De rechtbank Den Haag heeft op 2 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 24 december 2025, waarna de rechtbank nu de periode van 24 december 2025 tot 28 januari 2026 beoordeelde.
Eiser stelde dat er geen zicht meer was op uitzetting naar Marokko omdat de Marokkaanse autoriteiten niet reageerden op de laissez-passer-aanvraag. De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn wel aanwezig is, mede omdat de aanvraag nog in behandeling is en eiser onvoldoende meewerkt. Ook werd geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld door rappelleren en vertrekgesprekken.
Verder voerde eiser aan dat de bewaring onevenredig bezwarend is vanwege mentale en somatische klachten. De rechtbank vond dit niet aannemelijk gemaakt en stelde dat medische voorzieningen beschikbaar zijn. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel leverde geen onrechtmatigheid op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.