AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring en uitzetting naar Marokko
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is sinds 30 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.
De rechtbank toetst het voortduren van de bewaring vanaf 24 december 2025, omdat het eerdere beroep tot die datum rechtmatig was. Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting vanwege de lange duur van de laissez-passer aanvraag en dat de overheid onvoldoende voortvarend handelt. Tevens voert hij aan dat de maximale duur van 18 maanden in detentie is overschreden.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede door de opschaling bij de Marokkaanse consul-generaal en de voortgangsrapportage. De overheid handelt voortvarend met regelmatige vertrekgesprekken en rappels aan de ambassade. Eiser voldoet niet aan zijn medewerkingsplicht, waardoor vertraging voor zijn rekening komt. De eerdere uitspraak van 30 december 2025 over de maximale detentieduur blijft van kracht.
Gelet op deze overwegingen is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is definitief en openbaar gemaakt op 12 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5889
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1973 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij het voortduren van deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 december 2025 op het laatste vervolgberoep van eiser, volgt dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt – 24 december 2025 – rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 24 december 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting, gelet op de lange behandelduur van de aanvraag om een laissez-passer (lp). Hierbij wijst eiser op het feit dat de opschaling op 14 oktober 2025 niets heeft opgeleverd. Verder meent eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet langer het recht heeft om eiser in bewaring te nemen om het terugkeerbesluit van 16 mei 2017 uit te voeren, omdat hij sinds de uitvaardiging van dit terugkeerbesluit in totaal meer dan 18 maanden in detentie heeft verbleven. [1]
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In zijn algemeenheid bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. [2] Hoewel de behandelduur van de lp-aanvraag voor eiser aanzienlijk is, neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder kort na eisers nieuwe inbewaringstelling de zaak op 14 oktober 2025 telefonisch heeft opgeschaald bij de consul-generaal. Daarbij blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op deze datum aanvullende informatie betreffende eisers identiteit naar de Marokkaanse autoriteiten heeft verzonden. Uit deze omstandigheden kan niet worden afgeleid dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp zullen afgeven. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zicht op uitzetting voor hem specifiek ontbreekt.
6. De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt slaagt eveneens niet. Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder regelmatig vertrekgesprekken met eiser voert en dat verweerder periodiek rappels verzendt naar de Marokkaanse ambassade. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de omstandigheid dat eiser vooralsnog geen invulling geeft aan zijn medewerkingsplicht om de reactie op de lp-aanvraag te bespoedigen. De langere duur van de inbewaringstelling komt dan ook voor zijn rekening en risico.
7. Voor zover eiser stelt dat hij sinds de uitvaardiging van het terugkeerbesluit in totaal meer dan 18 maanden in detentie heeft verbleven en dat daarom de inbewaringstelling onrechtmatig is, stelt de rechtbank vast dat zij reeds in haar uitspraak van 30 december 2025 heeft geoordeeld dat eiser hier niet in wordt gevolgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen.
8. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de bewaring vanaf enig moment onrechtmatig moet worden geacht.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.Eiser verwijst daarbij naar het advies van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Aroya van 4 september 2025 (HvJEU C-150/24, ECLI:EU:C:2025:667).
2.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.