ECLI:NL:RBDHA:2026:2639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL25.46893
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30c Vw 2000Art. 3:46 AwbArt. 6 TerugkeerrichtlijnVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging buiten behandeling stellen asielaanvraag wegens inhoudelijk oordeel over meerderjarigheid

Eiser, van Ethiopische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister buiten behandeling werd gesteld met de toekenning van een geboortedatum waardoor eiser als meerderjarig werd aangemerkt. Tevens werd een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd. Eiser betwistte de meerderjarigheid en stelde dat het terugkeerbesluit en inreisverbod zonder inhoudelijke artikel 3 EVRM Pro-beoordeling onrechtmatig waren.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is omdat eiser via zijn voogd contact hield over de procedure, ondanks zijn vertrek naar Zwitserland waar hij een asielaanvraag indiende. De minister had onterecht een inhoudelijk oordeel gegeven over de leeftijd van eiser, wat niet verenigbaar is met het buiten behandeling stellen van de aanvraag. Hierdoor is het besluit vernietigbaar.

Verder stelde de rechtbank vast dat het terugkeerbesluit en inreisverbod niet gehandhaafd kunnen blijven omdat eiser ten tijde van het besluit niet meer in Nederland verbleef, wat strijdig is met de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46893

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.J. Veendorp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het er niet mee eens dat hij door de minister als meerderjarige is aangemerkt en dat hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod zijn opgelegd. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling laten van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum 2] 2008. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 september 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 en de door eiser gestelde geboortedatum aangepast in die zin dat eiser als meerderjarig wordt aangemerkt. De minister heeft eiser de geboortedatum [datum 1] 2004 toegekend. Tevens heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin staat dat eiser onmiddellijk moet vertrekken en is hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten van partijen3. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aanneemt dat hij meerderjarig is. Verder stelt eiser met een beroep op het arrest Ararat [2] dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit en een inreisverbod heeft opgelegd zonder een inhoudelijke artikel 3 EVRM Pro [3] -beoordeling te maken. Eiser stelt dat hij, omdat hij een asielverzoek in Zwitserland heeft ingediend, belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, omdat een in kracht van gewijsde gegaan oordeel van de rechtbank over zijn leeftijd, een opgelegd terugkeerbesluit en inreisverbod in Zwitserland relevant kunnen worden geacht bij de beoordeling van zijn aanvraag aldaar. Eiser betwist niet dat de minister de aanvraag buiten behandeling kon stellen vanwege het feit dat hij niet op het nader gehoor is verschenen en naar Zwitserland is vertrokken zonder de uitkomst van zijn asielaanvraag af te wachten.
4. De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel van zijn beroep, omdat uit het dossier niet blijkt dat eiser en zijn gemachtigde contact onderhouden over de procedure. Zelfs als eiser en zijn gemachtigde wel contact onderhouden, heeft eiser geen procesbelang, omdat eiser in Zwitserland verblijft, daar een asielaanvraag heeft ingediend en eiser heeft aangegeven de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag niet te bestrijden. Dit brengt volgens de minister met zich dat aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden gericht tegen de meerderjarigverklaring van eiser, het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet wordt toegekomen. Indien toch procesbelang wordt aangenomen, stelt de minister zich op het standpunt dat hij terecht uitgaat van eisers meerderjarigheid en dat terecht zonder een inhoudelijke artikel 3 EVRM Pro-beoordeling een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd.
Procesbelang
5. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft toegelicht dat hij via de voogd van eiser contact onderhoudt met eiser over de procedure in Nederland. Dit betekent dat een belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep niet is komen te vervallen enkel vanwege het feit dat eiser -nog voordat hij een beslissing op zijn asielaanvraag heeft gekregen- naar Zwitserland is vertrokken. Ook het feit dat hij daar een asielaanvraag heeft ingediend, verandert daaraan niets, net als het feit dat eiser heeft aangegeven de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag niet te bestrijden. Het beroep is in die zin dan ook ontvankelijk.
Vaststelling van meerderjarigheid
6. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het bestreden besluit heeft uitgelaten over de gestelde minderjarigheid van eiser en eiser een geboortedatum heeft toegekend die maakt dat eiser als meerderjarig wordt aangemerkt. Daarmee heeft de minister dus een inhoudelijk oordeel gegeven over een asielmotief. Dat verhoudt zich niet met het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag. Als de minister de aanvraag met toepassing van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 buiten behandeling had willen stellen, had hij het daarbij moeten laten zonder een inhoudelijk oordeel te geven over eisers leeftijd. Omdat de minister toch iets over de leeftijd van eiser heeft overwogen, kon hij naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag niet meer buiten behandeling stellen. Het bestreden besluit komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond.
7. Omdat eiser ook beroepsgronden heeft aangevoerd ten aanzien het terugkeerbesluit en het inreisverbod, zal de rechtbank hierna ingaan op die gronden en vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
Het terugkeerbesluit en inreisverbod
8. In artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat de lidstaten een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat onbestreden is gebleven dat eiser, op het moment dat de minister het terugkeerbesluit aan hem heeft uitgevaardigd, al niet meer op het grondgebied van Nederland verbleef. De gemachtigde van eiser heeft de minister immers bij bericht van 1 september 2025 op de hoogte gebracht van het feit dat eiser niet meer in Nederland verblijft. Uit de gronden van beroep volgt dat eiser in Zwitserland verbleef en aldaar een asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank is van oordeel dat artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn zich ertegen verzet dat aan een onderdaan van derde land die zich niet meer op het grondgebied van de lidstaat bevindt een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Omdat de minister er onbetwist van op de hoogte was dat eiser ten tijde van het bestreden besluit al niet meer in Nederland was, maar zich op dat moment -en nu nog steeds- in Zwitserland bevond, kon hij geen terugkeerbesluit aan eiser uitvaardigen. Omdat hij dit toch heeft gedaan, kunnen de rechtgevolgen van het vernietigde besluit -voor zover die zien op het terugkeerbesluit- niet in stand blijven. Dit geldt dan ook voor het inreisverbod, omdat het inreisverbod het gevolg is van het opleggen van een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0-dagen. Wat verder nog is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag van eiser ten onrechte buiten behandeling gesteld. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikel 3:46 van Pro de Awb [4] . Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag dient te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
9.1.
De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het aan de minister is om in een nieuw besluit de keuze te maken of hij iets over de leeftijd van eiser wenst te overwegen of dat hij ervoor kiest om de aanvraag zonder een inhoudelijk oordeel te vellen buiten behandeling te stellen.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 22 september 2025;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Algemene wet bestuursrecht.