Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.De feiten
Tidore. In deze zaak is [eiser] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2014 (zaaknummer: 10/960007-10) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zeven jaar. Zowel het openbaar ministerie als [eiser] zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.
Tidore,uit te zitten. [eiser] kwam in deze zaak per 18 oktober 2022 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Op diezelfde datum heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser].
Shoreham I.De voorlopige hechtenis in deze strafzaak heeft geduurd van 14 oktober 2022 tot 29 maart 2023.
Shoreham I, aangehouden op basis van een verdenking in de strafzaak
Shoreham II. [eiser] is vervolgens op 31 maart 2023 voorgeleid aan de rechter-commissaris, die de verdenking heeft getoetst en de voorlopige hechtenis heeft bevolen.
Shoreham II.[eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.
Tidoretoegewezen bij vonnis van 28 april 2025 (VI-zaaknummer: 99.000913.37)
.Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. [eiser] is ook niet in hoger beroep gedaan.
Shoreham IIis met ingang van 20 oktober 2025 opgeheven.
Tidorebij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2014 opgelegde straf uit.
3.Het geschil
gross or obvious irregularity’. De beslissing van de vi-rechter is derhalve niet ‘toereikend’ en kwalificeert niet als een beslissing zoals bedoeld in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De huidige detentie is dan ook in strijd met artikel 5 EVRM en naar nationaal recht onrechtmatig.
4.De beoordeling van het geschil
gross or obvious irregularity’ en dat de beslissing derhalve niet ‘toereikend’ is en daarom niet kwalificeert als een beslissing zoals bedoeld in artikel 5 EVRM. Kernpunt van het bezwaar van [eiser] is dat de rechtbank Rotterdam bij haar beslissing ten onrechte handelingen van [eiser] heeft meegewogen, verricht gedurende de periode dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst. De bezwaren van [eiser] betreffen daarmee de inhoud van het oordeel van de rechtbank Rotterdam. De voorzieningenrechter heeft onder 4.2. al overwogen dat zij moet uitgaan van de juistheid van de beslissing van de strafrechter en van de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die beslissing heeft geleid. Er is voor haar dan ook geen ruimte om de inhoudelijke bezwaren van [eiser] tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025, op basis waarvan [eiser] meent dat dit vonnis niet toereikend is, te beoordelen. De voorzieningenrechter verleent geen aanvullende rechtsbescherming indien in een rechtsgang bij een andere rechter, al dan niet vermeend, fouten zijn gemaakt of onjuiste beslissingen zijn gegeven, ook niet als daardoor de rechtsbescherming in het concrete geval is tekortgeschoten. In dat geval zou immers sprake zijn van een verkapt hoger beroep, wat in strijd is met de wettelijke rechtsmachtverdeling en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.