ECLI:NL:RBDHA:2026:2528

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/676043 / FA RK 24-8362
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 1:212 BWArt. 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap en kinderalimentatie met gelast DNA-onderzoek

De moeder verzoekt de rechtbank om het vaderschap van de man over haar minderjarige kind gerechtelijk vast te stellen en om kinderalimentatie toe te wijzen. De man is niet erkend als vader en heeft geen verweer gevoerd, noch is hij verschenen op de zitting. De moeder stelt dat zij een relatie had met de man en dat hij de verwekker is, maar de man ontkent contact en weigert medewerking.

De rechtbank benoemt een bijzondere curator voor de minderjarige en overweegt dat, ondanks de stellingen van de moeder, een DNA-onderzoek het meest gerede middel is om het vaderschap vast te stellen. De man wordt verzocht mee te werken aan het onderzoek, waarbij de kosten voorlopig ten laste van de moeder komen, die een toevoeging heeft ontvangen. Indien de man niet meewerkt, kan de rechtbank daaruit de gevolgen trekken die zij passend acht.

De rechtbank gelast het DNA-onderzoek door een deskundige van Verilabs Nederland B.V. en bepaalt dat partijen binnen twee weken een afspraak maken. De beslissing over het vaderschap, de kosten en de kinderalimentatie wordt pro forma aangehouden tot ontvangst van het DNA-rapport. Indien het vaderschap wordt vastgesteld, kan de alimentatie met terugwerkende kracht worden vastgesteld.

De beschikking is uitgesproken door rechter C.L. Strop op 12 januari 2026 en de zaak wordt aangehouden tot 15 april 2026 voor het DNA-rapport en verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank gelast DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen en houdt verdere beslissingen over kinderalimentatie aan tot ontvangst van het rapport.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8362
Zaaknummer: C/09/676043
Datum beschikking: 12 januari 2026

Gerechtelijke vaststelling ouderschap en kinderalimentatie

Beschikking op het op 8 november 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats],

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. G.B. van de Bunt, advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 19 maart 2025 van de moeder, met aanvullend verzoek;
  • het verslag van de bijzondere curator van 14 april 2025;
  • het F9-formulier van 28 mei 2025 van de moeder;
  • het F9-formulier van 27 november 2025 van de moeder, met aanvullend verzoek.
Op 8 december 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator.
De man is, hoewel op de juiste wijze opgeroepen, niet op de zitting verschenen.

Verzoek

Het verzoek van de moeder strekt, na wijziging, tot:
  • gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over voornoemde minderjarige;
  • te bepalen dat de man per datum indiening verzoekschrift een bedrag van € 550,- per maand aan de moeder dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum zoals de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren;
  • indien de rechtbank een DNA-onderzoek gelast, te bepalen dat de man de kosten van dit onderzoek dient te voldoen;
  • indien de rechtbank een DNA-onderzoek gelast en de man hier niet aan meewerkt, het verzoek van de moeder rondom het vaststellen vader het vaderschap en de kinderalimentatie toe te wijzen;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft geen verweer gevoerd.

