Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2533

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/671671 / FA RK 24-6196
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag en omgangsregeling vader met minderjarige kinderen

De vader en moeder zijn de ouders van twee minderjarige kinderen. De moeder heeft het ouderlijk gezag en de kinderen zijn onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming west Zuid-Holland. De vader verzoekt om gezamenlijk gezag en een uitgebreide omgangsregeling, waaronder verblijf bij hem in vakanties en feestdagen.

De moeder voert verweer en stelt dat gezamenlijk gezag niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een constructieve communicatie en het risico dat de kinderen klem raken. Ook wijst zij op een trauma door mishandeling en de bijzondere opvoedbehoefte van de kinderen. De rechtbank oordeelt dat gezamenlijk gezag niet toewijsbaar is omdat de ouders niet in staat zijn tot behoorlijk overleg en het risico op escalatie groot is.

Met betrekking tot de omgang constateert de rechtbank dat de omgang recent is stopgezet na verbaal geweld en dat de kinderen hier onder lijden. De gecertificeerde instelling stelt dat de vader eerst hulpverlening moet ondergaan. De rechtbank volgt dit advies en wijst het verzoek tot omgang en vakantie- en feestdagenregeling af, met het oog op het belang van de kinderen en de tijdelijke aard van de afwijzing.

Uitkomst: Verzoek vader tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling wordt afgewezen vanwege het belang van de kinderen en het onaanvaardbare risico op conflicten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6196
Zaaknummer: C/09/671671
Datum beschikking: 12 januari 2026

Gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 28 augustus 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek in 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam in Leiden.
Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

