ECLI:NL:RBDHA:2026:2638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL25.52892
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 4.1 lid 5 Vc 2000Art. 4.1 lid 6 Vc 2000Art. 29 lid 1 en 2 Vw 2000Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid vrees voor sociëteit in Gambia

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege weigering deel te nemen aan rituelen van een sociëteit in Gambia gevaar loopt, waaronder het offeren van zijn dochter. De minister wees de aanvraag af omdat de vrees niet aannemelijk was gemaakt, mede gezien het incident ruim tien jaar geleden plaatsvond en er geen concrete aanwijzingen waren dat de sociëteit nog naar eiser zoekt.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van het asielrelaas deels in het midden liet, maar dat de zwaarwegendheid van de feiten onvoldoende was onderbouwd. De verklaringen van derden en vermoedens waren niet voldoende concreet om een reëel risico aan te nemen.

Daarnaast werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro betreffende een relatie met een partner afgewezen wegens gebrek aan bewijs van een duurzame relatie. De rechtbank concludeerde dat eiser geen vluchtelingenstatus toekomt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gevreesde vervolging en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52892

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [datum] ,
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.F. Kiers),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag hij bij een sociëteit heeft gezien dat daar menselijke offers werden gebracht en dat hij daarom deel moest nemen aan het genootschap en waarbij hem is verteld dat hij zijn eigen dochter zou moeten offeren. Omdat eiser dit niet wilde, heeft hij Gambia (met spoed verlaten). Eiser stelt dat de mensen van de sociëteit nog steeds naar hem op zoek zijn.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De problemen van eiser met de sociëteit.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. De geloofwaardigheid van het tweede asielmotief heeft de minister met toepassing van artikel 4.1, lid 5 jo. lid 6 van paragraaf C1 van de Vc 2000 [2] in het midden gelaten, omdat dit motief volgens de minister hoe dan ook geen aanleiding geeft tot het verlenen van een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. Volgens de minister is het feit dat eiser uit Gambia komt op zichzelf niet genoeg om als vluchteling te worden aangemerkt en is het ook niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Verder heeft de minister overwogen dat de vrees die eiser stelt te hebben voor de sociëteit niet aannemelijk is gemaakt. In dit verband heeft de minister erop gewezen dat er sinds het incident al een periode van ruim 10 jaar is verstreken waarin eiser en zijn directe gezinsleden niets meer vernomen hebben en eiser zijn vrees enkel baseert op verklaringen van een derde en vermoedens vanuit die kant. Eiser heeft geen concrete, individuele omstandigheden naar voren gebracht waarmee hij zijn vrees heeft onderbouwd. De minister heeft eisers aanvraag afgewezen als ongegrond.
Gronden
5. Eiser voert -samengevat weergegeven- aan dat de minister ten onrechte niet aanneemt dat het feit dat eiser zich niet heeft geconformeerd aan de wens/eis van de sociëteit wordt gezien als een politiek statement. Verder voert eiser aan dat bij terugkeer sprake is van een risico op ernstige schade en dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat het incident inmiddels ruim tien jaar geleden heeft plaatsgevonden, niemand in eisers directe omgeving problemen heeft ondervonden van de sociëteit en dat er geen concrete aanknopingspunten zouden zijn aangedragen door eiser op grond waarvan moet worden aangenomen dat de sociëteit nog naar hem op zoek is. Verder stelt eiser dat hij een relatie heeft met [naam partner] en dat hij om die reden in aanmerking zou moeten komen voor een reguliere verblijfsvergunning. Ter onderbouwing van deze relatie heeft eiser (op
1 februari 2026) een aantal foto’s overgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Het juridisch kader
6. Uit het beleid [3] van de minister volgt dat de minister in het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven beoordeelt, tenzij hij reden ziet om de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat de minister kenbaar de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De minister beoordeelt vervolgens de zwaarwegendheid van de geloofwaardig gevonden feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten.
7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [4] volgt dat deze werkwijze van de minister niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. [5] Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen.
Vrees bij terugkeer
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Gambia te vrezen heeft voor de sociëteit. In dit verband heeft de minister erop kunnen wijzen dat het incident ruim tien jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat eiser door de sociëteit wordt gezocht. In de gronden van beroep heeft eiser weliswaar argumenten genoemd waarom het lastig is om met concrete aanknopingspunten te komen, maar heeft hij die concrete aanknopingspunten niet naar voren gebracht. Voor zover eiser stelt dat de informatie van de vriend voldoende concreet is, is de rechtbank van oordeel dat de minister dit betoog niet heeft hoeven volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat dit een verklaring is van een derde die is gebaseerd op vermoedens en aannames. Bovendien kan uit het feit dat de vriend ziet dat er nog steeds mensen op zoek zijn naar eiser in de buurt van waar hij woonde en dat buren wordt gevraagd of men weet waar eiser is, niet worden afgeleid dat deze mensen op zoek zijn naar eiser vanwege de gebeurtenis bij de sociëteit. Concrete informatie dat de sociëteit naar eiser op zoek zou zijn, heeft eiser niet kunnen overleggen. De in beroep overgelegde “arrest letter” van april 2015 doet aan het voorgaande niet af. Nog los van het feit dat de echtheid van dit document niet is onderzocht, blijkt uit de inhoud van dit document niet dat eiser door de mensen van de sociëteit wordt gezocht en onderbouwt dit document ook niet de stelling van eiser dat hij ruim 10 jaar na dato nog steeds wordt gezocht. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser niet kan worden beschouwd als vluchteling en dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op ernstige schade.
9. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM [6] overweegt de rechtbank dat eiser in deze procedure niet heeft aangetoond dat sprake is van een duurzame relatie. In het nader gehoor heeft eiser niets over zijn (huidige) relatie verklaard en de in beroep overgelegde foto’s zijn daarvoor -zonder nadere toelichting- niet voldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat weigering van de gevraagde verblijfsvergunning geen strijd oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM. Voor zover eiser meent dat hiervan toch sprake is, kan hij een daartoe strekkende aanvraag doen. In deze procedure is eiser daarin niet geslaagd.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Artikel 4.1, aanhef en onder 5 en 6, van de Vc 2000.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:2333.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.