Feiten

  • Uit de moeder is geboren voornoemde minderjarige.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2025 is mr. G.B. van de Bunt voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW Pro kan – voor zover hier van belang – het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:
a. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
b. het kind.
Uit lid 3 van voornoemd artikel volgt dat het verzoek, indien ingediend door de moeder, moet worden ingediend binnen vijf jaar na de geboorte van het kind.
Nu de moeder het verzoek binnen vijf jaar na geboorte van [minderjarige] heeft ingediend, is zij ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder stelt dat de man de verwekker is van [minderjarige]. De moeder stelt dat zij in 2018 op haar huidige adres is gaan wonen in hetzelfde flatgebouw als de man. Zodoende kwamen zij met elkaar in contact. De moeder en de man hebben voor de duur van vijf maanden een relatie met elkaar gehad en de moeder is in deze periode zwanger geraakt. Dit heeft zij de man verteld, maar de man wilde er volgens haar niets van weten. Na de geboorte van [minderjarige] heeft de moeder geprobeerd de man met [minderjarige] in contact te krijgen. De man deed echter nooit de deur open. Daarna in 2022 heeft de moeder nogmaals een poging gedaan om in contact te komen met de man en hebben partijen weer een relatie gekregen. Toen hebben zij afgesproken dat er contact zou komen tussen de man en [minderjarige]. In september 2022 heeft echter een incident plaatsgevonden waarbij de man heeft gezegd dat [minderjarige] niet zijn kind zou zijn en heeft hij de moeder uitgescholden en vernederd. Voor de moeder is inmiddels duidelijk dat de man geen contact wil met [minderjarige], maar de moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] weet wie haar vader is. Daarom verzoekt zij het ouderschap van de man gerechtelijk vast te stellen. De moeder is bereid mee te werken met een DNA-onderzoek, maar is wel van mening dat voldoende vaststaat dat de man de verwekker is. De moeder verzoekt daarom de man te veroordelen in de kosten van dit onderzoek indien blijkt dat de man de verwekker is. Mocht de man niet meewerken, dan verzoekt de moeder daaraan de conclusie te verbinden die de rechtbank geraden acht.
De man is niet op de zitting verschenen en het is de bijzondere curator niet gelukt om met de man te spreken. Hij is niet op de schriftelijke uitnodiging van de bijzondere curator ingegaan.
De bijzondere curator adviseert een DNA-onderzoek te laten plaatsvinden om vast te kunnen stellen of de man de verwekker is van [minderjarige]. De bijzondere curator vindt het aannemelijk dat de man de verwekker kan zijn van [minderjarige], maar gelet op het ontbreken van hoor en wederhoor adviseert hij een DNA-onderzoek te gelasten, om de stellingen van de moeder te verifiëren. Mocht de man niet meewerken aan dit onderzoek, kan de rechtbank hieraan de door haar geachte geraden gevolgen verbinden.
Hoewel volgens de moeder voldoende aannemelijk is dat de vader de verwekker is van [minderjarige], acht de rechtbank in dit geval voor het vaststellen van het verwekkerschap een DNA-onderzoek het meest gerede middel. Daarmee wordt aan de man de mogelijkheid geboden om zijn verwekkerschap al dan niet aan te tonen. Daarbij speelt een rol dat de rechtbank op geen enkele manier kennis heeft kunnen nemen van de stellingen van de man, omdat hij geen verweer heeft gevoerd, de bijzondere curator het ook niet gelukt is om hem te spreken en hij niet ter zitting is verschenen. De rechtbank zal dan ook een dergelijk onderzoek bevelen.
Nu partijen zich niet hebben uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige zal de rechtbank zoals gebruikelijk na te melden deskundige benoemen. De rechtbank merkt op dat indien de man niet meewerkt aan het onderzoek, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die haar geraden voorkomt, zoals bedoeld in artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Daar de moeder degene is op wie de bewijslast rust, behoren de kosten van het onderzoek voorshands door haar te worden gedragen. Nu haar echter een toevoeging is verleend, zal haar ter zake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd. De moeder en de man dienen er rekening mee te houden dat zij bij de eindbeschikking tot betaling van deze kosten (of ieder een deel ervan) kunnen worden veroordeeld. Bij de beslissing over wie uiteindelijk de kosten moet betalen kan de uitslag van het DNA-onderzoek en de proceshouding van de man van belang zijn.
De rechtbank zal – omdat van de man ter zake zijn medewerking wordt verwacht – vooralsnog de behandeling van het verzoek pro forma aanhouden als na te melden teneinde de moeder in de gelegenheid te stellen bewijs over te leggen van het al dan niet bestaan van het verwekkerschap van de man ten aanzien van [minderjarige] door middel van een rapport van DNA-onderzoek, waaruit in ieder geval tevens blijkt dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld. Het rapport dient voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt.
In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008 houdende de vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap, dat op 1 maart 2009 in werking is getreden, stelt de rechtbank voorts als eis dat uit het rapport dient te blijken dat het onderzoek is verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).
Kinderalimentatie
Nu een DNA-onderzoek wordt gelast, ziet de rechtbank aanleiding iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek van de moeder omtrent de kinderalimentatie in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek eveneens pro forma aan te houden als na te melden. De rechtbank overweegt dat indien het verwekkerschap van de man wordt vastgesteld, dat een eventuele bijdrage aan kinderalimentatie bij een eindbeslissing met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
*
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
1. de man: [de man]
,geboren op [geboortedatum 2] 1973 te [geboorteplaats],
2. de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats],
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden: een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda (telefoonnummer 085-105 1415);
beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs;
bepaalt dat hangende de procedure het ten laste van ’s-Rijks kas betaalde deel van de kosten van het onderzoek voorlopig aan de moeder in debet zal worden gesteld;
bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek uiterlijk op 15 april 2026, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;
bepaalt dat indien partijen aan het hierbij bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling vaderschap, de kosten voor het deskundigenonderzoek en de kinderalimentatie aan tot15 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2026.