ECLI:NL:RBDHA:2026:2607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL25.51035
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:46 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag atheïstische Koerd uit Noordoost-Syrië wegens motiveringsgebrek

Eiser, een atheïstische Koerd uit de Koerdische regio Al-Hasakah in Syrië, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De minister baseerde zijn besluit op het standpunt dat atheïsten en Koerden in Syrië niet als risicogroepen worden beschouwd en dat eiser geen persoonlijke vervolgingsvrees aannemelijk had gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging zou hebben, mede gezien de recente ontwikkelingen in Noordoost-Syrië die niet in het landgebonden beleid waren verwerkt. De minister had onvoldoende rekening gehouden met de veranderde machtsverhoudingen en de onduidelijke veiligheidssituatie.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51035
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft zijn land moeten verlaten omdat hij een Koerdische atheïst is. Bij terugkeer vreest eiser voor zijn leven. Eiser vreest voor alle moslims, de Syrische regering en voor een man genaamd [naam] , die hem met de dood heeft bedreigd nadat eiser weigerde zich aan te sluiten bij de Koerdische strijdkrachten (PKK/YPG).
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2) Dat eiser atheïst is;
3) Dat eiser Koerd is en hierdoor problemen verwacht bij terugkeer; en
4) Dat eiser in het verleden is benaderd door PKK en bij terugkeer verwacht opnieuw benaderd te worden.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig zijn. De minister heeft het derde en vierde asielmotief niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat deze asielmotieven volgens de minister hoe dan ook geen aanleiding geven tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
8. In het kader van de zwaarwegendheid van het tweede asielmotief, stelt de minister zich op het standpunt dat bekeerlingen voor Syrië niet zijn gekwalificeerd als risicogroep. Dat volgt uit paragraaf C7/33.4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn atheïsme. De minister overweegt dat, hoewel atheïsten een minderheid zijn in Syrië, dit niet betekent dat eiser daardoor persoonlijk te vrezen heeft. Ook voor zover eiser zich beroept op de recente machtswisseling waarbij Ahmed al-Sharaa is benoemd tot interim-president van Syrië, leidt dit volgens de minister niet tot een gegronde vrees bij terugkeer omdat niet aannemelijk is dat juist eiser in het bijzonder te maken zal krijgen met vervolging vanwege zijn religie bij terugkeer.
9. Ten aanzien van het derde asielmotief overweegt de minister dat Koerden voor Syrië ook niet zijn gekwalificeerd als risicogroep. Het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 rapporteert zelfs een verbetering van de positie van Koerden na de val van Assad. Verder blijkt uit hetzelfde Algemeen Ambtsbericht niet van gericht geweld tegen Koerden in de provincie Hasaka , waar eiser vandaan komt en waar een grote Koerdische bevolkingsgroep woonachtig is. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De discriminatie die eiser stelt te ondervinden kan daarom volgens de minister niet worden aangemerkt als daad van vervolging. Ook heeft eiser met zijn verklaringen volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk, vanwege zijn etniciteit, in de problemen zal komen bij terugkeer. Ten slotte overweegt de minister dat, nu eiser nooit persoonlijke problemen heeft ondervonden met de autoriteiten, ook daarin geen aanknopingspunt bestaat dat hij te vrezen heeft vanwege zijn etniciteit.
10. Ten aanzien van het vierde asielmotief overweegt de minister als volgt. Eiser heeft sinds zijn vertrek uit Syrië niets meer vernomen van de man genaamd [naam] , door wie eiser werd benaderd met de vraag of hij zich wilde aansluiten bij de Koerdische strijdkrachten. Eiser heeft niet geconcretiseerd dat [naam] nog altijd op zoek is naar eiser. Eiser heeft zijn vrees voor [naam] daarom niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser stelt dat hij in zijn algemeenheid, los van [naam] , te vrezen heeft voor rekrutering voor de Koerdische strijdkrachten, stelt de minister zich op het standpunt dat eiser deze vrees eveneens niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit objectieve bronnen volgt namelijk dat niet aannemelijk is dat eiser met de leeftijd van 41 jaar nog gerekruteerd zal worden. De minister wijst er bovendien op dat dienstweigering formeel niet wettelijk strafbaar is in Syrië en dat de autoriteiten voor zover bekend geen actieve strafvervolging inzetten tegen weigeraars.
11. Gelet op het voorgaande, concludeert de minister dat eiser geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw krijgt.
12. Ten aanzien van de vrees van eiser voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië overweegt de minister dat uit het landenbeleid Syrië volgt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat volgt uit paragraaf C7/33.4.2 van de Vc. Aangezien eiser volgens de minister geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risico verhogende omstandigheid, stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van zwaarwegende gronden om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico zou lopen op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De minister concludeert dat eiser daarom ook geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw krijgt.

De beroepsgronden

13. Eiser voert aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser als atheïstische Koerd een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser betoogt dat de minister te makkelijk voorbij gaat aan de situatie sinds de machtsovername in Syrië. Eiser verwijst onder meer naar een notitie van Vluchtelingenwerk van 10 april 2025 waaruit volgt dat de ideeën van het leiderschap en de leden van de interim-regering extreem blijven. Afvalligheid van de islam zal volgens eiser dan ook niet getolereerd worden. Ook zal hij als terugkerende Koerd naar Koerdisch gebied gevaar lopen.

Het oordeel van de rechtbank

14. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser als atheïstische Koerd afkomstig uit Hasaka in Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd dat bekeerlingen/atheïsten en Koerden volgens het landgebonden beleid Syrië niet als risicogroep worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het licht van de recente ontwikkelingen in het Koerdisch gebied in het Noordoosten van Syrië, op dit punt niet worden volstaan met het verwijzen naar het landgebonden beleid zoals neergelegd in paragraaf C7 van de Vc, dat voor het laatst in juni 2025 is gewijzigd. De beleidswijziging van juni 2025 is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 waarin geen rekening is gehouden met de recente ontwikkelingen in Noordoost-Syrië.
15. De minister heeft zijn standpunt, dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn atheïsme, ook nog gebaseerd op de belofte van al-Sharaa dat eenieder ongestoord zijn religie kan blijven uitoefenen en op een grondwettelijke verklaring van 13 maart 2025 die vrijheid van geloof garandeert. De rechtbank oordeelt dat ook dit, mede in het licht van de recente ontwikkelingen en de onduidelijke machtsverhoudingen in Noordoost-Syrië, onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat eiser niet vervolgd zal worden vanwege zijn atheïsme.
16. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De gemachtigde van de minister bleek op de zitting niet in staat om te reageren op de vraag of de recente ontwikkelingen in Syrië invloed (moeten) hebben op het standpunt van de minister of op de manier waarop het landenbeleid geïnterpreteerd moet worden en daarmee het bestreden besluit op dit punt aan te vullen. Het beroep van eiser is daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven hier dan ook geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
18. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
19. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 14 oktober 2025;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.