ECLI:NL:RBDHA:2026:2527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/671210 / FA RK 24-5943
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:205 lid 1 BWArt. 1:205 lid 1 sub c BWArt. 1:212 BWArt. 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging erkenning minderjarige en vervangende toestemming erkenning met doorverwijzing ouderschapsbemiddeling

De rechtbank Den Haag behandelde twee procedures: een verzoek tot vervangende toestemming erkenning van een minderjarige en een verzoek tot vernietiging van een erkenning van een andere minderjarige. De moeder verzocht de vernietiging van de erkenning van haar kind, omdat de man niet de biologische vader is en de erkenning zou zijn gebruikt voor een verblijfstitel. De rechtbank oordeelde dat de moeder niet-ontvankelijk was, maar vernietigde de erkenning op verzoek van de bijzondere curator namens het kind.

In de procedure tot vervangende toestemming erkenning werd vastgesteld dat de man de biologische vader en verwekker is van de minderjarige. Ondanks het advies van de bijzondere curator om een DNA-onderzoek te gelasten, zag de rechtbank dit niet als noodzakelijk omdat partijen het vaderschap niet betwisten. De rechtbank verleende daarom de vervangende toestemming voor erkenning.

Daarnaast werd een omgangsregeling besproken waarbij partijen het contact willen opbouwen, maar onderlinge communicatie moeizaam verloopt. De rechtbank verwees partijen naar ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding en hield de procedure pro forma aan tot 15 juli 2026. Ook werd een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de man maandelijks informeert over de ontwikkeling van het kind.

Het verzoek tot gezamenlijk gezag werd pro forma aangehouden tot na registratie van de erkenning. De rechtbank gaf de man een termijn om de akte van erkenning aan te leveren en waarschuwde dat bij niet-naleving de zaak kan worden afgedaan. De werkzaamheden van de bijzondere curator werden in beide procedures beëindigd.

Uitkomst: De erkenning van de minderjarige [minderjarige 2] wordt vernietigd en vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige 1] wordt verleend met doorverwijzing naar ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5943 (vervangende toestemming erkenning)
FA RK 25-1745 (vernietiging erkenning)
Zaaknummer: C/09/671210 (vervangende toestemming erkenning)
C/09/681516 (vernietiging erkenning)
Datum beschikking: 12 januari 2026

Vervangende toestemming erkenning

1)
Beschikkingop het op 8 augustus 2024 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres,
advocaat: mr. J.A.E. van Raak-Kuiper te Udenhout.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.E. Palit te Rotterdam,

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1],

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. I. Aardoom-Fuchs,
advocaat te Gouda,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Vernietiging erkenning

2)
Beschikkingop het op 2 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.E. Palit te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres,
advocaat: mr. J.A.E. van Raak-Kuiper te Udenhout,
[minderjarige 2],geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. I. Aardoom-Fuchs,
advocaat te Gouda,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

In de procedure met kenmerk C/09/671210 (vervangende toestemming erkenning)
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 21 augustus 2024 van de man;
  • het F9-formulier van 3 september 2024 van de man;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • het F9-formulier van 28 oktober 2024 van de moeder;
  • het F9-formulier van 28 oktober 2024 van de man;
  • het verweerschrift van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 3 december 2025 van de man.
In de procedure kenmerk C/09/681516 (vernietiging erkenning)
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 7 april 2025 van de man;
  • het F9-formulier van 3 april 2025 van de moeder;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • het F9-formulier van 24 juni 2025 van de man.

