ECLI:NL:RBDHA:2026:2520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/680459 / FA RK 25-1223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:80b BWArt. 1:93 BWArt. 1:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap en verdeling beperkte gemeenschap van goederen

Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan in 2020 zonder partnerschapsvoorwaarden, waardoor een beperkte gemeenschap van goederen geldt. De vrouw verzocht de ontbinding van het partnerschap wegens duurzame ontwrichting, wat door de man niet werd betwist. De rechtbank wijst het verzoek tot ontbinding toe en kent het huurrecht van de gezamenlijke woning toe aan de man.

De rechtbank stelt vast dat de beperkte gemeenschap van goederen bestaat uit goederen en schulden die vóór en tijdens het partnerschap zijn verkregen of aangegaan, met peildatum 17 februari 2025. De inboedel wordt in onderling overleg bij helfte verdeeld. De 1200 certificaten aangeschaft tijdens het partnerschap behoren tot de gemeenschap en worden gelijk verdeeld, inclusief het dividend na oktober 2024.

De rechtbank oordeelt dat de certificaten die vóór het partnerschap zijn aangeschaft privé-eigendom van de vrouw zijn, ondanks betwisting door de man. Vergoedingsvorderingen van de man wegens aflossingen op schulden worden grotendeels afgewezen, behalve voor de aflossing van de schuld bij Rabobank en de studieschuld tijdens het partnerschap, waarvoor de vrouw aan de man een bedrag van € 3.216,16 moet vergoeden.

De bankrekeningen worden verdeeld waarbij rekening wordt gehouden met het aanwezige vermogen bij aanvang van het partnerschap en eerdere verdelingen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding, en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Het geregistreerd partnerschap wordt ontbonden en de beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld met toekenning van huurrecht aan de man en vergoeding van € 3.216,16 door de vrouw aan de man.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1223 (ontbinding geregistreerd partnerschap) FA RK 25-5286 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/680459 (ontbinding geregistreerd partnerschap) C/09/688394 (verdeling)
Datum beschikking: 12 januari 2026

Ontbinding geregistreerd partnerschap

Beschikking op het op 17 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Vermeule te ’Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. van de Kolk te ’Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift en betekeningsexploot;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 9 mei 2025;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- een F9-formulier van 8 juli 2025, met bijlagen, van de man;
- een F9-formulier van 11 november 2025, met bijlagen, van de vrouw;
- een F9-formulier van 12 november 2025, met bijlagen, van de vrouw;
- een F9-formulier van 13 november 2025, met bijlagen, van de man;
- een F9-formulier van 20 november 2025, met bijlagen, van de man;
- een F9-formulier van 21 november 2025, met bijlagen, van de vrouw.
Op 24 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaat.

Feiten

- Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum] 2020 te
’Den Haag, zonder het opstellen van partnerschapsvoorwaarden.
