Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2526

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/674802 / FA RK 24-7732
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing kinderalimentatie en aanhouding gezags- en omgangsregeling in belang minderjarige

De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige die bij de moeder woont. De vader verzoekt gezamenlijk gezag en een zorgregeling, terwijl de moeder eenhoofdig gezag en begeleide omgang onder toezicht van een instantie verlangt. De rechtbank constateert verstoorde communicatie en gebrek aan vertrouwen tussen ouders, waardoor omgang momenteel onder begeleiding plaatsvindt.

De rechtbank acht het belang van de minderjarige gediend bij verbetering van de communicatie en het vertrouwen tussen ouders en beveelt deelname aan trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding. Beslissingen over gezag en omgang worden aangehouden tot afronding van deze trajecten en eventuele rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag af, omdat zij dat reeds van rechtswege heeft. De vader wordt veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie van €227 per maand met ingang van 27 november 2025, gebaseerd op een draagkrachtvergelijking waarbij rekening is gehouden met de behoefte van het kind, draagkracht van beide ouders en een zorgkorting.

De ouders spreken af dat de omgang in de overbruggingsperiode begeleid wordt door de grootmoeder en dat zij de rechtbank informeren over het verloop van de trajecten. De rechtbank beveelt rapportage door de hulpverleningsinstanties en de Raad en behoudt zich verdere beslissingen voor na ontvangst van deze rapportages.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om eenhoofdig gezag af, stelt kinderalimentatie vast op €227 per maand en houdt verdere beslissingen over gezag en omgang aan in afwachting van trajecten ouderlijk bemiddeling en omgangsbegeleiding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7732
Zaaknummer: C/09/674802
Datum beschikking: 12 januari 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Beschikking op het op 11 oktober 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schreurs in Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E. van der Meijs in Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • de berichten van 7 november 2024 van de vader, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op
27 november 2025;
  • het bericht van 2 december 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van 8 december 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van 10 december 2025 van de moeder, met bijlage.
Op 15 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Namens de moeder zijn op de zitting nadere stukken overgelegd.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .
  • De vader heeft [de minderjarige] al op 17 augustus 2022 erkend.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
  • [de minderjarige] woont bij de moeder.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de vader voortaan gezamenlijk met de moeder zal zijn belast met de
uitoefening van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;
- een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] de ene week van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur en de andere week van donderdag 13.00 uur tot zaterdagavond
19
uur bij de vader zal zijn, en dat ook de vakanties en feestdagen bij helfte worden
gedeeld, dan wel een zodanige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in het
belang van [de minderjarige] acht.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig, zoals dat na aanvulling nu luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de moeder met onmiddellijke ingang met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
  • te bepalen dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden onder begeleiding van [instantie] , of een andere instantie zoals de rechtbank redelijk acht, waarbij de frequentie en opbouw wordt bepaald door de instantie, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
  • te bepalen dat de vader met ingang van 4 juli 2024, dan wel vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een datum zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht, aan de moeder zal voldoen een bedrag van € 361,- aan kinderalimentatie per maand, wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zulks uiterlijk op de eerste van iedere maand, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Toelaten stukken
Namens de vader is op de zitting bezwaar gemaakt tegen de door de moeder op de zitting overgelegde stukken, waarin zij haar zelfstandige verzoeken aanvult en nu ook verzoekt om haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten.
De rechtbank heeft op de zitting al beslist dat zij het indienen van deze stukken zal toestaan, omdat het gezag al onderdeel van deze procedure is.