de gecertificeerde instelling.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 29 augustus 2024 van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van 10 februari 2025 van de vader;
  • het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen op 10 december 2025;
  • het bericht van 10 december 2025 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 12 december 2025 van de moeder, met bijlage.
Op 15 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de advocaat van de moeder;
  • [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] .
  • De vader heeft de kinderen erkend.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juni 2023 de kinderen onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 7 juni 2023 tot 7 juni 2024. Deze maatregel is bij beschikking van 4 juni 2024 verlengd
tot 7 juni 2025, en bij beschikking van 22 mei 2025 verlengd tot 7 juni 2026.
- Bij beschikking van 12 december 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier relevant – bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
voorlopigbij de vader zullen zijn vanaf december 2024 voor één uur per twee weken onder begeleiding, waarbij de regie hierover en over een eventuele uitbreiding van de omgang bij de gecertificeerde instelling ligt.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • te bepalen dat de vader voortaan, samen met de moeder, belast zal zijn met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • een zorg-/omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vast te stellen, in die zin dat zij bij de vader verblijven:
- eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.30 uur, waarbij geldt dat de vader de kinderen op vrijdagmiddag zal ophalen en de moeder de kinderen op zondagavond zal ophalen;
- te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verblijven gedurende de helft van de vakanties en feestdagen volgens onderstaand schema:
- in de even jaren verblijven de kinderen bij de vader gedurende: de voorjaarsvakantie,
de tweede week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie en
de eerste week van de kerstvakantie;
- in de oneven jaren verblijven de kinderen bij de vader gedurende: de eerste week van de meivakantie, de laatste drie weken van de zomervakantie, de herfstvakantie en de
tweede week van de kerstvakantie;
- gedurende de feestdagen verblijven de kinderen volgens onderstaand schema bij de
ouders:
  • Goede vrijdag: volgens reguliere regeling;
  • Eerste paasdag: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • Tweede paasdag: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Koningsdag: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • Hemelvaartsdag: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Eerste pinksterdag: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Tweede pinksterdag: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • Sinterklaas: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Kerstavond: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • Eerste kerstdag: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • Tweede Kerstdag: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Oudejaarsavond: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Nieuwjaarsdag: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Moederdag: bij de moeder;
  • Vaderdag: bij de vader;
  • Verjaardag [minderjarige 1] : even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • Verjaardag [minderjarige 2] : oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
  • Verjaardag vader: bij de vader;
  • Verjaardag moeder: bij de moeder.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag
De vader wil mede belast worden met het gezag over de kinderen. Volgens de vader is gezamenlijk gezag het uitgangspunt, en is geen sprake van de in de wet genoemde uitzonderingsgronden. Hij wil een gelijkwaardige ouderrol in het leven van de kinderen en wil effectief betrokken zijn bij gezagsbeslissingen. Daarnaast is gezamenlijk gezag volgens de vader ook belangrijk voor de lopende ondertoezichtstelling.
Volgens de moeder is er geen basis voor een behoorlijke gezamenlijke uitoefening van het gezag met de vader. De vader komt afspraken niet na, zowel niet met de jeugdbeschermer, met [zorginstantie] , als met de moeder. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij door de vader is mishandeld, waardoor zij een trauma heeft opgelopen en heeft de vader de kinderen al maanden niet gezien. Volgens de moeder zou toewijzing van het verzoek van de vader betekenen dat de kinderen klem en verloren raken.
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. De rechtbank acht de ouders hier niet toe in staat. Het lukt de ouders al lange tijd niet om op een constructieve manier in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren. De rechtbank vreest dat de spanningen tussen de ouders nog verder zullen oplopen als de ouders beslissingen over de kinderen gezamenlijk moeten nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het onaanvaardbare risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders, waarbij niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen en dat afwijzing ook anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten, afwijzen.
Omgang
De vader verzoekt een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. Hij heeft inmiddels ruim een half jaar geen omgang met de kinderen en wenst dat de omgang weer wordt hervat. Volgens de vader is het al jaren een patroon dat wanneer zich een conflict tussen de ouders voordoet, dit tot gevolg heeft dat de omgang tussen hem en de kinderen wordt stopgezet. Hij vindt dit niet in het belang van de kinderen, en vindt het belangrijk dat er een duidelijke omgangsregeling wordt vastgesteld, conform zijn verzoek. Daarbij heeft de vader aangegeven dat hij in de tussentijd bereid is om hulp van [zorginstantie] te aanvaarden.
De moeder wil dat het verzoek van de vader wordt afgewezen. Hoewel zij niet onwelwillend staat tegenover omgang tussen de vader en de kinderen, vindt zij het verzoek van de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen. De moeder geeft aan dat er sprake is van trauma bij zowel haarzelf als de kinderen, en volgens haar dient de vader eerst aan zichzelf te werken, voordat de omgang kan worden hervat. Zij geeft daarbij aan dat de kinderen een bijzondere opvoedbehoefte hebben en dat het noodzakelijk is dat de vader hierbij kan aansluiten.
Met betrekking tot de omgang overweegt de rechtbank dat het kind op grond van artikel 1:377a eerste lid BW recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Op grond van artikel 1:377a derde lid BW ontzegt de rechtbank het recht op omgang slechts, indien: a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij haar verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met haar ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het in beginsel wenselijk is dat er omgang is tussen de vader en de kinderen, acht de rechtbank het – net als de gecertificeerde instelling – in de huidige omstandigheden niet in het belang van de kinderen dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling daarom afwijzen en overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken en uit dat wat op de zitting met de ouders is besproken, is de rechtbank gebleken dat er in het verleden sprake is geweest van verbaal geweld tussen de ouders bij de overdracht. Onder regie van de jeugdbeschermer is de omgang tussen de vader en de kinderen van één uur per twee weken uitgebreid naar vijf uur per twee weken waarbij de oma van vaderszijde bij de overdracht aanwezig zou zijn. Dit verliep aanvankelijk goed totdat de oma niet meer bij de overdracht aanwezig was en er opnieuw sprake was van verbaal geweld bij de overdracht. Bij een overdracht van de kinderen in juni 2025 heeft een escalatie tussen de ouders plaatsgevonden met verbaal geweld waarvan de kinderen getuige zijn geweest. Beide kinderen lijden onder de situatie en [minderjarige 1] laat in en rondom het contact met de vader angst zien. Naar aanleiding daarvan is de voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen stopgezet. De gecertificeerde instelling heeft op de zitting naar voren gebracht dat hulpverlening voor de vader vanuit [zorginstantie] een harde voorwaarde is, voordat de omgang tussen de vader en de kinderen kan worden hervat. Deze hulpverlening vanuit [zorginstantie] is erop gericht dat de vader meer inzicht krijgt in de impact die het verleden en de huidige situatie hebben gehad en nog steeds hebben op de kinderen. De rechtbank acht het net als de gecertificeerde instelling in het belang van de kinderen dat de vader eerst hulpverlening krijgt, en dat op termijn gekeken wordt naar omgang tussen de vader en de kinderen. De rechtbank gaat ervan uit dat, te zijner tijd en zodra dat in het belang van de kinderen wordt geacht, vanuit de gecertificeerde instelling wordt bezien wanneer en op welke manier de omgang tussen de vader en de kinderen weer kan worden opgestart. De rechtbank legt de regie hierover bij de gecertificeerde instelling, waarbij de rechtbank benadrukt dat wat het tempo van de omgang met de vader betreft de draagkracht van de kinderen leidend is.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de verzoeken van de vader ten aanzien van de omgangregeling en de vakantie- en feestdagenregeling zal afwijzen. De rechtbank merkt daarbij op dat elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling van tijdelijke aard is, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden om een omgangsregeling te laten vaststellen.

BeslissingDe rechtbank:

wijst de verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 januari 2026.