvoerlegging van de Oekraïense vonnissen op basis van artikel 985 Rv Pro in verbinding met het Erkenningsverdrag. Subsidiair verzoekt Luganskgaz om een veroordeling conform de Oekraïense vonnissen op basis van de hiervoor bedoelde verkapte exequaturprocedure van artikel 431 lid 2 Rv Pro. Hoewel procedures op basis van artikel 431 lid 2 Rv Pro normaal gesproken worden ingeleid met een dagvaarding, wordt vanuit het oogpunt van proces-economie aanvaard dat ook in een verzoekschriftprocedure kan worden verzocht om (erkenning van de buitenlandse beslissing en) veroordeling, op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro, tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. [3] Daarbij kan worden aangetekend dat Luganskgaz niet aanstuurt op een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil, maar verzoekt om veroordeling op basis van de Gazprom-criteria.
Immuniteit van jurisdictie
4.3.
Aangezien de Russische Federatie een vreemde staat betreft, dient de rechtbank allereerst te beoordelen of aan de Russische Federatie immuniteit van jurisdictie toekomt. Op grond van het volkenrecht zijn nationale rechters in beginsel niet bevoegd om rechtsvorderingen tegen een vreemde staat en hun ambtsdragers te berechten. De wederzijdse onafhankelijkheid van staten verzet zich ertegen dat de ene soevereine staat tegen zijn wil wordt onderworpen aan de rechtsmacht van een andere soevereine staat.
4.4.
Indien aan de Russische Federatie immuniteit van jurisdictie toekomt, heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht en moet hij zich onbevoegd verklaren. Dit volgt ook uit artikel 13a Wet Algemene Bepalingen, waarin is neergelegd dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzonderingen, en waarnaar in artikel 1 Rv Pro wordt verwezen. Dit geldt ook wanneer het gaat om een verzoek tot tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis, ongeacht of dit de gewone exequaturprocedure of de verkapte exequaturprocedure van artikel 431 lid 2 Rv Pro betreft. Voor de procedure van artikel 431 lid 2 Rv Pro ligt dit voor de hand, omdat dat zuiver beschouwd een bodemprocedure ten overstaan van de Nederlandse rechter is. Het geldt evenwel ook voor de gewone exequaturprocedure: in geval van immuniteit van jurisdictie van de verweerder is de rechtbank (volkenrechtelijk) onbevoegd; zij kan dan geen (internationale) rechtsmacht meer ontlenen aan artikel 3, aanhef en onder c, Rv in verbinding met artikel 985 Rv Pro en verder van het Erkenningsverdrag.
4.5.
Dat de Nederlandse rechter bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen tot toetsing van immuniteit gehouden is, volgt ook uit de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 3 februari 2012 tussen Duitsland en Griekenland. [4] In deze uitspraak heeft het IGH onder meer geoordeeld dat Italië in strijd met haar volkenrechtelijke verplichtingen heeft gehandeld door in een exequaturprocedure met betrekking tot in Griekenland gewezen vonnissen geen immuniteit toe te kennen aan Duitsland. Anders dan Luganskgaz heeft betoogd, kan de Nederlandse rechter het door de Oekraïense rechter gegeven oordeel over immuniteit van een gedaagde vreemde staat dus niet zonder meer overnemen; de rechtbank zal zich daarover een eigen oordeel moeten vormen. In de hiervoor aangehaalde uitspraak heeft het IGH verder overwogen dat de regels over (staats)immuniteit geen betrekking hebben op de vraag of de aan de gedaagde staat verweten handelingen al dan niet onrechtmatig zijn. Voor de relevantie van deze uitspraak is het daarom niet van belang of de door Luganskgaz aan de Russische Federatie verweten handelingen al dan niet vergelijkbaar zijn met het handelen van de Duitse bezetter in Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog dat in de uitspraak van het IGH aan de orde was.
4.6.
Dat de Nederlandse rechter in een exequaturprocedure gehouden is de immuniteit van vreemde staten te onderzoeken wordt ook bevestigd door artikel 2 lid 5 van Pro het Erkenningsverdrag, waarin is bepaald dat het verdrag de immuniteiten van staten of van internationale organisaties ten aanzien van henzelf of van hun eigendommen onverlet laat.
4.7.
Immuniteit geldt alleen voor handelingen die de vreemde Staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak – de zogenoemde
acta iure imperii– en niet voor gevallen waarin de vreemde Staat op voet van gelijkheid rechtsbetrekkingen is aangegaan met particulieren, de zogenoemde
acta iure gestionis. Dat laatste doet zich in het bijzonder voor bij commerciële (overheids)activiteiten waarbij een staat als privaatrechtelijk rechtssubject deelneemt aan het rechtsverkeer. Bij
acta iure imperiigaat het om ‘typische overheidshandelingen’. Het onderscheid tussen
acta iure imperiien
acta iure gestionismoet worden gezocht in de aard van de handeling en niet het doel daarvan. [5] Anders dan Luganskgaz kennelijk meent, zijn
acta iure imperii, en daarmee de immuniteit van jurisdictie, niet beperkt tot oorlogshandelingen.
