Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 28 mei 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 9 oktober 2025 schriftelijk in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en dat eiser daarom in zijn recht staat. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. De totale beslistermijn wordt gesteld op zestien weken.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 9 januari 2026.