ECLI:NL:RBDHA:2026:2752

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3831
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000ECLI:NL:RVS:2022:3269ECLI:NL:RVS:2023:3033ECLI:NL:RVS:2025:219ECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag heeft op 2 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 24 december 2025, waarna de rechtbank nu de periode van 24 december 2025 tot 28 januari 2026 beoordeelde.

Eiser stelde dat er geen zicht meer was op uitzetting naar Marokko omdat de Marokkaanse autoriteiten niet reageerden op de laissez-passer-aanvraag. De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn wel aanwezig is, mede omdat de aanvraag nog in behandeling is en eiser onvoldoende meewerkt. Ook werd geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld door rappelleren en vertrekgesprekken.

Verder voerde eiser aan dat de bewaring onevenredig bezwarend is vanwege mentale en somatische klachten. De rechtbank vond dit niet aannemelijk gemaakt en stelde dat medische voorzieningen beschikbaar zijn. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel leverde geen onrechtmatigheid op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3831

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek gesloten op 28 januari 2026.

Overwegingen

Inleiding
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 december 2025 (in de zaak NL25.61294) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 december 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 24 december 2025 tot 28 januari 2026.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Marokko niet langer aanwezig is in zijn geval omdat de Marokkaanse autoriteiten zijn identiteit en nationaliteit niet bevestigen en niet reageren op de laissez-passer (lp)-aanvraag die verweerder op 22 december 2025 heeft ingediend. Ondanks herhaalde schriftelijke rappels is er geen lp verstrekt, wat erop wijst dat deze niet zal worden verkregen. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met deze gewijzigde omstandigheden.
3. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko wordt aangenomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269), 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033) en 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).
4. Als het gaat om eisers specifieke geval, overweegt de rechtbank dat uit verweerders voortgangsrapport blijkt dat de lp-aanvraag van 22 december 2025 nog in behandeling is bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die tot de conclusie leiden dat voor hem niet binnen een redelijke termijn een lp zal worden afgegeven. Dat de Marokkaanse autoriteiten (nog) niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, is daarvoor onvoldoende. Daarbij wordt opgemerkt dat met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid gaat, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. Daarnaast is de lp-aanvraag van eiser nog maar relatief kort in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank wijst er in dit verband verder op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet. Gelet op het voorgaande is er geen reden om aan te nemen dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

5. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser wijst er daartoe op dat verweerder nog geen presentatie heeft gepland bij de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft daarom geen effectieve uitzettingshandelingen verricht.
6. De rechtbank stelt voorop dat, als eerder vermeld, de te toetsen periode in het onderhavige beroep zich beperkt tot de periode van 24 december 2025 tot 28 januari 2026. Uit de voortgangsrapportage van 22 januari 2026 blijkt dat verweerder in deze periode schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten over de openstaande lp-aanvraag. Daarnaast blijkt uit de voortgangsgegevens dat verweerder op 30 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser gewerkt. Het rappelleren in een lp-traject en het voeren van vertrekgesprekken zijn daadwerkelijke uitzettingshandelingen. De stelling van eiser dat verweerder geen effectieve uitzettingshandelingen heeft verricht, volgt de rechtbank dan ook niet. Gezien de relatief korte duur van de bewaring en van het traject bij de Marokkaanse autoriteiten, is er ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat vanwege zijn persoonlijke omstandigheden de bewaring onevenredig bezwarend is. Eiser krijgt door de wijze van tenuitvoerlegging van het strikte bewaringsregime in het Detentiecentrum Rotterdam aanzienlijke mentale problemen en diverse somatische klachten als stress en depressiviteit.
8. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de periode sinds 24 december 2025 gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het risico op onttrekking aan het toezicht is afgenomen, of waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. Voor zover eiser stelt dat de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is vanwege zijn psychische gesteldheid, volgt de rechtbank dit niet. Nog daargelaten dat eiser zijn gestelde klachten niet met (medische) documenten heeft onderbouwd, geldt dat hij in bewaring aanspraak kan maken op medische voorzieningen. Gesteld noch gebleken is dat deze voorzieningen in zijn geval niet toereikend zijn. Er bestaat al met al dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in de te toetsen periode een lichter middel dan bewaring had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 24 december 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.