6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een spreekkamer van een gezondheidscentrum. Door het handelen van de verdachte is schade ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte met zijn handelen onaanvaardbare risico’s genomen. Hij heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat brandstichting een bijzonder destructief en gevaarzettend feit is. Het is een gelukkige omstandigheid dat de brand niet ernstiger schade heeft veroorzaakt. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot zijn daad is gekomen en dat hij angst heeft veroorzaakt bij de aanwezigen in het gezondheidscentrum. Mogelijk zullen zij zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen werkomgeving. De verdachte had alleen oog voor zijn eigen belang, te weten het bewerkstelligen dat hij hulp en/of medicijnen zou krijgen.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan twee vernielingen door met stenen de ruiten van twee panden van hulpverleningsinstanties in te gooien. Ook hier is de verdachte tot zijn daad gekomen omdat hij geen hulp en/of medicijnen zou krijgen. Door zo te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen en heeft hij bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. Ook heeft de verdachte met zijn handelen schade veroorzaakt.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 november 2025. Daaruit volgt – onder andere – dat de verdachte in 2019 is veroordeeld tot een tbs-maatregel met voorwaarden voor soortgelijke delicten. Deze maatregel is in januari 2024 beëindigd.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapporten van drs. H.F. Baas, GZ-psycholoog, en van A.C. Hoek, psychiater, van respectievelijk 22 november 2025 en 25 september 2025. Nu de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek door de Pro Justitia rapporteurs, kunnen de rapporteurs geen antwoord geven op de gestelde vragen over de geestesgesteldheid van de verdachte, de mate van toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten en het eventuele recidivegevaar.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een Pro Justitia rapport van I. Maksimović, psychiater, van 25 augustus 2023 dat is uitgebracht ten behoeve van de verlenging van de tbs-maatregel die in 2019 aan de verdachte is opgelegd.
De rapporteur heeft geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van schizofrenie, een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van diverse verdovende middelen.
Het risico op gewelddadig gedrag vloeit voort uit de stoornissen van de verdachte. Vanuit de schizofrenie kan hij psychotisch worden, wat kan leiden tot een algehele ontregeling. Dat kan op zijn beurt een negatieve weerslag hebben op de impuls- en agressieregulatie van de verdachte. Het risico op gewelddadig gedrag vloeit tevens voort uit de autismespectrumstoornis van de verdachte, waardoor hij kwetsbaarder is voor ontregeling, minder rekening kan houden met (belangen van) anderen en de neiging heeft om repetitief gedrag te vertonen, onder meer op het gebied van middelengebruik. Ten slotte is het zo, dat stelselmatig middelengebruik leidt tot ontregeling en tot verlaging van de drempel voor impulsief gedrag en agressie.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils van 18 december 2025.
De rapporteur schat het risico op recidive als gemiddeld in. Ten tijde van onderhavige tenlastelegging was er bij de verdachte vrijwel geen sprake van beschermende factoren. De zorgprothese die om de verdachte was heen gebouwd ten tijde van de eerder aan hem opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden heeft de verdachte niet kunnen vasthouden, waardoor hij is teruggevallen in middelengebruik met onderhavige tenlastelegging tot gevolg.
De reclassering ziet de noodzaak tot het inzetten van nieuwe interventies voor de verdachte, om de kans op recidive terug te dringen. Op basis van de huidige informatie acht de reclassering een (klinische) behandeling nodig in verband met de terugval van de verdachte in drugsgebruik, zijn psychosen en omdat het hem ontbreekt aan huisvesting en dagbesteding. Door de weigering van de verdachte om met de Pro Justitia rapporteurs in gesprek te gaan, heeft de reclassering geen gedragsdeskundige onderbouwing voor het opstellen van een passend plan van aanpak.
De reclassering adviseert negatief met betrekking tot de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden. De verdachte heeft laten weten dat hij niet nogmaals een tbs-maatregel opgelegd wil krijgen. Zodoende zal hij zich niet committeren aan de door de reclassering noodzakelijk gevonden voorwaarden. Wel wil hij zich aan bijzondere voorwaarden houden in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf, zoals een klinische behandelverplichting, het meewerken een urinecontroles en reclasseringstoezicht.
De reclassering is echter van mening dat dit kader onvoldoende waarborg biedt voor de behandeling die de verdachte nodig heeft gezien de hardnekkige verslavingsproblematiek van de verdachte. Het risico dat de verdachte on(voldoende)behandeld terugkeert in de maatschappij wordt hierbij groot geacht.
De reclassering adviseert dan ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in aanvulling op een straf of maatregel.
De verdachte heeft laten zien dat het hem niet zelfstandig lukt om zijn leven op de rails te houden, ondanks de inzet van vrijwillige hulpverlening. Zodoende wordt de inzet van een verplichtend kader geïndiceerd. Binnen een langdurig toezicht lukt het de verdachte wellicht wel om abstinent te blijven, waardoor de kans op recidive afneemt en langer bestendigd kan worden. De verdachte staat open voor een langdurig toezicht in het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, wat door de reclassering als passend wordt beschouwd om na een eventuele straf of maatregel op te leggen, zodat de kans op terugval langduriger kan worden beperkt.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Op grond van het Pro Justitia rapport van 25 augustus 2023 concludeert de rechtbank dat er bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake is van schizofrenie, een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van diverse verdovende middelen en dat deze stoornissen zijn gedragskeuzes beïnvloedden. Hoewel voornoemd rapport meer dan twee jaar oud is, heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat de inhoud van dit rapport inmiddels achterhaald is. De rechtbank is op grond van voornoemd rapport en de overige stukken in het dossier van oordeel dat de psychische problematiek bij de verdachte nog steeds aanwezig is. De bewezen verklaarde feiten kunnen de verdachte dan ook in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.
De rechtbank volgt de conclusie van de reclassering dat bij de verdachte sprake is van een gemiddeld recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve behandeling en begeleiding noodzakelijk is.
De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf is om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daaraan zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbinden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, ook als dat inhoudt een kortdurende klinische opname, begeleid wonen en meewerken aan middelencontrole. Die voorwaarden worden opgelegd om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank zal niet de tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte opleggen. Hoewel strikt genomen aan de formele vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan en er een zeker gevaar voor goederen uitgaat van genoemde stoornis, is dat gevaar op dit moment niet zo groot dat er sprake is van een situatie dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel vereist. Naar het oordeel van de rechtbank kan op dit moment worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel om het recidivegevaar te kunnen beperken, mede gelet op het ziekte-inzicht van de verdachte en zijn gemotiveerde houding om mee te werken aan bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel.
De maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr, zoals door de reclassering geadviseerd, is niet mogelijk, nu de verdachte niet wordt veroordeeld voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.