ECLI:NL:RBDHA:2026:2627

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
09/219770-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting en vernieling met verminderde toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank Den Haag heeft op 13 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die op 24 juli 2025 brand heeft gesticht in een spreekkamer van een gezondheidscentrum en twee ruiten heeft vernield bij panden van hulpverleningsinstanties in Den Haag.

De verdachte heeft de feiten bekend en de rechtbank heeft deze wettig en overtuigend bewezen verklaard. De verdachte leed aan schizofrenie, een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van verdovende middelen, waardoor de toerekeningsvatbaarheid werd verminderd. De rechtbank heeft rekening gehouden met deze psychische problematiek bij de strafoplegging.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tijdens de proeftijd gelden bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandelverplichting, begeleid wonen en medewerking aan middelencontrole. De tbs-maatregel met dwangverpleging is niet opgelegd vanwege het huidige veiligheidsrisico en de gemotiveerde houding van de verdachte.

De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding wegens gebrek aan vertegenwoordiging, en kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen zijn verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, zonder oplegging van tbs-maatregel met dwangverpleging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/219770-25
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in [instelling 1] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 november 2025 (pro forma) en 30 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.M. de Vries en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.A. Aaldijk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 24 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur en/of een aansteker in aanraking te brengen met een doek en/of een rol papier, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een behandeltafel en/of andere goederen in de spreekkamer te duchten was;
2
hij op of omstreeks 24 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [instelling 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 24 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een gebouw aan [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf] B.V., toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij op 24 juli 2025 brand heeft gesticht in een spreekkamer van [instelling 3] aan [adres 3] in Den Haag (feit 1), dat hij een ruit heeft vernield bij het pand van [instelling 2] aan [adres 4] te Den Haag en bij het pand van [instelling 4] aan [adres 5] te Den Haag (de feiten 2 en 3).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft
in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen.
De rechtbank zal met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 24 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een doek, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een behandeltafel en andere goederen in de spreekkamer te duchten was;
2
hij op 24 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die aan een ander, te weten aan [instelling 2] , toebehoorde heeft vernield;
3
hij op 24 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een gebouw aan [adres 2] , die aan een ander, te weten aan [bedrijf] B.V., toebehoorde heeft vernield.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) en de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht aan de verdachte, gelet op de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen, al dan niet aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden en een lange proeftijd. Zij acht een tbs-maatregel met dwangverpleging niet op zijn plaats.
Gelet op het vorenstaande is de raadsvrouw van mening dat het opleggen van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr, zoals door de reclassering geadviseerd, niet mogelijk is, nu de verdachte niet wordt veroordeeld voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een spreekkamer van een gezondheidscentrum. Door het handelen van de verdachte is schade ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte met zijn handelen onaanvaardbare risico’s genomen. Hij heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat brandstichting een bijzonder destructief en gevaarzettend feit is. Het is een gelukkige omstandigheid dat de brand niet ernstiger schade heeft veroorzaakt. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot zijn daad is gekomen en dat hij angst heeft veroorzaakt bij de aanwezigen in het gezondheidscentrum. Mogelijk zullen zij zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen werkomgeving. De verdachte had alleen oog voor zijn eigen belang, te weten het bewerkstelligen dat hij hulp en/of medicijnen zou krijgen.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan twee vernielingen door met stenen de ruiten van twee panden van hulpverleningsinstanties in te gooien. Ook hier is de verdachte tot zijn daad gekomen omdat hij geen hulp en/of medicijnen zou krijgen. Door zo te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen en heeft hij bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. Ook heeft de verdachte met zijn handelen schade veroorzaakt.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 november 2025. Daaruit volgt – onder andere – dat de verdachte in 2019 is veroordeeld tot een tbs-maatregel met voorwaarden voor soortgelijke delicten. Deze maatregel is in januari 2024 beëindigd.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapporten van drs. H.F. Baas, GZ-psycholoog, en van A.C. Hoek, psychiater, van respectievelijk 22 november 2025 en 25 september 2025. Nu de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek door de Pro Justitia rapporteurs, kunnen de rapporteurs geen antwoord geven op de gestelde vragen over de geestesgesteldheid van de verdachte, de mate van toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten en het eventuele recidivegevaar.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een Pro Justitia rapport van I. Maksimović, psychiater, van 25 augustus 2023 dat is uitgebracht ten behoeve van de verlenging van de tbs-maatregel die in 2019 aan de verdachte is opgelegd.
De rapporteur heeft geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van schizofrenie, een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van diverse verdovende middelen.