- Tussen partijen geldt een beperkte gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt – na wijziging – ertoe:
 het geregistreerd partnerschap dat partijen op [datum] 2020 te Den Haag zijn aangegaan te ontbinden;
 het huurrecht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan de man toe te delen;
 vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 145,-- en het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 53,07 privé eigendom is van de vrouw;
 vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat de 11.108 certificaten (aangekocht in 2017, 2018 en 2020) privé eigendom zijn van de vrouw;
 de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast te stellen:
o vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de gezamenlijke bank- en spaarrekening met nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] in oktober 2024 in onderling overleg tussen partijen is verdeeld;
o de bankrekeningen op naam van de vrouw met de daarbij behorende saldi aan haar toe te delen, waarbij zij gehouden is de helft van het bedrag dat behoort tot de beperkte gemeenschap van goederen, zijnde € 255,59 (de helft van € 511,18), aan de man te voldoen;
o te bepalen dat de man opgave doet van de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, onder opgave van de saldi op [datum] 2020 en op de peildatum;
o te bepalen dat de man de helft van het bedrag behorend tot de beperkte gemeenschap van goederen op zijn bank- en spaarrekeningen aan de vrouw dient te vergoeden;
o te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de verkoopopbrengst van de 1200 certificaten (aangekocht op 1 januari 2023 met [transactienummer]) bij Stichting [stichting]) ad € 2.922,-- per persoon;
o te bepalen dat partijen de inboedel bij helfte verdelen in onderling overleg;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen een aantal verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
 het geregistreerd partnerschap van partijen te ontbinden;
 het huurrecht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats]
aan de man toe te bedelen;
 te bepalen dat de man een vergoedingsvordering op de vrouw heeft voor de helft
van de totale waarde van de 1200 certificaten die tijdens het geregistreerd partnerschap zijn aangeschaft, welke totale waarde door de man thans wordt begroot op € 27.984,00, zodat de man een vergoedingsrecht heeft van € 13.992,00 op de vrouw, althans een andere nader te bepalen waarde;
 te bepalen dat de man een vergoedingsvordering op de vrouw heeft voor de helft
van de waarde van de certificaten die voor een bedrag van € 17.522,80 zijn aangeschaft nu de lening voor deze certificaten tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen is afgelost, zodat de man primair een vergoedingsrecht heeft van € 35.045,60 en subsidiair op basis van een waarde-toename die thans door de man wordt begroot op € 52.568,40, zodat de man subsidiair een vergoedingsrecht heeft op de vrouw van € 26.284,20 , althans een andere nader te bepalen waarde;
 te bepalen dat de man een recht op vergoeding heeft voor de helft van de
aanschafwaarde van de certificaten die tijdens de samenwoning van partijen zijn
aangeschaft, welke aanschafwaarde volgens de man € 5.148,18 zou zijn, zodat de
man een recht op vergoeding van € 2.574,09 zou hebben, althans een ander nader
te bepalen vergoeding;
 te bepalen dat de man recht heeft op de helft van door de vrouw op de certificaten
ontvangen dividend na oktober 2024 en voor de peildatum, welke de man begroot op € 6.000,00, zodat de man recht zou hebben op de helft daarvan ofwel € 3.000,00, dan wel een andere nader te bepalen bedrag zijnde de helft van het door de vrouw ontvangen dividend zoals hiervoor omschreven;
 te bepalen dat de man recht heeft op schadevergoeding van de vrouw voor de aflossingen van de gezamenlijke bankrekening op de schuld bij Rabobank van de vrouw tijdens de samenwoning van partijen, ter hoogte van de helft van deze uitgaven, ofwel op € 1.237,--;
 te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw voor de helft van de
aflossingen van de schuld bij de Rabobank tijdens het geregistreerd partnerschap, ter hoogte van de helft van de uitgaven hiervoor, welke helft € 1.807,-- bedraagt;
 te bepalen dat de man recht heeft op schadevergoeding van de vrouw voor het
verschil in uitgaven van de gezamenlijke bankrekening, tijdens de samenwoning, voor de aflossing van de studieschuld van ieder, welk verschil € 1.390,95 bedraagt zodat de man recht heeft op schadevergoeding voor de helft ad € 695,47;
 te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw voor de helft
van het verschil in uitgaven van de gezamenlijke bankrekening, tijdens het geregistreerd partnerschap, voor de aflossing van de studieschuld van ieder, welk verschil € 2.818,33 bedraagt zodat de man een vergoedingsrecht heeft van de helft hiervan ad € 1.409,16,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Ontbinding geregistreerd partnerschap
De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Huurrecht
Partijen zijn het erover eens dat het huurrecht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan de man toegedeeld kan worden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
De afwikkeling van de beperkte gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat partijen partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt. Zij hebben het geregistreerd partnerschap op of na 1 januari 2018 met elkaar gesloten, zodat (gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW in samenhang met artikel 1:80b BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu er sprake is van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) ontbonden partnerschapsgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die vóór het geregistreerd partnerschap reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de geregistreerd partners in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 17 februari 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
inboedel;
saldi van de bankrekeningen van partijen voor zover die sinds de aanvang van het geregistreerd partnerschap zijn toegenomen;
1200 certificaten op naam van de vrouw.
