ECLI:NL:RBDHA:2026:269
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid
Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden volgens het Dublinverdrag verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank had op dezelfde dag uitspraak gedaan in de hoofdzaak en het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en is openbaar gemaakt op 8 januari 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet-inhoudelijk behandelen van de asielaanvraag wordt afgewezen.