Het risico op gewelddadig gedrag vloeit voort uit de stoornissen van de verdachte. Vanuit de schizofrenie kan hij psychotisch worden, wat kan leiden tot een algehele ontregeling. Dat kan op zijn beurt een negatieve weerslag hebben op de impuls- en agressieregulatie van de verdachte. Het risico op gewelddadig gedrag vloeit tevens voort uit de autismespectrumstoornis van de verdachte, waardoor hij kwetsbaarder is voor ontregeling, minder rekening kan houden met (belangen van) anderen en de neiging heeft om repetitief gedrag te vertonen, onder meer op het gebied van middelengebruik. Ten slotte is het zo, dat stelselmatig middelengebruik leidt tot ontregeling en tot verlaging van de drempel voor impulsief gedrag en agressie.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils van 18 december 2025.
De rapporteur schat het risico op recidive als gemiddeld in. Ten tijde van onderhavige tenlastelegging was er bij de verdachte vrijwel geen sprake van beschermende factoren. De zorgprothese die om de verdachte was heen gebouwd ten tijde van de eerder aan hem opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden heeft de verdachte niet kunnen vasthouden, waardoor hij is teruggevallen in middelengebruik met onderhavige tenlastelegging tot gevolg.
De reclassering ziet de noodzaak tot het inzetten van nieuwe interventies voor de verdachte, om de kans op recidive terug te dringen. Op basis van de huidige informatie acht de reclassering een (klinische) behandeling nodig in verband met de terugval van de verdachte in drugsgebruik, zijn psychosen en omdat het hem ontbreekt aan huisvesting en dagbesteding. Door de weigering van de verdachte om met de Pro Justitia rapporteurs in gesprek te gaan, heeft de reclassering geen gedragsdeskundige onderbouwing voor het opstellen van een passend plan van aanpak.
De reclassering adviseert negatief met betrekking tot de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden. De verdachte heeft laten weten dat hij niet nogmaals een tbs-maatregel opgelegd wil krijgen. Zodoende zal hij zich niet committeren aan de door de reclassering noodzakelijk gevonden voorwaarden. Wel wil hij zich aan bijzondere voorwaarden houden in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf, zoals een klinische behandelverplichting, het meewerken een urinecontroles en reclasseringstoezicht.
De reclassering is echter van mening dat dit kader onvoldoende waarborg biedt voor de behandeling die de verdachte nodig heeft gezien de hardnekkige verslavingsproblematiek van de verdachte. Het risico dat de verdachte on(voldoende)behandeld terugkeert in de maatschappij wordt hierbij groot geacht.
De reclassering adviseert dan ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in aanvulling op een straf of maatregel.
De verdachte heeft laten zien dat het hem niet zelfstandig lukt om zijn leven op de rails te houden, ondanks de inzet van vrijwillige hulpverlening. Zodoende wordt de inzet van een verplichtend kader geïndiceerd. Binnen een langdurig toezicht lukt het de verdachte wellicht wel om abstinent te blijven, waardoor de kans op recidive afneemt en langer bestendigd kan worden. De verdachte staat open voor een langdurig toezicht in het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, wat door de reclassering als passend wordt beschouwd om na een eventuele straf of maatregel op te leggen, zodat de kans op terugval langduriger kan worden beperkt.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Op grond van het Pro Justitia rapport van 25 augustus 2023 concludeert de rechtbank dat er bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake is van schizofrenie, een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van diverse verdovende middelen en dat deze stoornissen zijn gedragskeuzes beïnvloedden. Hoewel voornoemd rapport meer dan twee jaar oud is, heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat de inhoud van dit rapport inmiddels achterhaald is. De rechtbank is op grond van voornoemd rapport en de overige stukken in het dossier van oordeel dat de psychische problematiek bij de verdachte nog steeds aanwezig is. De bewezen verklaarde feiten kunnen de verdachte dan ook in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.
De rechtbank volgt de conclusie van de reclassering dat bij de verdachte sprake is van een gemiddeld recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve behandeling en begeleiding noodzakelijk is.
De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf is om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daaraan zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbinden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, ook als dat inhoudt een kortdurende klinische opname, begeleid wonen en meewerken aan middelencontrole. Die voorwaarden worden opgelegd om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank zal niet de tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte opleggen. Hoewel strikt genomen aan de formele vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan en er een zeker gevaar voor goederen uitgaat van genoemde stoornis, is dat gevaar op dit moment niet zo groot dat er sprake is van een situatie dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel vereist. Naar het oordeel van de rechtbank kan op dit moment worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel om het recidivegevaar te kunnen beperken, mede gelet op het ziekte-inzicht van de verdachte en zijn gemotiveerde houding om mee te werken aan bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel.
De maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr, zoals door de reclassering geadviseerd, is niet mogelijk, nu de verdachte niet wordt veroordeeld voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7.De vordering van de benadeelde partij

[instelling 3]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 472,05, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, nu de benadeelde partij een rechtspersoon betreft en niet is gebleken dat de persoon die de vordering namens de rechtspersoon heeft ondertekend en ingediend, gemachtigd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Bij de vordering is daartoe ook niet – zoal in zo’n geval vaak wordt gedaan – een uittreksel van de Kamer van Koophandel gevoegd.
De benadeelde partij alsnog de gelegenheid hiervoor geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van feit 3
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
3 (DRIE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, [adres 6] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich -indien dat tijdens de proeftijd noodzakelijk is- laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- zich gedurende de proeftijd verplicht ten behoeve van de controle op het gebruik van alcohol en/of verdovende middelen mee te werken aan bloed-, adem- of urineonderzoek;
geeft opdracht aan het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
bepaalt dat de benadeelde partij
[instelling 3]niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.R.F. van Engelen, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2026.