ECLI:NL:RBDHA:2026:2739

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4784
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring in Dublin-situatie Zwitserland

De minister van Asiel en Migratie legde op 26 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, waarbij tevens een verzoek om schadevergoeding werd gedaan.

Tijdens de zitting op 10 februari 2026 gaf eiser aan graag naar Zwitserland te willen vertrekken, maar diende geen inhoudelijke gronden tegen de bewaring in. De minister gaf aan dat de overdracht naar Zwitserland gepland stond op 16 februari 2026. De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel in twijfel te trekken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4784

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
1. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de maatregel van bewaring. Eiser gaf op de zitting enkel aan graag naar Zwitserland te willen vertrekken. De minister deelde mee dat de overdracht in beginsel gepland staat op 16 februari 2026. De rechtbank ziet in de door de minister verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

2. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van
mr.N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).