6.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 21 november 2024, terwijl hij pas vijftien jaar oud was, schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn stiefvader. Tijdens een ruzie tussen de gezinsleden in hun woning heeft de verdachte een mes uit de keukenlade gepakt en heeft hij hiermee meerdere keren in de borst van zijn stiefvader gestoken. Door zijn handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn stiefvader. Als gevolg van het incident heeft deze een steekwond in de borst overgehouden. Dergelijke feiten hebben grote gevolgen voor de slachtoffers, die mogelijk nog lang gevoelens van angst en onveiligheid ervaren. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 januari 2026, waaruit is gebleken dat hij niet eerder is veroordeeld. Nu dit het uitgangspunt is, heeft dit gegeven verder geen invloed op de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 10 april 2025, opgesteld door een GZ-psycholoog, en van de Pro Justitia-rapportage van 15 april 2025, opgesteld door een kinder- en jeugdpsychiater (hierna: de deskundigen). Daaruit volgt – kort samengevat en zakelijk weergegeven – dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en zwakbegaafdheid. Doordat de verdachte onvoldoende inzicht heeft gegeven in de omstandigheden, zijn gedrag en gedragskeuzes, kan niet worden aangegeven in hoeverre deze hebben doorgewerkt in zijn handelen of de mate van toerekenen. Daarnaast heeft de psycholoog een globale ontwikkelingsachterstand vastgesteld. De psychiater heeft zich onthouden van een advies over de doorwerking van de stoornissen bij het bewezenverklaarde en daarmee over de mate van toerekenbaarheid. De psycholoog heeft geadviseerd het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog concludeert dat de bij de verdachte vastgestelde stoornissen hebben geleid tot beperkingen in zijn copingvaardigheden. De verdachte uitte zijn frustraties jegens zijn stiefvader onvoldoende, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in het ontstaan van een wraakzuchtig plan. Het risico op recidive wordt door de deskundigen ingeschat als matig. De verdachte is een first offender. Hij heeft een betrokken moeder die meewerkt aan alle ingezette interventies. De verdachte volgt onderwijs en werkt eveneens mee aan de hulpverlening. Zijn sociale netwerk is beperkt en hij heeft weinig vrienden. Ook het steunnetwerk van het gezin is beperkt en de relatie met zijn stiefvader is moeizaam. De deskundigen zien voldoende mogelijkheden voor behandeling in een ambulant kader en adviseren deze behandeling te laten plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. In aanvulling daarop heeft de psycholoog overwogen dat de verdachte veel structuur en begeleiding nodig heeft, waarbij aandacht dient te zijn voor zowel zijn intelligentieprofiel op moeilijk lerend niveau als voor zijn autismespectrumstoornis. Het verbeteren van copingvaardigheden, het leren herkennen van spanning en het reguleren van zijn emoties zijn daarbij van wezenlijk belang.
De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De conclusie van de psycholoog met betrekking tot de toerekenbaarheid is deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd. De rechtbank neemt deze conclusie over en is van oordeel dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 januari 2026 en de mondelinge toelichting van de deskundige ter terechtzitting. Uit het rapport blijkt – kort samengevat – dat de verdachte onduidelijk is over de gebeurtenissen rondom het delict. Hij geeft aan zich niets meer te herinneren. Tevens verklaart de verdachte geen spijt te hebben van het incident. De redenen voor het handelen van de verdachte blijven onduidelijk, maar het rapport suggereert dat verschillende factoren hierbij een rol kunnen hebben gespeeld, zoals zijn autisme, moeite met het inschatten van sociale situaties, het verkeerd inschatten van de bedoelingen van anderen, en zijn zwakbegaafdheid. Voor de aanhouding van de verdachte bestonden er al zorgen over zijn thuissituatie. Er waren relatieproblemen tussen zijn moeder en stiefvader, en de verdachte vertoonde gedragsproblemen. In gesprekken heeft de verdachte duidelijk aangegeven geen contact meer te willen hebben met zijn stiefvader en niet meer naar huis te willen terugkeren. Momenteel volgt de verdachte onderwijs en behaalt hij goede resultaten. Binnenkort gaat hij stage lopen in de horeca. Sinds het incident verblijft de verdachte niet meer thuis, maar woont hij bij jeugdhulpinstelling [instelling 1] . Hoewel het lange tijd goed is gegaan, zijn er inmiddels ernstige zorgen over het emotioneel welbevinden van de verdachte, zijn veiligheid en zijn gedragsregulatie. De afgelopen periode is er sprake van een duidelijke neerwaartse ontwikkeling, die samenhangt met zijn intense en eenzijdige focus op een meisje met wie hij contact had via Snapchat. De verdachte heeft uitspraken gedaan die doen denken aan de gevoelens die hij had in de periode waarin hij zijn stiefvader neerstak.
De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met bijzondere voorwaarden als stok achter de deur. Daarbij wordt aanbevolen om een geschikte verblijfsplek voor de verdachte te vinden, zoals een klinische opname, met behulp van de jeugdreclassering. De Raad acht het noodzakelijk dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Ten slotte heeft een deskundige van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) ter terechtzitting aangegeven dat de plaatsing van de verdachte bij [instelling 1] onhoudbaar is geworden door de intensieve begeleiding die hij nodig heeft. Eerder werd een vervolgplaatsing bij [instelling 2] als passend geacht, maar gezien de problematiek van de verdachte en de zorgwekkende uitspraken die hij recentelijk heeft gedaan, is dit geen haalbare optie meer. Het is daarom noodzakelijk dat de verdachte klinisch wordt opgenomen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze uit de rapportages en ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, alsmede de straffen die in vergelijkbare zaken gewoonlijk worden opgelegd, in aanmerking genomen.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. De rechtbank zal de verdachte dan ook een jeugddetentie voor de duur van 171 dagen, met aftrek van de tijd die hij vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (71 dagen).
De rechtbank zal 100 dagen van die straf voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient een voldoende afschrikwekkende werking te hebben en de verdachte te weerhouden van het opnieuw begaan van strafbare feiten. Aan het voorwaardelijk strafdeel van de jeugddetentie zal een proeftijd van twee jaren worden verbonden, hetgeen op grond van artikel 77y van het Wetboek van Strafrecht de duur is die maximaal kan worden opgelegd.
Tevens zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van de plaatsing in een forensische setting. Ter terechtzitting heeft de Raad, gesterkt door het advies van de jeugdreclassering, geadviseerd om als bijzondere voorwaarde in het vonnis een plaatsing van de verdachte in een forensische setting op te nemen. Gelet op het ontbreken van een indicatiestelling en een behandeladvies, alsmede de onduidelijkheid over de mogelijke opnameplaats, zal de rechtbank deze voorwaarde niet opnemen in het vonnis. Indien een wijziging van omstandigheden zich voordoet, staat het de jeugdreclassering vrij om -via de officier van justitie- een verzoek tot aanpassing van de bijzondere voorwaarden bij de rechtbank in te dienen.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gezien de ernst van het gepleegde geweldsdelict, alsmede het feit dat de verdachte momenteel zorgelijk gedrag vertoont en een opname in een forensische setting door de deskundigen ter terechtzitting is geadviseerd, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.