Mondelinge behandeling

Op 8 december 2025 zijn de procedures
gecombineerdter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Verzoek en verweer

In procedure met kenmerk C/09/671210 (vervangende toestemming erkenning)
Het verzoek van de man strekt ertoe
  • hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige [minderjarige 1] kan erkennen;
  • een zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige 1], waarbij de zorgregeling wordt uitgebouwd naar een contactregeling van een weekend in de veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen; en aan de moeder een informatieverplichting op teleggen, waarbij de man maandelijks wordt geïnformeerd over de ontwikkeling van [minderjarige 1], vergezeld van een foto;
  • de man samen met de moeder het ouderlijk gezag toe te kennen,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft – onder referte voor de erkenning en de informatieregeling – verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert een DNA-onderzoek uit te voeren om vast te stellen of de man de biologisch vader is van [minderjarige 1]. Als hieruit blijkt dat de man de biologische vader is, adviseert de bijzondere curator het verzoek van de man toe te wijzen.
In procedure kenmerk C/09/681516 (vernietiging erkenning)
Het verzoek van de moeder strekt ertoe de erkenning van de minderjarige [minderjarige 2] door de man te vernietigen, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank in goede justitie geraden acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft aangegeven geen verweer te voeren tegen het verzoek van de moeder.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengeleefd.
  • Uit de moeder is op [geboortedatum 2] 2018 de minderjarige [minderjarige 2] te [geboorteplaats 2] geboren.
  • De man heeft [minderjarige 2] erkend.
  • Partijen zijn daarna ouders geworden van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1].
  • [minderjarige 1] is door de man is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over beide kinderen.
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning van [minderjarige 1] door de man.
  • De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Surinaamse nationaliteit.
  • Bij beschikkingen van deze rechtbank van 12 september 2024 (C/09/671210) en

