ECLI:NL:RBDHA:2026:2635

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
691650
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 PbwArt. 69 PbwArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van gedetineerde in civiele procedure over klachtenbehandeling

De gedetineerde diende verschillende klachten in bij de Commissie van Toezicht van de Penitentiaire Inrichting, waarop niet tijdig werd beslist. Hij vorderde een verklaring voor recht dat de Staat de klachten niet binnen de wettelijke termijn had behandeld en dat de Staat verplicht werd deze alsnog binnen zeven dagen af te handelen.

De Staat voerde verweer dat de civiele rechter niet-ontvankelijk moest verklaren omdat de Penitentiaire beginselenwet een bijzondere rechtsgang biedt via de beklagcommissie en de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Tevens stelde de Staat dat de gedetineerde geen belang meer had bij de procedure omdat hij niet meer in detentie was.

De rechtbank oordeelde dat de civiele rechter niet bevoegd is om over deze klachten te oordelen omdat de bijzondere rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed. De gedetineerde werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank wees ook de wettelijke rente toe over de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de gedetineerde niet-ontvankelijk omdat de civiele rechter niet bevoegd is en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaak-/rolnummer: C/09/691650 / HA ZA 25-815
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. V.S.J. Chorus, die zich op 2 december 2025 heeft onttrokken,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDENte Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. M. Beekes.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 april 2025 met 19 producties;
- de conclusie van antwoord van 4 juni 2025 met 1 productie;
- het vonnis van 26 augustus 2025 van de kantonrechter van deze rechtbank waarbij de zaak is doorverwezen naar Team Handel;
- het bericht van mr. Chorus van 2 december 2025, waarbij hij zich als advocaat van [eiser] heeft onttrokken.
1.2.
Namens [eiser] heeft zich geen andere advocaat gesteld en [eiser] is niet verschenen bij de mondelinge behandeling op 6 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat vonnis gevraagd.

2.De feiten

2.1.
[eiser] verbleef in 2024 en 2025 als gedetineerde in de Penitentiaire Inrichting [plaats] (hierna: de PI).
2.2.
De PI is onderdeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Deze dienst ressorteert onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid en daarmee onder de Staat.
2.3.
Van november 2024 tot en met maart 2025 heeft [eiser] verschillende klachten ingediend bij de Commissie van Toezicht van de PI (hierna: de beklagcommissie). Op een aantal van die klachten had hij op het moment van dagvaarden nog geen beslissing ontvangen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – een verklaring voor recht dat de Staat niet binnen de wettelijke termijn de klachten van Hofsta heeft behandeld en hij vordert daarnaast dat de Staat wordt opgedragen de klachten van [eiser] binnen zeven dagen alsnog af te handelen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de wettelijke beslistermijn van vier weken voor het afhandelen van 19 van zijn klachten is verstreken. Door het niet tijdig beslissen lijdt [eiser] schade.
3.3.
De Staat voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
3.4.
De Staat legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de beklag- en beroepsprocedure die is neergelegd in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) de weg naar de burgerlijke rechter afsluit. Daarnaast heeft [eiser] geen belang meer bij deze procedure omdat hij niet meer in detentie zit. Verder voert de Staat aan dat [eiser] geen belang heeft bij de verklaring voor recht. De wet verbindt namelijk geen gevolgen aan de termijnoverschrijding en [eiser] lijdt geen schade. Tot slot is er inhoudelijk ook geen reden om de vorderingen toe te wijzen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen. De weg naar de civiele rechter is namelijk afgesloten, omdat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat bij een bijzondere rechter.
4.2.
Op grond van artikel 60 Pbw Pro kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Tegen uitspraken van de beklagcommissie kan een gedetineerde op grond van artikel 69 Pbw Pro beroep instellen bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) (hierna: de beroepscommissie). De rechtsgang bij de beroepscommissie is volgens vaste rechtspraak met voldoende waarborgen omkleed. [1]
4.3.
Of sprake is van een termijnoverschrijding bij de beslissing op een klacht door een gedetineerde, ligt ter beoordeling voor aan de rechterlijke instantie die op die klacht beslist. Dat is in dit geval de beklagcommissie. Tegen een dergelijke beslissing kan [eiser] desgewenst beroep instellen bij de beroepscommissie. Daardoor is geen rol weggelegd voor de civiele rechter.
4.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie o.a. Gerechtshof Den Haag 15 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:225.