Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan in 2020 zonder partnerschapsvoorwaarden, waardoor een beperkte gemeenschap van goederen geldt. De vrouw verzocht de ontbinding van het partnerschap wegens duurzame ontwrichting, wat door de man niet werd betwist. De rechtbank wijst het verzoek tot ontbinding toe en kent het huurrecht van de gezamenlijke woning toe aan de man.
De rechtbank stelt vast dat de beperkte gemeenschap van goederen bestaat uit goederen en schulden die vóór en tijdens het partnerschap zijn verkregen of aangegaan, met peildatum 17 februari 2025. De inboedel wordt in onderling overleg bij helfte verdeeld. De 1200 certificaten aangeschaft tijdens het partnerschap behoren tot de gemeenschap en worden gelijk verdeeld, inclusief het dividend na oktober 2024.
De rechtbank oordeelt dat de certificaten die vóór het partnerschap zijn aangeschaft privé-eigendom van de vrouw zijn, ondanks betwisting door de man. Vergoedingsvorderingen van de man wegens aflossingen op schulden worden grotendeels afgewezen, behalve voor de aflossing van de schuld bij Rabobank en de studieschuld tijdens het partnerschap, waarvoor de vrouw aan de man een bedrag van € 3.216,16 moet vergoeden.
De bankrekeningen worden verdeeld waarbij rekening wordt gehouden met het aanwezige vermogen bij aanvang van het partnerschap en eerdere verdelingen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding, en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.