Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister was opgedragen binnen zestien weken te beslissen. Omdat de minister deze termijn heeft overschreden, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank overweegt dat een ingebrekestelling in dit geval niet vereist is vanwege de uitdrukkelijke termijn in de eerdere uitspraak. De overschrijding van de wettelijke beslistermijn van 21 maanden wordt meegewogen bij het bepalen van een nieuwe termijn. Daarnaast is gebleken dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van acht weken op en verbindt daaraan een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.