Aard van de verweten handelingen
4.8.
In de Oekraïense vonnissen is de Russische Federatie veroordeeld tot vergoeding van de schade die Luganskgaz heeft geleden doordat zij haar economische activiteiten niet meer kon uitoefenen. Deze schade bestaat uit gederfde winst, het niet kunnen incasseren van openstaande vorderingen en het verlies van activa (zie 2.9). In de Oekraïense vonnissen is overwogen dat deze schade uitsluitend het gevolg is van de gewapende agressie van de Russische Federatie die tot doel had om inbreuk te maken op de territoriale soevereiniteit van Oekraïne, in Luhansk in het bijzonder.
4.9.
De Oekraïense vonnissen laten daarmee geen andere conclusie toe dat de aan de Russische Federatie verweten handelingen de gewapende (en militaire) agressie en de bezetting van Oekraïens grondgebied betreffen. Er kan redelijkerwijs geen discussie over bestaan dat deze handelingen van de Russische Federatie typische overheidshandelingen betreffen. Luganskgaz heeft dat ook niet betwist.
4.10.
Luganskgaz kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de aan de Russische Federatie verweten handelingen desalniettemin commerciële handelingen betreffen. Anders dan Luganskgaz mede aan de hand van de door haar overgelegde
legal opinionvan professor M. Buromensky heeft betoogd, is de veroordeling van de Russische Federatie in de Oekraïense vonnissen niet gebaseerd op het oordeel dat Luganskgaz de facto is onteigend en dat de Russische Federatie (door middel van een vennootschap die onder haar controle zou staan) op onrechtmatige wijze – en ten koste van Luganskgaz – een onderneming exploiteert die in Luhansk aardgas levert. In de Oekraïense vonnissen zijn deze gedragingen nu eenmaal niet aan de veroordeling van de Russische Federatie ten grondslag gelegd. De mogelijke commerciële bedoelingen van de Russische Federatie en de door Luganskgaz gestelde “a contrario alter-ego-situatie” kunnen in deze (verkapte) exequaturprocedure daarom geen rol spelen bij de vraag of in het kader van de tenuitvoerlegging van de Oekraïense vonnissen aan de Russische Federatie immuniteit van jurisdictie toekomt.
Voorlopige conclusie
4.11.
De gedragingen waarvoor de Russische Federatie in de Oekraïense vonnissen is veroordeeld (militaire agressie en bezetting van Luhansk) zijn aan te merken als overheidshandelen (
acta iure imperii). Dit betekent dat indien de Russische Federatie hiervoor voor de civiele rechter van een vreemde staat ter verantwoording wordt geroepen haar, in beginsel, immuniteit van jurisdictie toekomt.
Overige uitzonderingen op immuniteit van jurisdictie niet van toepassing.
4.12.
Luganskgaz heeft betoogd dat aan de Russische Federatie desalniettemin geen immuniteit van jurisdictie toekomt, dan wel dat de rechtbank in de gegeven omstandigheden daarop een uitzondering moet maken. In het betoog van Luganskgaz onderscheidt de rechtbank vier delen. In de eerste plaats heeft Luganskgaz een beroep gedaan op artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen [6] (hierna: het VN-Verdrag). Daarnaast heeft Luganskgaz gesteld dat de inbreuken op haar rechten en die op de soevereiniteit van Oekraïne niet mogen worden beloond met een geslaagd beroep op immuniteit. In dit verband heeft Luganskgaz erop gewezen dat de Russische Federatie door (onder meer) het Europees Parlement en de Raad van Europa in verband met de barbaarse aanvallen op Oekraïne is aangemerkt als ‘staatssponsor van terrorisme’. Luganskgaz heeft verder nog gesteld dat aan de Russische Federatie in ieder geval geen immuniteit toekomt voor zover het gaat om handelingen uitgevoerd in bezette gebieden die behoren tot de territoriale soevereiniteit van Oekraïne, zoals Luhansk. Tot slot heeft Luganskgaz gesteld dat honorering van het beroep op immuniteit in strijd is met het doel en de strekking van de aan de in Europees verband aan de Russische Federatie opgelegde sancties.
Artikel 12 VN Pro-Verdrag
4.13.
Hoewel het VN-Verdrag nog niet in werking is getreden, wordt aangenomen dat (in ieder geval een deel van) de verdragsbepalingen een codificatie van internationaal gewoonterecht behelzen. Artikel 12 VN Pro-Verdrag voorziet in een uitzondering op de immuniteit van jurisdictie. Deze uitzondering houdt in dat een staat geen beroep kan doen op immuniteit van jurisdictie ten overstaan van de rechter van een andere staat in een geding dat betrekking heeft op financiële schadevergoeding wegens overlijden of persoonlijk letsel, of schade aan of verlies van materiële eigendommen, veroorzaakt door handelen of nalaten van de staat indien het handelen of nalaten geheel of gedeeltelijk plaatsvond op het grondgebied van die andere staat.
4.14.