De inboedel
Partijen zijn het erover eens dat zij de inboedel bij helfte verdelen in onderling overleg. De rechtbank zal dit vaststellen.
1200 certificaten aangeschaft tijdens het geregistreerd partnerschap
De vrouw verzoekt te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de verkoopopbrengst van de 1200 certificaten (aangekocht op 1 januari 2023 met [transactienummer]) bij Stichting [stichting]).
De rechtbank verwijst naar hetgeen hierna onder het kopje “certificaten” wordt overwogen, waarin de rechtbank tot de conclusie komt dat zij zal vaststellen dat aan ieder van partijen de helft van de waarde van deze certificaten van € 5.884,-- toekomt, vermeerderd met de helft van het over deze certificaten na oktober 2024 ontvangen dividend, voor zover dit niet al in de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen is betrokken.
Bankrekeningen
De vrouw verzoekt vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de gezamenlijke bank- en spaarrekening met nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] in oktober 2024 in onderling overleg tussen partijen is verdeeld.
De vrouw verzoekt verder de bankrekeningen op naam van de vrouw met de daarbij behorende saldi aan haar toe te delen, waarbij zij gehouden is de helft van het bedrag dat behoort tot de beperkte gemeenschap van goederen, aan de man te voldoen.
Ook verzoekt de vrouw te bepalen dat de man opgave doet van de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, onder opgave van de saldi op [datum] 2020 en op de peildatum en te bepalen dat de man de helft van het bedrag behorend tot de beperkte gemeenschap van goederen op zijn bank- en spaarrekeningen aan de vrouw dient te vergoeden.
De man is primair van mening dat de saldi al in oktober 2024 zijn verdeeld. Indien de rechtbank de vrouw volgt in haar verzoek tot verdeling van de saldi, dan dient daarbij rekening te worden gehouden met de in oktober 2024 verdeelde saldi.
De rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat het saldo van de op hun beider naam staande bankrekening feitelijk reeds is gedeeld, maar dat uit de stukken niet af te leiden is dat de saldi van de rekeningen op naam van één van partijen ook al zijn gedeeld. Op grond van de wet behoren ook de saldi van die bankrekeningen tot het gemeenschappelijk vermogen en dus dienen deze saldi nog gedeeld te worden. De rechtbank zal daarom de verdeling van de banksaldi vaststellen, in die zin dat partijen de saldi van de op bankrekeningen die op naam van één van hen staan, na aftrek van het bij aanvang van het geregistreerd partnerschap aanwezige vermogen, en bij de man onder aftrek van een bedrag van € 7.941,81, dienen te delen. De man heeft er terecht op gewezen dat dit laatste bedrag bij het delen van het saldo van de op hun beider naam staande bankrekening op zijn bankrekening is gestort en daarom niet opnieuw gedeeld dient te worden. Met het afschrift van het saldo van de bankrekening op naam van de man heeft de man voldoende aangetoond dat dit bedrag nog op de bankrekening op naam van de man stond op de peildatum.
De man heeft opgave gedaan van de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, onder opgave van de saldi op [datum] 2020 en op de peildatum. Het verzoek van de vrouw om die gegevens te verstrekken wordt daarom afgewezen.
De overige verzoeken
Privébankrekeningen vrouw per datum geregistreerd partnerschap
De vrouw verzoekt vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de bankrekeningen met nummer [rekeningnummer 1] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 145,-- en het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 53,07 privé eigendom is van de vrouw. De man stemt in met toewijzing van dit verzoek. De rechtbank zal dit verzoek als onweersproken toewijzen.
Certificaten
De vrouw verzoekt vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat de 11.108 certificaten (aangekocht in 2017, 2018 en 2020) privé eigendom zijn van de vrouw. De man heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat deze certificaten in delen zijn aangeschaft voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap. De certificaten zijn volgens de man betaald met geld dat op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen stond, althans de lening die voor de aanschaf is aangegaan is afgelost van de gemeenschappelijke rekening. Partijen hebben indertijd gezamenlijk tot de aanschaf van de certificaten besloten. De man stelt ter zake een recht op vergoeding jegens de vrouw te hebben.
