ECLI:NL:RBDHA:2026:2760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
09-232485-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 9a SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schuldigverklaring zonder strafoplegging voor verkeersongeval met zwaar letsel en diefstal fiets

De rechtbank Den Haag behandelde op 9 februari 2026 de strafzaak tegen een minderjarige verdachte die op 13 april 2024 betrokken was bij een verkeersongeval waarbij een fietser zwaar lichamelijk letsel opliep. De verdachte reed met een mobiele telefoon in de hand en niet rechts op het fietspad, wat leidde tot een botsing en valpartij. De rechtbank stelde vast dat sprake was van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar onvoldoende bewijs voor roekeloosheid.

Daarnaast werd de verdachte schuldig bevonden aan diefstal van een fiets op 8 april 2025. De verdediging voerde vrijspraak aan, maar de rechtbank oordeelde dat de verdachte zich de feitelijke heerschappij over de fiets had verschaft met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, het zware letsel van het slachtoffer, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugd, recidivevrijheid en positieve sociale factoren. Gezien de lange procedure en het feit dat de verdachte reeds voldoende gestraft was, werd besloten tot schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Uitkomst: Verdachte schuldig verklaard voor aanmerkelijk onvoorzichtig handelen bij verkeersongeval met zwaar letsel en diefstal, zonder strafoplegging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-232485-24 en 09-190155-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 9 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 26 januari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. T. Nauta en de raadsman van de verdachte is mr. T. Kocabas. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I (09-232485-24)
hij op of omstreeks 13 april 2024 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een voertuig (fiets), daarmede rijdende over de weg, een fietspad
gelegen op of aan de Willem de Zwijgerlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een
aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in
elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te
handelen:
- hij heeft aldaar gereden terwijl hij een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt
kan worden voor communicatie of informatieverwerking (telefoon) in zijn hand
hield en/of handelingen met die telefoon verrichtte en/of (vervolgens)
- hij heeft aldaar niet zoveel mogelijk rechts gereden en/of heeft hij onvoldoende
aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse gehad en/of heeft hij
de snelheid van zijn fiets niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn fiets tot
stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en
waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij tegen een aldaar op de rijstrook
bestemd voor het tegemoetkomende verkeer bevindende fietser is gebotst, dan wel
door zijn rijgedrag die fietser ten val gekomen is,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een
verbrijzelde schouder en/of een gebroken arm, of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 april 2024 te Leiden als bestuurder van een voertuig (fiets),
daarmee rijdende op de weg, een fietspad gelegen op of aan de Willem de
Zwijgerlaan als volgt heeft gehandeld:
hij heeft aldaar gereden terwijl hij een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt
kan worden voor communicatie of informatieverwerking (telefoon) in zijn hand
hield en/of handelingen met die telefoon verrichtte en/of (vervolgens)
- hij heeft aldaar niet zoveel mogelijk rechts gereden en/of heeft hij onvoldoende
aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse gehad en/of heeft hij
de snelheid van zijn fiets niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn fiets tot
stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en
waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij tegen een aldaar op de rijstrook
bestemd voor het tegemoetkomende verkeer bevindende fietser is gebotst, dan wel
door zijn rijgedrag die fietser ten val gekomen is,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) letsel, te weten een verbrijzelde schouder
en/of een gebroken arm, heeft bekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
Dagvaarding II (09-190155-25)
hij op of omstreeks 8 april 2025 te Leiden
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde inzake dagvaarding I, in die zin dat er sprake is van onoplettend rijgedrag.
Met betrekking tot dagvaarding II heeft de officier van justitie eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I primair en dagvaarding II ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen, zowel met betrekking tot dagvaarding I als tot dagvaarding II.
3.4
Bewijsoverwegingen
3.4.1
Dagvaarding I
Het ongeval
Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte was op 13 april 2024 als bestuurder van een fatbike betrokken bij een verkeersongeval aan de Willem de Zwijgerlaan in Leiden, waarbij hij in botsing kwam met het 73-jarige slachtoffer ( [slachtoffer] ). Zowel de verdachte als het slachtoffer kwamen als gevolg van deze botsing ten val. Het slachtoffer liep hierbij een verbrijzelde schouder op.
