De minister van Asiel en Migratie legde op 26 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, waarbij tevens een verzoek om schadevergoeding werd gedaan.
Tijdens de zitting op 10 februari 2026 gaf eiser aan graag naar Zwitserland te willen vertrekken, maar diende geen inhoudelijke gronden tegen de bewaring in. De minister gaf aan dat de overdracht naar Zwitserland gepland stond op 16 februari 2026. De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel in twijfel te trekken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.