Deze uitzondering geldt uitsluitend voor gerechten van de staat waar de onrechtmatige gedraging heeft plaatsgevonden. Aangezien de in de Oekraïense vonnissen aan de Russische Federatie verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in Oekraïne, biedt deze bepaling geen grondslag voor de beperking van de immuniteit van de Russische Federatie ten overstaan van de Nederlandse rechter. Daar komt bij dat de verweten handelingen betrekking hebben op militair optreden in een gewapend conflict. Op grond van de hiervoor aangehaalde uitspraak van het IGH van 3 februari 2012 tussen Duitsland en Griekenland [7] moet worden aangenomen dat de uitzondering van artikel 12 VN Pro-Verdrag geen deel uitmaakt van het internationaal gewoonterecht wanneer het gaat om het optreden van strijdkrachten in een gewapend conflict. Verder merkt de rechtbank op dat de aan Luganskgaz toegewezen schadevergoeding slechts voor een klein deel (€ 3.367,04) bestaat uit het verlies van materiële eigendommen. Het overige deel van de schadevergoeding van ruim € 85 miljoen betreft gederfde winst en misgelopen inkomsten en die schadeposten lijken hoe dan ook buiten het toepassingsbereik van artikel 12 VN Pro-Verdrag te vallen. Gelet op al het voorgaande kan de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie daarom in Nederland niet op grond van de uitzondering van artikel 12 van Pro het VN-Verdrag buiten toepassing worden gelaten.
Uitzonderingen wegens gedragingen van de Russische Federatie
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen twijfel over bestaan dat Luganskgaz forse vermogensschade heeft geleden doordat zij ten gevolge van de Russische invasie en de bezetting haar onderneming in Luhansk niet langer kan exploiteren en dat hiermee inbreuk is gemaakt op haar rechten die voortvloeien met de vrijheid van ondernemerschap. Anders dan Luganskgaz heeft betoogd, leveren deze inbreuk en de inbreuken op de soevereiniteit van Oekraïne geen grond op om een uitzondering te maken op de aan de Russische Federatie toekomende immuniteit van jurisdictie. De Russische Federatie heeft er terecht op gewezen dat een (mogelijke) schending van internationaal recht door de Russische Federatie voor de Nederlandse rechter geen reden kan zijn dat recht eveneens te schenden.
4.16.
Met haar stelling dat het onrechtmatig handelen van de Russische Federatie niet mag worden “beloond” met immuniteit van jurisdictie, miskent Luganskgaz dat de immuniteit van jurisdictie enkel afhankelijk is van het feit dat de Russische Federatie een soevereine staat is. Voor de werking van de immuniteit van jurisdictie is niet van belang waar de litigieuze gedragingen hebben plaatsgevonden. Dat de aan de Russische Federatie verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in Luhansk – en daarmee op het grondgebied van Oekraïne – maakt voor de beoordeling van het immuniteitsvraagstuk in Nederland geen verschil.
4.17.
In de hiervoor aangehaalde uitspraak van het IGH van 3 februari 2012
tussen Duitsland en Griekenland [8] heeft het IGH overwogen dat volgens de destijds geldende stand van het internationaal gewoonterecht het recht op immuniteit niet wordt beperkt in geval van beschuldiging van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht of internationaal oorlogsrecht. In zijn arrest van 25 augustus 2023 [9] heeft de Hoge Raad – onder meer met verwijzing naar voormelde uitspraak – overwogen dat er ook naar de toen geldende stand van het internationaal gewoonterecht geen uitzondering op de aan vreemde staten toekomende immuniteit gold op grond van de aard of de ernst van de aan die staat verweten gedragingen. Uit niets blijkt dat het internationaal gewoonterecht sindsdien op dit punt wijziging heeft ondergaan. Zo hebben de aan de Russische Federatie opgelegde sancties in verband met schendingen van de soevereiniteit van Oekraïne en het feit dat de Russische Federatie is aangemerkt als een sponsor van staatsterrorisme, er tot op dit moment niet toe geleid dat haar het recht op immuniteit van jurisdictie wordt ontzegd. Het in december 2025 door een aantal EU-lidstaten gedane voorstel om bevroren Russische banktegoeden te gebruiken voor een lening aan Oekraïne maken het voorgaande niet anders. De rechtbank heeft daarom geen enkel aanknopingspunt om in deze zaak een uitzondering te maken op de aan de Russische Federatie toekomende immuniteit van jurisdictie.
Slotsom
4.18.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken van Luganskgaz . Dit geldt zowel voor het primaire als het subsidiaire verzoek.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken van Luganskgaz .
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
WJ

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken, ‘s-Gravenhage, 02-07-2019.
2.HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478.
3.HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1265.
4.Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy: Greece intervening), Judgment, I.C.J. Reports 2012, p. 99.
5.HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0974.
6.Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, New York, 2 december 2004, (Trb 2010, 272).
7.Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy: Greece intervening), Judgment, I.C.J. Reports 2012, p. 99.
8.Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy: Greece intervening), Judgment, I.C.J. Reports 2012, p. 99.
9.Hoge Raad 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:1132 (Gaza).