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte schuld heeft, en zo ja in welke mate, aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.
Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro?
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW Pro is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt. Of sprake is van schuld en de mate van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De Hoge Raad heeft overwogen dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
De rechtbank overweegt dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte op het moment van de aanrijding een mobiele telefoon in zijn hand had. Daarnaast reed hij niet volledig rechts op zijn helft van het fietspad. De verdachte heeft onvoldoende aandacht voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse gehad. Dit leidde tot een botsing tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij beiden ten val kwamen. De rechtbank heeft geen aanleiding om, zoals aangevoerd door de verdediging, te twijfelen aan de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , aangezien zij achter het slachtoffer fietsten en daarmee een goed overzicht hadden over de situatie voor, tijdens en na het verkeersongeval. De getuigen zijn toevallige voorbijgangers en hebben geen band met de verdachte of het slachtoffer. De verklaringen van deze getuigen komen overeen met de verklaring van het slachtoffer. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook gebruiken voor het bewijs.
De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte dat hij alleen heel kort op zijn telefoon heeft gekeken om de tijd te kunnen zien, en dat hij zijn telefoon (ruim) voordat hij de bocht door kwam richting de plaats van de aanrijding, weer in zijn zak had, niet aannemelijk, gelet op de (eensluidende) verklaringen van de getuigen en het slachtoffer dat zij de verdachte met een telefoon in zijn hand hebben gezien, en de situatie ter plaatse die het voor de getuigen onmogelijk maakt een tegemoetkomende fietser (zoals de verdachte) te zien voordat deze de bocht uitkomt.
De gedragingen van de verdachte, in samenhang bezien, zijn naar hun aard en ernst zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Door het gebruik van zijn telefoon en het niet juist positioneren op het fietspad, juist op het moment dat hij een bocht moest nemen, heeft de verdachte een te groot risico genomen, wat heeft geleid tot het verkeersongeval. De rechtbank acht daarom bewezen dat het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Voor de tenlastegelegde roekeloosheid ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in het dossier, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Zwaar lichamelijk letsel
Bij de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het slachtoffer heeft bij het verkeersongeval een verbrijzelde schouder opgelopen, waarvoor een operatie noodzakelijk was waarbij een prothese is geplaatst en de te verwachten herstelduur is langdurig. Dit letsel kwalificeert de rechtbank in het licht van de hiervoor genoemde maatstaf als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, aan de schuld van de verdachte is te wijten. Het primair ten laste gelegde feit is daarom wettig en overtuigend bewezen.
3.4.2
Dagvaarding II
De verdediging heeft betoogd dat bij de verdachte geen sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij het meenemen van de fiets, hij dacht dat de fiets van niemand was. Volgens de verdediging is hierdoor geen sprake van diefstal en moet de verdachte worden vrijgesproken.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende. Uit de aangifte en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat de verdachte de fiets van de aangever heeft weggenomen, terwijl deze voor diens woning stond. Dit vormt een aanwijzing dat de fiets toebehoorde aan een ander. Volgens vaste jurisprudentie heeft de verdachte zich door deze handeling de feitelijke heerschappij over de fiets verschaft. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09-232485-24)
hij op 13 april 2024 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (fiets), daarmede rijdende over de weg, een fietspad gelegen aan de Willem de Zwijgerlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:
- hij heeft aldaar gereden terwijl hij een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking (telefoon) in zijn hand hield en vervolgens
- hij heeft aldaar niet zoveel mogelijk rechts gereden en heeft hij onvoldoende aandacht voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse gehad, ten gevolge waarvan hij tegen een fietser is gebotst
endie fietser ten val gekomen is, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde schouder werd toegebracht
.