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Uit de stukken en dat wat op de zitting met de ouders is besproken, is de rechtbank gebleken dat de ouders al geruime tijd zeer beperkt contact met elkaar hebben, de onderlinge communicatie is verstoord en de moeder geen vertrouwen heeft in de vader, waardoor de vader enkel onder begeleiding van Humanitas omgang met [de minderjarige] heeft. De rechtbank heeft op de zitting besproken dat zij het, net als de Raad en de ouders zelf, van belang acht dat de ouders gaan deelnemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling om hun onderlinge communicatie en het onderlinge vertrouwen te verbeteren in het belang van [de minderjarige] . Op de zitting hebben de ouders vervolgens nadrukkelijk de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank verwacht van de ouders dat zij bij het traject Ouderschapsbemiddeling ook het gezag en de omgangs- c.q. zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] zullen bespreken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van de vader over het gezag en de verzoeken over de omgangs- c.q. zorgregeling aan te houden. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afwijzen bij gebrek aan belang, nu de rechtbank van oordeel is dat de moeder op dit moment van rechtswege met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] belast is. De vader heeft [de minderjarige] in augustus 2022 als ongeboren vrucht erkend. Op grond van de toen geldende wet, doet erkenning van een kind niet van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaan.
De rechtbank is verder van oordeel dat de huidige situatie – waarin [de minderjarige] zeer beperkt omgang heeft met haar vader en de begeleiding bij Humanitas begin 2026 stopt – een toekomstige ontwikkelingsbedreiging kan vormen voor [de minderjarige] . Voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] is het van belang dat het contact met haar vader wordt uitgebreid. De rechtbank acht het van belang dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] begeleid wordt, via deelname aan het traject Omgangsbegeleiding. Dit vanwege de zorgen van de moeder over de veiligheid van [de minderjarige] en het gebrek aan vertrouwen van de moeder in de vader, waardoor zij nu alleen de emotionele toestemming voor contact met de vader kan geven als de omgang begeleid plaatsvindt. In die situatie kan de vader tegenover onafhankelijke derden laten zien hoe zijn contact met [de minderjarige] verloopt en hoe dit contact zich tijdens de begeleiding ontwikkelt. Wanneer de begeleide omgangsmomenten tussen de vader en [de minderjarige] positief verlopen, kan hiermee het vertrouwen van de moeder in de vader worden hersteld. Op de zitting hebben de ouders vervolgens ook nadrukkelijk de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding. De rechtbank verwacht van de ouders dat zij de uitbreiding van de omgang in overleg met de hulpverlenende instantie zullen bepalen, waarbij toegewerkt wordt naar minstens twee uur per week. Daarbij geeft de rechtbank mee dat, mocht de hulpverlenende instantie mogelijkheden zien voor onbegeleid contact dit mogelijk is.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan deze trajecten, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is op 16 december 2025 al per e-mail gezonden aan Enver voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie(s). De rechtbank zal een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking ook per post zenden aan Enver.
Op de zitting hebben de ouders voor de overbruggingsperiode – waarin de begeleide omgang door Humanitas is beëindigd en de begeleiding bij Enver nog niet is gestart – afgesproken dat de oma (moederszijde) in de weekenden waarin zij op zaterdag niet werkt (één zaterdag per 14 dagen), gedurende twee uur de omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal begeleiden. De communicatie over de exacte data zal via de advocaten lopen.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemde trajecten. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van de trajecten indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject/de trajecten onverhoopt niet hebben geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad
noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen, met in ieder geval een advies over het gezag en de omgangs- c.q. zorgregeling. Deze beschikking geldt daarom als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject/de trajecten volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief word(t/en) afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over het gezag, de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden in afwachting van de resultaten van de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding.
Informatieregeling
De ouders zijn op de zitting een informatieregeling overeengekomen, inhoudende dat de moeder de vader één keer per maand per e-mail zal informeren over belangrijke gebeurtenissen (in het leven) van [de minderjarige] . Omdat er geen verzoek tot vaststelling van een informatieregeling voorligt, leent deze afspraak zich niet voor opname in het dictum. De rechtbank gaat er echter wel vanuit dat de moeder zich in het belang van [de minderjarige] aan deze op de zitting gemaakte afspraak zal houden.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 27 november 2025, omdat de vader vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met het exacte verzoek van de moeder.
Behoefte
De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] € 427,- per maand bedraagt in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 455,- per maand.
Draagkracht moeder
Tussen de ouders bestaat discussie over de vraag van welk inkomen aan de zijde van de moeder moet worden uitgegaan. De moeder stelt dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022, 2023 en 2024, die € 6.901,- bedraagt, terwijl de vader stelt dat aan de zijde van de moeder moet worden uitgegaan van een hoger inkomen, nu de winst over de betreffende jaren niet representatief is vanwege de opstartfase van de onderneming in 2022 en 2023 en zij als kapster een inkomen van € 25.000,- per jaar zou moeten kunnen verdienen.