De vrouw stelt dat het juist is dat voor de aankoop van de certificaten een lening bij haar werkgever is aangegaan maar betwist dat zij deze lening heeft afgelost met gemeenschapsmiddelen, dan wel privémiddelen van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat een feitelijke en juridische grondslag voor de vordering van de man ontbreekt. Het enkele feit dat gelden (in dit geval, aflossingen op een lening) van de gezamenlijke bankrekening zouden zijn betaald, heeft niet tot gevolg dat van rechtswege vaststaat dat gemeenschapsmiddelen zijn aangewend om de aflossingen te voldoen. De man heeft zijn standpunt niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Verder betwist de vrouw de door de man aan de certificaten toegekende waarde.
De rechtbank overweegt als volgt.
De certificaten zijn onder te verdelen in drie groepen
certificaten aangeschaft en betaald tijdens de samenleving en vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap;
certificaten aangeschaft tijdens de samenleving, betaald door het aangaan van een lening, welke lening is afgelost tijdens het geregistreerd partnerschap;
certificaten aangeschaft en betaald tijdens het geregistreerd partnerschap in 2023.
De certificaten aangeschaft en betaald tijdens de samenleving en vóór het aangaan van
het geregistreerd partnerschap;
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw ongerechtvaardigd verrijkt is omdat de man heeft meebetaald aan deze certificaten doordat ze zijn betaald van de gezamenlijke bankrekening van partijen.
De rechtbank stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw eigenaar is van deze aandelen door de koop en levering van de certificaten aan haar. Het verzoek van de vrouw is in zoverre toewijsbaar.
Dat de certificaten zijn betaald vanuit de bankrekening die op naam staat van beide partijen betekent niet zonder meer dat man bijgedragen heeft aan de certificaten. Er was geen sprake van een (beperkte) gemeenschap op dat moment. Het saldo van die bankrekening werd gevormd door privégeld van de man en privégeld van de vrouw, zonder dat duidelijk is van welk deel van dat saldo betaald is. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de man heeft meebetaald aan de certificaten en dat er dus een grondslag bestaat voor de vordering van de man. Het hierop gebaseerde verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
De certificaten aangeschaft tijdens de samenleving, betaald door het aangaan van een lening, welke lening is afgelost tijdens het geregistreerd partnerschap
Ook hier stelt de man zich op het standpunt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. In dit geval omdat de lening volgens hem vanuit de (beperkte) partnerschapsgemeenschap is afgelost. Dat heeft de vrouw betwist. De vrouw stelt dat de lening is afgelost met ontvangen dividend op de eerdere aandelen.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw eigenaar is van de certificaten omdat ze door haar in de periode van vóór het geregistreerd partnerschap zijn aangekocht. Het verzoek van de vrouw is daarom ook ten aanzien van deze aandelen toewijsbaar.
De rechtbank komt tot de conclusie dat niet vastgesteld kan worden dat man meebetaald heeft aan de aflossing van de lening. De man heeft zijn stelling onderbouwd met productie 14, waaruit inderdaad blijkt van betalingen vanaf de op naam van partijen staande bankrekening aan de werkgever van de vrouw. Uit productie 19 van de vrouw blijkt evenwel dat aan die betalingen een uitkering uit dividend tot een gelijk bedrag vooraf zijn gegaan. Daarmee heeft de vrouw de stelling dat de betalingen zijn gedaan vanuit gemeenschappelijk vermogen (en het vermoeden ex artikelen 1:94 lid 8 BW ten aanzien van die bedragen) ontkracht. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat de man c.q. de gemeenschap heeft meebetaald aan de aflossing van de lening en er dus een grondslag bestaat voor de vordering van de man. Het hierop gebaseerde verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
De certificaten aangeschaft en betaald tijdens het geregistreerd partnerschap in 2023.