Dagvaarding II (09-190155-25)
hij op 8 april 2025 te Leiden een fiets, die aan [aangever] toebehoorde
,heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen
.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Op 13 april 2024 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Op het moment van de aanrijding had de verdachte zijn mobiele telefoon in de hand en reed hij niet volledig rechts op zijn helft van het fietspad. Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer ernstig fysiek letsel opgelopen. Zij heeft een verbrijzelde schouder, waarvoor een operatie noodzakelijk was. Het is vooralsnog onzeker of het slachtoffer volledig zal herstellen van dit letsel. Hoewel het gebruik van een telefoon op de fiets een veelvoorkomende overtreding is, blijkt uit het bewezenverklaarde dat door deze overtreding een gevaarlijke situatie kan ontstaan, met ernstige gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent de verdachte zijn onvoorzichtige gedrag aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 8 april 2025 schuldig gemaakt aan de diefstal van een fiets. Diefstal is een vervelend feit, dat naast schade vaak ook aanzienlijke hinder veroorzaakt voor de gedupeerden. Slechts door het snelle handelen van het slachtoffer is hij in staat geweest zijn fiets terug te krijgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 januari 2026, waaruit is gebleken dat hij niet eerder is veroordeeld. Ter terechtzitting heeft de verdachte echter verklaard dat hij zeer recent in een ander arrondissement is veroordeeld tot een taakstraf (werkstraf). Nu deze veroordeling ziet op een feit gepleegd na de in deze zaak tenlastegelegde feiten, heeft dit gegeven verder geen invloed op de strafoplegging. Dit betekent dat de rechtbank in de strafoplegging rekening zal houden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 17 december 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter terechtzitting is gegeven. Uit het rapport blijkt dat het algemeen recidiverisico van de verdachte als gemiddeld wordt ingeschat, terwijl het totaal dynamisch risicoprofiel op laag uitkomt. Dit wijst op de aanwezigheid van veel beschermende factoren rondom de verdachte. De verdachte komt uit een betrokken gezin en heeft een goede relatie met zijn moeder en stiefvader. Hij volgt onderwijs en behaalde vorig jaar een startkwalificatie, waarna hij heeft besloten verder te leren. Ondanks deze positieve ontwikkeling is het hem nog niet gelukt een stageplaats te vinden, hetgeen deels wordt toegeschreven aan zijn wat lakse houding. De verdachte heeft bovendien een baan en verdient zijn eigen geld. Hij wordt beschreven als een rustige jongeman, die respectvol is naar gezagsfiguren en verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen handelen. De verdachte heeft in zijn leven meerdere ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, zoals het overlijden van zijn vader en het moeten vluchten uit zijn thuisland vanwege oorlog. De verdachte komt voor in meerdere politiemutaties over groepen jongeren. De Raad wijst als aandachtspunt op de keuze van vriendenkring, waarbij de verdachte zich moet realiseren welke vriendschappen behulpzaam zijn en welke niet.
De Raad is van mening dat de verdachte de consequenties van zijn antisociale gedrag moet ervaren door het uitvoeren van een onvoorwaardelijke werkstraf. Aanvullende hulpverlening acht de Raad niet aangewezen, nu daarvoor geen indicaties worden gezien.
Oordeel van de rechtbank
Voor het bepalen van de straf acht de rechtbank voorts de volgende omstandigheden van belang.
De rechtbank stelt vast dat, zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van het handelen van de verdachte, de ernstige gevolgen van het incident ook het resultaat zijn van een ongelukkige samenloop van omstandigheden op het moment van het ongeluk. Het strafbare feit heeft bijna twee jaar geleden plaatsgevonden, en de verdachte heeft sindsdien lange tijd moeten wachten op de behandeling van zijn strafzaak. De verdachte is bovendien een first offender en heeft zijn leven op orde.
Verder merkt de rechtbank op dat feiten zoals tenlastegelegd in dagvaarding II normaal gesproken op een lichter strafrechtelijk forum worden behandeld, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid zou hebben geleid tot een snellere afhandeling van de zaak en minder zwaarwegende gevolgen voor de verdachte. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte voldoende gestraft is voor zijn handelen en dat het opleggen van een straf in welke vorm dan ook op dit moment geen strafrechtelijk doel meer dient. De rechtbank acht een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel het meest passend en zal dienovereenkomstig beslissen.

7.Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I primair en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van dagvaarding I, primair (09-232485-24):
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
ten aanzien van dagvaarding II (09-190155-25):
diefstal;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafoplegging
bepaalt dat aan de verdachte
geen straf of maatregelzal worden opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. drs. E. van Die, kinderrechter, voorzitter,
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,
en mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2026.