ECLI:NL:RBDHA:2026:2636

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4321
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, een Somalische asielzoeker, werd op 23 januari 2026 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat de ophouding op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd en dat lichtere middelen hadden moeten worden toegepast. Tevens verzocht hij om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.

De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht was gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, omdat eiser geen identiteitsdocumenten kon overleggen en zijn identiteit niet was vastgesteld. De zware gronden 3a en 3b, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het risico op onttrekking aan toezicht, waren feitelijk juist en voldoende onderbouwd.

Verder concludeerde de rechtbank dat er geen lichter middel doeltreffend was, mede omdat eiser zich niet had gemeld ondanks de gelegenheid daartoe. De ambtshalve toetsing leidde niet tot een oordeel van onrechtmatigheid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4321

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 10 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 29 januari 2026 heeft hij de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 30 januari 2026 hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 12 februari 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Somalische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ophouding
3. Eiser voert allereerst aan dat de ophouding op onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, maar dit moet artikel 50, derde lid, van de Vw zijn. Voorafgaand aan de ophouding heeft namelijk een onderzoek naar eisers identiteit plaatsgevonden.
4. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hoewel verweerder onderzoek heeft gedaan in de systemen naar eisers identiteit, is nimmer zijn identiteit vast komen te staan. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Daarbij volgt uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek dat een onderzoek heeft plaatsgevonden naar eisers identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
Maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b en alle lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij als asielzoeker Nederland is binnengekomen en daarom niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Verder wilde eiser eerst uitzoeken waar hij asiel kon aanvragen voordat hij naar [plaats 1] zou gaan. Eiser heeft zich daarnaast aan alle verplichtingen gehouden en krijgt met de asielprocedure een woon- en verblijfplaats. Tot slot maakt het ontbreken van voldoende middelen van bestaan niet dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht.
7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3a en 3b alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daar – als dat het geval is – geen nadere toelichting op hoeft te geven. [6] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt niet over een nationaal paspoort of ander document voor grensoverschrijding. Daarnaast heeft eiser niet onmiddellijk melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Dat hij als asielzoeker naar Nederland was gekomen en hij eerst wilde uitzoeken waar hij asiel kon aanvragen, maakt het voorgaande niet anders. Deze zware gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht om aan te nemen dat sprake was van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Zicht op overdracht
8. Voor zover eiser meent dat er geen aanknopingspunten waren dat sprake is van een overdracht op korte termijn en hij na zijn strafrechtelijke detentie in vrijheid had moeten worden gesteld, stelt de rechtbank vast dat eiser inmiddels is overgedragen aan de Duitse autoriteiten. Reeds hierom slaagt deze beroepsgrond niet.
Lichter middel
9. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij had met een treinkaartje naar [plaats 2] kunnen afreizen om zich daarna te melden in [plaats 1] .
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een significant risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van gehoor dat eiser op 21 januari 2026 door de politie Den Haag in de gelegenheid was gesteld om zich te melden in [plaats 1] , maar dit niet heeft gedaan. Eiser is namelijk daarna op 22 januari 2026 aangehouden in [plaats 3] . Tot slot is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt was.
Ambtshalve toets
11. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.