Partijen zijn het erover eens dat deze certificaten tot de beperkte gemeenschap behoren. Het staat vast dat de certificaten na de peildatum zijn verkocht aan de voormalig werkgever van de vrouw. Dat betekent dat aan ieder van partijen de helft van de waarde van deze certificaten toekomt.
De man stelt dat uitgegaan moet worden van de waarde op de datum van indiening van het verzoekschrift. De rechtbank overweegt daarover dat de omvang van de (beperkte) gemeenschap en daarmee de omvang van het aantal tot de gemeenschap behorende aandelen, wordt vastgesteld op de datum van indiening van het verzoek. De waarde van de (beperkte) gemeenschap en dus de waarde van die aandelen, wordt vastgesteld bij de feitelijke verdeling. Die verdeling dient nog plaats te vinden.
De rechtbank stelt de waarde vast op de waarde waarvoor de vrouw de aandelen aan haar werkgever heeft verkocht. In dit geval wordt de waarde van de certificaten immers beperkt doordat de certificaten niet vrij verhandelbaar zijn. Daarmee is de waarde niet gelijk aan de waarde in de openbare markt, maar moet worden uitgegaan van de opbrengst die kan worden gegenereerd bij verkoop van de certificaten aan de voormalig werkgever van de vrouw. De vrouw heeft voldoende aangetoond dat dat bedrag € 5.844,-- is. Aan ieder van partijen zal de helft van dat bedrag worden toegedeeld. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Dividend
De man vordert de helft van het dividend dat na oktober 2024 is ontvangen, voor zover dat niet via de bankrekeningen van partijen wordt verdeeld.
Omdat, zoals hiervoor is vastgesteld, de man geen vergoedingsrecht heeft ten aanzien van de vóór het geregistreerd partnerschap gekochte certificaten, kan de man alleen aanspraak maken op een deel van het dividend dat is verkregen op de tot de gemeenschap behorende laatste 1200 certificaten. Het dividend op die certificaten betreft te verdelen vruchten van de gemeenschap.
De rechtbank zal daarom vaststellen dat ieder van partijen de helft van € 5.884,-- vermeerderd met de helft van over deze certificaten na oktober 2024 ontvangen dividend, voor zover dat dividend niet al in de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen is betrokken.
Vergoedingsvorderingen
Een vergoedingsvordering ontstaat onder meer wanneer een partner investeert met privévermogen in het privévermogen van de ander, een gemeenschappelijk goed, of een gemeenschappelijke schuld aflost.
Aflossingen ten laste van de op naam van beide partijen staande bankrekening op de schuld bij Rabobank van de vrouw tijdens de samenwoning van partijen
Partijen zijn het erover eens dat deze schuld een privéschuld is van de vrouw. De man stelt dat hij heeft meebetaald aan de aflossing van deze schuld, omdat de betalingen van de gezamenlijke bankrekening zijn gedaan.
De rechtbank overweegt dat zij niet kan vaststellen dat de man heeft meebetaald aan de aflossingen omdat de op naam van beide partijen staande bankrekening niet meer is dan de bankrekening waarvan het saldo gevormd wordt door geld van de man en geld van de vrouw. Niet gebleken is van welk deel van het saldo de aflossingen zijn gedaan. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
Aflossingen van de schuld bij Rabobank tijdens het geregistreerd partnerschap
Zoals eerder genoemd zijn partijen het erover eens dat de schuld bij Rabobank een privéschuld van de vrouw betreft. Partijen zijn het er ook over eens dat deze schuld is afgelost tijdens het geregistreerd partnerschap en dat de betalingen van de bankrekening op beider naam zijn gedaan. Op grond van 1:94 lid 8 BW wordt die bankrekening, althans het saldo, vermoed gemeenschappelijk te zijn. De rechtbank gaat er daarom, bij gebreke van stukken waar het tegendeel uit af te leiden is, van uit dat de schuld van de vrouw vanuit de gemeenschap is afgelost. Dat betekent dat de vrouw € 3.614,- dient te vergoeden aan de gemeenschap, hetgeen feitelijk met zich brengt dat de vrouw, in het kader van de verdeling, aan de man een bedrag van € 1.807,-- dient te vergoeden.
