ECLI:NL:RBDHA:2026:2616

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4612
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens te late opheffing bewaring vreemdeling

Eiser werd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht naar Oostenrijk volgens de Dublinverordening. Verweerder voerde meerdere gronden aan, waaronder onttrekking aan toezicht en het ontbreken van een vaste woonplaats. Eiser betwistte zijn illegale verblijfstatus en stelde dat hij rechtmatig verblijf had in Spanje vanwege zijn relatie met een Spaanse vrouw.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende onderzoek had gedaan naar het verblijfsrecht van eiser en dat de bewaring terecht was opgelegd. Ook de staandehouding en ophouding waren rechtmatig vanwege het redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De gronden voor bewaring, waaronder onttrekking aan toezicht en het ontbreken van een vaste woonplaats, waren voldoende onderbouwd.

Eiser voerde aan dat er geen zicht was op overdracht en dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, maar deze gronden werden verworpen. Wel stelde de rechtbank vast dat de bewaring vanaf 20 januari 2026 onrechtmatig was omdat verweerder de maatregel te laat had opgeheven na indiening van een aanvraag toetsing EU-recht.

De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe van €240,- voor twee dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.868,-. Het beroep werd gegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding toe wegens te late opheffing van de bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4612

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 21 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Grondslag van de bewaring
2. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld omdat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht vanwege zijn relatie met een Spaanse vrouw. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar dit verblijfsrecht. Zo had verweerder in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling meer vragen moeten stellen over eisers relatie in Spanje. Verder heeft verweerder de Spaanse autoriteiten van onvoldoende informatie voorzien. Ter onderbouwing van het gestelde verblijfsrecht verwijst eiser naar een Spaanstalig document, dat als bijlage bij zijn inmiddels in Nederland ingediende ‘aanvraag toetsing EU-recht’ is gevoegd. Het voorgaande maakt volgens eiser dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is.
2.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Tijdens het verhoor gedurende de ophouding heeft eiser verklaard dat hij getrouwd is met een vrouw in Spanje, dat zijn vrouw aanvragen daar heeft ingediend en dat hij zijn verblijfsvergunning in februari zal krijgen. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij geregistreerd staat bij de Spaanse autoriteiten en dat hij in Spanje niet illegaal is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder tijdens het gehoor voldoende doorgevraagd op dit punt. Verweerder heeft naar aanleiding van eisers verklaringen ook onderzoek gedaan bij de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben in reactie hierop aangegeven dat eiser geen verblijfsstatus heeft in Spanje. Dat verweerder onvoldoende informatie aan de Spaanse autoriteiten heeft verstrekt, volgt de rechtbank niet. Uit de dossierstukken blijkt namelijk dat verweerder eisers personalia, zijn woonadres in Spanje en zijn Marokkaanse paspoort met de Spaanse autoriteiten heeft gedeeld. Tevens is in de onderzoeksvraag aangegeven dat eiser aangeeft een aanvraag voor verblijf te hebben lopen in Spanje. Gelet op de uitkomst van verweerders onderzoek en omdat eiser zijn gestelde verblijfsrecht in Spanje ten tijde van de inbewaringstelling geenszins kon onderbouwen, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien af te zien van inbewaringstelling. Omdat uit Eurodac was gebleken dat eiser eerder, op 29 augustus 2023, in Oostenrijk een asielaanvraag had ingediend, bestond er een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Verweerder heeft eiser daarom terecht op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Staandehouding en ophouding
3. Eiser betoogt dat hij ten onrechte is staandegehouden omdat er op dat moment geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Daarnaast was de grondslag voor de ophouding onjuist omdat eiser een aanvraag had lopen in Spanje waardoor hij procedureel verblijfsrecht had.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat er ten tijde van eisers staandehouding sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Eiser kon op dat moment immers niet aannemelijk maken dat hij rechtmatig in Nederland verbleef. Eiser is dan ook terecht op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw staande gehouden. Verweerder heeft eiser vervolgens ook terecht op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw opgehouden, omdat aan de hand van eisers Marokkaanse paspoort zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en niet onmiddellijk bleek dat hij rechtmatig verblijf had. Deze beroepsgronden slagen niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
4.1.
Eiser betwist alle gronden. Hij stelt daartoe dat hij een verblijfsrecht heeft in Spanje.
4.2.
Verweerder heeft ter zitting de lichte gronden 4d en 4f laten vallen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval de zware grond 3b en de lichte grond 4c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware grond 3b kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser heeft van zijn onrechtmatig verblijf geen mededeling gedaan aan de korpschef, terwijl hij al twee weken in Nederland was. Hierdoor heeft hij zich aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Verweerder heeft de zware grond 3b dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring. Daarnaast is eiser niet op een adres ingeschreven in de Basisregistratie personen. Verweerder heeft het onttrekkingsrisico vanwege deze grond voldoende toegelicht in de maatregel. Dus ook grond 4c is terecht aan eiser tegengeworpen.
4.4.
De gronden 3b en 4c konden, in onderling verband bezien, naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
5. Eiser voert aan dat er geen zicht op overdracht naar Oostenrijk bestond. Ook in dit verband stelt hij dat hij een verblijfsrecht heeft in Spanje.
5.1.
De rechtbank heeft in overweging 2.1. al overwogen dat er ten aanzien van eiser een concreet aanknopingspunt bestond voor een Dublinoverdracht aan Oostenrijk. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voorafgaand aan de opheffing van de maatregel dan ook zicht op een overdracht binnen een redelijke termijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Daartoe stelt hij dat hij bij zijn neef had kunnen verblijven
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank verwijst daarbij naar de gronden 3b en 4c die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en naar het significante onttrekkingsrisico dat uit het samenstel daarvan volgt. De omstandigheid dat eiser bij zijn neef had kunnen verblijven, doet aan dat onttrekkingsrisico niet af. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de bewaring op enig moment onevenredig bezwarend voor hem is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
Te late opheffing van de maatregel
7. Eiser voert aan dat de maatregel te laat is opgeheven, omdat eiser op 20 januari 2026 een aanvraag ‘toetsing aan het EU-recht familielid van de burger van de Unie’ heeft ingediend en verweerder de maatregel van bewaring pas de volgende dag, op 21 januari 2026, heeft opgeheven.
7.1.
Eiser heeft op 20 januari 2026 een aanvraag ‘toetsing aan het EU-recht familielid van de burger van de Unie’ ingediend. Verweerder heeft op 21 januari 2026 de maatregel opgeheven vanwege ‘aanknopingspunten EU-recht’. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel vanwege de ingediende aanvraag vanaf 20 januari 2026 niet meer rechtmatig kon worden voortgezet. De bewaring was dus vanaf 20 januari 2026 onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat het beroep gegrond is.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op een eerder moment dan 20 januari 2026 onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond.
10. Aan eiser wordt een schadevergoeding toegekend voor 2 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, ter hoogte van € 240,- (= 2 x € 120,- (verblijf detentiecentrum)).
11. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de in verband met de beroepen door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de gevoegde behandeling ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser
van € 240,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze
schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.