Beoordeling

In procedure kenmerk C/09/681516 (vernietiging erkenning)
De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek eerst te behandelen, alvorens de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming zal beoordelen.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:205 lid 1 BW Pro kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, worden ingediend bij de rechtbank:
door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.
De moeder beargumenteert haar verzoek als volgt. De man is niet de biologische vader van [minderjarige 2]. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de erkenning door de man als middel is gebruikt om een verblijfstitel te krijgen in Nederland. Zij is onder valse voorwendselen ertoe bewogen hiermee in te stemmen. Nadat zij zich dit realiseerde, heeft zij per 1 augustus 2024 haar eerder verstrekte garantstelling bij de IND ingetrokken. De minderjarige [minderjarige 2] is niet op de hoogte van de erkenning door de man. Hij weet wel wie zijn biologisch vader is en heeft contact met hem. Als uitgangspunt dient te gelden dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming moet worden gebracht met de biologische werkelijkheid. De moeder acht een DNA-onderzoek niet noodzakelijk, omdat tussen partijen geen twijfel bestaat dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige 2].
Uit het verslag van de bijzondere curator volgt dat de man geen bezwaar heeft tegen het verzoek van de moeder, ingeval de biologische vader van [minderjarige 2] hem wil erkennen. De moeder heeft bij de bijzondere curator herhaald dat de man [minderjarige 2] alleen heeft erkend voor een verblijfstitel in Nederland.
De bijzondere curator twijfelt of sprake is van een wilsgebrek conform artikel 1:205 lid 1 onder Pro c BW. Voor haar is onvoldoende vast komen te staan dat sprake is van een dergelijke situatie, zodat de moeder volgens haar niet kan worden ontvangen in haar verzoek. De bijzondere curator neemt dan ook het verzoek over namens [minderjarige 2]. Omdat duidelijk is dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige 2], moet de juridische situatie in overeenstemming worden gebracht met de biologische situatie. Of de biologische vader van [minderjarige 2] hem zal erkennen, is niet van belang voor de toewijzing van dit verzoek tot vernietiging van de erkenning. Wel van belang is dat de geboorteakte van [minderjarige 2] overeenkomt met de werkelijke situatie. De bijzondere curator adviseert de rechtbank dan ook het verzoek van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren en haar verzoek namens [minderjarige 2] tot vernietiging van erkenning toe te wijzen.
De man heeft aangegeven geen verweer te voeren tegen dit verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt. Er is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 1:205 lid 1 sub c BW Pro, zodat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoek. De rechtbank zal de bijzondere curator namens [minderjarige 2] wel ontvangen in haar verzoek. Gelet op de stukken en het besprokene ter zitting staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 2] is. De rechtbank zal daarom het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige 2] door de man toewijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 2] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
In procedure met kenmerk C/09/671210 (vervangende toestemming erkenning)
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1].
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat het van belang is om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Hij is de verwekker en het is in het belang van [minderjarige 1] dat de rol van de man als vader geformaliseerd wordt. Naar zijn mening worden de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] of de belangen van [minderjarige 1] ten gevolge van de erkenning niet geschaad. De man twijfelt niet over het biologisch ouderschap over [minderjarige 1], maar hij zal meewerken aan een eventueel DNA-onderzoek. Dit dient dan wel door beide partijen te worden betaald.
De bijzondere curator constateert dat in beide voorliggende procedures twee kwesties door elkaar lopen: de kwestie rondom de verblijfsstatus van de man enerzijds en deze procedure tot erkenning van [minderjarige 1] anderzijds. Er dient vast komen te staan of de man de biologisch vader van [minderjarige 1] is. De bijzondere curator adviseert daarom een DNA-onderzoek te gelasten, alvorens de vervangende toestemming te verlenen.
De moeder heeft als reactie op het verslag van de bijzondere curator aangegeven dat zij zich hierin kan vinden, maar dat zij geen draagkracht heeft om een DNA-onderzoek te betalen. Bij de moeder bestaat geen twijfel over het biologisch vaderschap van de vader. De moeder stemt in met de erkenning.
De rechtbank overweegt als volgt. De bijzondere curator heeft aangegeven en op de zitting herhaald dat zij wenselijk vindt om een DNA-onderzoek te gelasten, zodat onomstotelijk komt vast te staan dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1]. Dit is besproken met partijen op de zitting. Beide partijen zijn bereid aan een onderzoek mee te werken maar willen beiden niet de kosten voor het DNA-onderzoek (voor de helft) betalen. Zij twijfelen namelijk allebei niet aan het verwekkerschap van de man. De rechtbank is het eens met de bijzondere curator dat het wenselijk is dat er geen twijfel bestaat over het biologisch vaderschap van de man en dat dit vast komt te staan, maar omdat hierover tussen partijen geen twijfel bestaat en dus het verwekkerschap onderling tussen partijen vaststaat, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om een DNA-onderzoek te gelasten. De rechtbank zal dus de vervangende toestemming om [minderjarige 1] te erkennen aan de man verlenen, maar geeft partijen in overweging om – gelet op deze beslissing – de erkenning alsnog samen te regelen, mochten zij daar de ruimte en de mogelijkheid voor zien.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgangs- c.q. zorgregeling
De man verzoekt tevens een omgangsregeling vast te stellen conform een opbouwregeling. De man heeft [minderjarige 1] nog maar mondjesmaat mogen zien en begrijpt dat dit contact moet worden opgebouwd. Het voorstel van de man is om te starten met een of twee uur per week, met een opbouw naar een contactregeling van éénmaal in de twee weken een weekend en de helft van de vakantie en feestdagen.