De aflossing van de studieschulden tijdens de samenleving
Partijen zijn het erover eens dat de studieschulden privéschulden zijn. De man stelt dat hij heeft meebetaald aan de aflossing van de schuld van de vrouw omdat de betalingen van de gezamenlijke bankrekening zijn gedaan.
De rechtbank overweegt ook hier dat zij niet kan vaststellen dat de man heeft meebetaald aan de aflossingen. omdat de bankrekening op naam van beide partijen niet meer is dan de bankrekening waarvan het saldo gevormd wordt door geld van de man en geld van de vrouw. Niet gebleken is van welk deel van het saldo de aflossingen zijn betaald. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
De aflossing van de studieschuld tijdens het geregistreerd partnerschap
Partijen zijn het er over eens dat deze privéschuld is afgelost tijdens het geregistreerd partnerschap en dat de man ter zake een vergoedingsrecht heeft tot een bedrag van
€ 1.409,16. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit tussen partijen, aangegaan op [datum] 2020 te Den Haag;
*
bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats];
*
verklaart voor recht dat het banksaldo per de dag van het geregistreerd partnerschap op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] en het saldo per de dag van het geregistreerd partnerschap op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2]
privé-eigendom zijn van de vrouw;
*
verklaart voor recht dat het saldo op de bank- en spaarrekening met nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] in oktober 2024 in onderling overleg tussen partijen is gedeeld;
*
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1
de helft van de inboedel, in onderling overleg te verdelen;
1.2
de helft van de waarde van de 1200 certificaten op naam van de vrouw,
zijnde € 2.942,-- (de helft van € 5.884,--), vermeerderd met de helft van
over deze certificaten na oktober 2024 ontvangen dividend, voor zover dit niet al in de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen is betrokken;
1.3
de helft van de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw, na
aftrek van het bij aanvang van het geregistreerd partnerschap aanwezige
vermogen;
1.4
de helft van de saldi van de bankrekeningen ten name van de man, na aftrek
van het bij aanvang van het geregistreerd partnerschap aanwezige vermogen en onder aftrek van een bedrag van € 7.941,81;
1.5
de helft van het saldo op de bank- en spaarrekening met nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4], welke deling in oktober 2024 reeds heeft plaatsgevonden, wat feitelijk met zich brengt dat aan de man een bedrag van € 7.941,81 toekomt dat op de op zijn naam staande bankrekening staat en deze vaststelling onder 1.5 niet tot een verdere transactie tussen partijen zal leiden;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1
de helft van de inboedel in onderling overleg te verdelen;
2.2
de helft van de waarde van de 1200 certificaten op naam van de vrouw,
zijnde € 2.942,-- (de helft van € 5.884,--), vermeerderd met de helft van
over deze certificaten na oktober 2024 ontvangen dividend, voor zover dit niet al in de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen is betrokken;
2.3
de helft van de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw, na
aftrek van het bij aanvang van het geregistreerd partnerschap aanwezige
vermogen;
2.4
de helft van de saldi van de bankrekeningen ten name van de man, na aftrek
van het bij aanvang van het geregistreerd partnerschap aanwezige vermogen en onder aftrek van een bedrag van € 7.941,81;
2.5
de helft van het saldo op de bank- en spaarrekening met nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4], welke deling in oktober 2024 reeds heeft plaatsgevonden, wat feitelijk met zich brengt dat aan de man een bedrag van € 7.941,81 toekomt dat op de op zijn naam staande bankrekening staat en deze vaststelling onder 1.5 niet tot een verdere transactie tussen partijen zal leiden;
3. bepaalt dat de vrouw aan de man, ter zake van de aflossing van de schuld bij Rabobank en de studieschuld van de vrouw, dient te voldoen een bedrag van
€ 3.216,16 (€ 1.807,-- + € 1.409,16);
*
verklaart deze beschikking – behoudens voor wat betreft de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 januari 2026.