ECLI:NL:RBDHA:2026:2634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4851
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eiseres, een Poolse vreemdeling, werd op 8 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd later opgeheven op 2 februari 2026. Eiseres stelde beroep in tegen de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige tenuitvoerlegging.

De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Verweerder had als zware gronden genoemd dat eiseres zich aan het toezicht had onttrokken en dat zij een aanzegging tot vertrek uit Nederland had ontvangen zonder hieraan te voldoen. De rechtbank stelde vast dat deze gronden feitelijk juist waren en voldoende waren om de bewaring te dragen.

Eiseres voerde aan dat zij niet kon terugkeren vanwege kwetsbaarheid en afhankelijkheid van hulpverlening, en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel niet toereikend was en dat de bewaring niet onevenredig bezwarend was.

De ambtshalve toetsing bevestigde dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4851

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 2 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiseres heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 2 februari 2026 heeft eiseres beroepsgronden ingediend. Op 4 februari 2026 heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 12 februari 2026.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Poolse nationaliteit.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiseres:
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [2] vermeld dat eiseres:
  • 4a. zich niet aan één of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden:
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiseres voert aan dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De zware gronden zijn onvoldoende gemotiveerd door verweerder. Eiseres was niet bekend met een meldplicht bij de Korpschef en door de omstandigheden waarin zij zich bevond, was ze niet in staat zelfstandig terug te keren naar Polen. Bovendien is eiseres kwetsbaar en afhankelijk van hulpverlening. Er is dus geen sprake van niet willen terugkeren, maar niet kunnen. Die kwetsbare positie van eiseres wordt veroorzaakt door de lichte gronden, het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Het had op de weg van verweerder gelegen om een lichter middel toe te passen zoals een meldplicht, plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie of begeleiding via [stichting] . Verweerder had beter naar de zware individuele omstandigheden van eiseres moeten kijken.
5. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling [3] van 25 maart 2020 [4] volgt dat, om de gronden 3b en 3c aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat hiervan sprake is. Aan eiseres is op 11 oktober 2025 het besluit van 3 oktober 2025 uitgereikt waarin het rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht is beëindigd en haar is aangezegd Nederland binnen een maand te verlaten. De strekking van dit besluit is met behulp van een tolk in de Poolse taal aan eiseres meegedeeld. Hiermee is zware grond 3c feitelijk juist. Ook is feitelijk juist dat eiseres zich niet heeft gemeld bij de Korpschef, tot haar staandehouding op 8 januari 2026. Daarmee is ook zware grond 3b feitelijk juist. Deze twee zware gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en vormen voldoende grond voor het standpunt van verweerder dat er ten tijde van de inbewaringstelling een risico op onttrekking bestond. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking meer.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring kenbaar is ingegaan op de door eiseres aangevoerde omstandigheden zoals haar contact met [stichting] en de medische omstandigheden. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de maatregel
van bewaring niet onevenredig bezwarend was en dat een minder dwingende maatregel niet zal leiden tot vertrek. Voorts heeft verweerder voor wat betreft haar medische omstandigheden eiseres gewezen op de beschikbaarheid van de medische dienst in het detentiecentrum. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze zorg voor haar niet toereikend was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb)
2.onder verwijzing naar artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829