De moeder stelt dat de voorgestelde opbouwregeling niet in het belang is van [minderjarige 1]. Zij stelt voor om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen waarbij de man eenmaal per week voor twee uur contact heeft met [minderjarige 1]. Als de man deze regeling zes maanden lang nakomt, kunnen partijen in onderling overleg een uitbreiding overeenkomen.
Op de zitting hebben partijen gesproken over een omgangsregeling. Voor de rechtbank is vast komen te staan dat beide partijen welwillend tegenover het contact tussen de man en [minderjarige 1] staan, maar dat het hen onderling niet lukt om hier afspraken over te maken. De communicatie tussen partijen verloopt niet goed. De moeder heeft wel aangegeven dat de man altijd welkom is bij haar en dat het hem vrijstaat om in onderling overleg omgangsmomenten te starten in het bijzijn van de moeder. De moeder heeft er echter moeite mee dat zij niets weet over de man. Zij weet bijvoorbeeld niet waar hij woont. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de man via zijn advocaat aan de advocaat van de moeder zijn adres zal doorgeven. De rechtbank gaat ervanuit dat de man dit ook zal doen.
Om de onderlinge communicatie tussen partijen te verbeteren en ten behoeve van het vormgeven van een uiteindelijke omgangs- c.q. zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1], ziet de rechtbank er belang bij om partijen door te verwijzen naar een traject ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Beide partijen hebben op de zitting de bereidheid voor deelname aan deze trajecten uitgesproken. De rechtbank zal de ouders en [minderjarige 1] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Enver voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Enver. De rechtbank gaat ervan uit dat de man ook zijn woonadres aan de hulpverleningsinstantie zal doorgeven, daar dit nu bij de doorverwijzing van partijen bij de rechtbank onbekend is.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd trajecten. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van de trajecten indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als de trajecten niet hebben geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank zal de procedure, mede gelet op het hierna overwogene over het gezag, pro forma aanhouden. Het staat partijen vrij om in de tussentijd in onderling overleg tot (begeleide) omgangsmomenten te komen totdat zij met de hulpverleningstrajecten kunnen starten. Tijdens de omgangsbegeleiding is het aan partijen om te bespreken hoe de uiteindelijke omgangs- c.q. zorgregeling eruit zal komen te zien. Bij het ouderschapsbemiddelingstraject moeten partijen vooral werken aan het onderlinge vertrouwen en het verbeteren van hun onderlinge communicatie. In afwachting hiervan zal de rechtbank de procedure voor
zes maanden aanhouden, te weten tot 15 juli 2026.
Informatieregeling
De man wenst een informatieregeling waarbij de moeder de man maandelijks informeert over de ontwikkeling van [minderjarige 1], vergezeld van een foto. De moeder heeft ingestemd met dit verzoek om de man eenmaal per maand per e-mail te informeren over [minderjarige 1], waarbij zij ook een foto van [minderjarige 1] zal sturen aan de man. De rechtbank gaat ervanuit dat de moeder deze toezegging in ieder geval voorlopig zal nakomen. Gelet op het hierna overwogene ten aanzien van het gezag zal de rechtbank bij een eindbeslissing definitief beslissen op dit verzoek van de man en dit verzoek nu eveneens pro forma aanhouden.
Gezag
De man verzoekt tevens met het gezamenlijk gezag te worden belast, nadat dit door de vervangende toestemming erkenning juridisch mogelijk is. Hij stelt dat geen sprake is van contra-indicaties op grond waarvan het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag niet gevolgd zou moeten worden. Het is volgens de man in het belang van [minderjarige 1] dat partijen gezamenlijk met het gezag over haar worden belast.
De moeder voert verweer en stelt dat de man te weinig weet over [minderjarige 1] om met het gezag te worden belast. In de toekomst is dit wellicht wel mogelijk. De moeder staat ervoor open om het gezag te delen als partijen weer met elkaar communiceren en erover en weer vertrouwen is.
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige 1] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. De rechtbank zal de zaak daarom eveneens in afwachting van de akte van erkenning
pro forma aanhouden tot 15 juli 2025. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Proceskosten
Nu er nog geen eindbeschikking zal worden gegeven, zal het verzoek met betrekking tot de proceskosten eveneens worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:
in procedure kenmerk C/09/681516 (vernietiging erkenning)
*
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek;
*
vernietigt de erkenning van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2] door [de man], geboren op [geboortedatum 3] 1986 te [geboorteplaats 3] ([land]);
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
in procedure met kenmerk C/09/671210 (vervangende toestemming erkenning)
*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 3] 1986 te [geboorteplaats 3] ([land]) toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 4] 1993 te [geboorteplaats 3] ([land]), vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2024;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
bepaalt dat de man vóór de hierna te noemen pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de man],
(de vader)
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres
en
[de moeder],
(de moeder)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Enver voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Enver, Omgangsbegeleiding, J. van Lennepkade 6, 2802 LH Gouda en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemde trajecten;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemde trajecten, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien de trajecten niet positief zijn afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het
gezag, de omgangs- c.q. zorgregeling, de informatieregeling en de proceskostenaan tot
15 juli 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2026.