Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
1 februari 2026) een aantal foto’s overgelegd.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege weigering deel te nemen aan rituelen van een sociëteit in Gambia gevaar loopt, waaronder het offeren van zijn dochter. De minister wees de aanvraag af omdat de vrees niet aannemelijk was gemaakt, mede gezien het incident ruim tien jaar geleden plaatsvond en er geen concrete aanwijzingen waren dat de sociëteit nog naar eiser zoekt.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van het asielrelaas deels in het midden liet, maar dat de zwaarwegendheid van de feiten onvoldoende was onderbouwd. De verklaringen van derden en vermoedens waren niet voldoende concreet om een reëel risico aan te nemen.
Daarnaast werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro betreffende een relatie met een partner afgewezen wegens gebrek aan bewijs van een duurzame relatie. De rechtbank concludeerde dat eiser geen vluchtelingenstatus toekomt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gevreesde vervolging en verklaart het beroep ongegrond.