De rechtbank overweegt dat het inkomen van de moeder gelegen is beneden het bestaansminimum en vindt dat het redelijkerwijs van de moeder kan worden verwacht dat zij meer gaat verdienen. Hoewel het de moeder in beginsel vrijstaat om te bepalen hoe veel zij wil werken en om als zelfstandige inkomen te verwerven, kan zij de financiële gevolgen van het geringe inkomen dat zij daarmee verwerft niet afwentelen op de vader in de vorm van een hoger aandeel van de vader in de kosten van [de minderjarige] . De rechtbank acht het redelijk ervan uit te gaan dat de moeder een inkomen kan verdienen van € 25.000,- per jaar en dus dat zij op dit moment een verdiencapaciteit daartoe heeft. Voor zover het de moeder als onderneemster niet lukt om dit inkomen te genereren, mag met het oog op haar onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige] van haar worden verwacht dat zij een dergelijk inkomen in loondienst verwerft.
De rechtbank houdt rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
De rechtbank zal verder rekening houden met een kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.
Gelet op de ingangsdatum, zoals hiervoor is overwogen, rekent de rechtbank met de tarieven van periode 2025-2.
De rechtbank berekent het NBI van de moeder op € 2.489,- per maand en haar draagkracht voor kinderalimentatie op € 303,- per maand.
Draagkracht vader
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de vader € 370,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Zorgkorting
Tussen de ouders is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld minder dan een dag per week omgang heeft met [de minderjarige] , geldt een percentage van 5. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 23,- per maand ((5% van 455 (behoeftebedrag)). De rechtbank gaat ervan uit dat, indien in de toekomst een ruimere omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] tot stand komt, de ouders – eventueel met behulp van hun advocaten – de zorgkorting opnieuw zullen berekenen en de kinderalimentatie op dit punt in onderling overleg zullen aanpassen.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 673,- per maand (€ 303,- + € 370,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 370 / 673 x 455 = € 250,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 303 / 673 x 455 =
€ 205,-
samen € 455,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 250,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 205,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Rekening houdend met de zorgkorting van afgerond € 23,- per maand, zoals hiervoor is overwogen, moet de vader aan de moeder een kinderalimentatie voor [de minderjarige] betalen van (250 – 23 =) € 227,- per maand.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op al het voorgaande bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 27 november 2025, een kinderalimentatie moet betalen voor [de minderjarige] van
€ 227,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. Het meer of anders door de moeder verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekening
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de moeder. Deze berekening is aan de beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

BeslissingDe rechtbank:

*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] (de vader),
wonende in [adres 1] ,
en
[de moeder] (de moeder),
wonende in [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Enver voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
  • Enver, Omgangsbegeleiding, J. van Lennepkade 6, 2802 LH Gouda;
  • de Raad;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemde trajecten;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemde trajecten, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van de processtukken aan de Raad toestuurt;
verzoekt de Raad bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 27 november 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 227,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag af;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgang c.q. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot
1 augustus 2026 pro forma;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 januari 2026.
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
25
70
Winst uit onderneming
25
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
2.861
75
Belastbare winst uit onderneming
19.669
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
19.669
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
7.045
95
Inkomensheffing box 1
7.045
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
25
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
7.045
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
10.061
Inkomen na aftrek inkomensheffing
25
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Arbeidskorting
4.834
jaar
Combinatiekorting
2.159
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
19.669
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
19.669
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
19.669
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
1.035
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
1.035
Bij: Kindgebonden budget
5.9
120
Besteedbaar inkomen
29.865
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
29.865
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.489
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.489
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
747
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.057
136a
Draagkrachtruimte
432
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
303
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
303