ECLI:NL:RBDHA:2026:2766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
09-372048-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor poging tot doodslag op stiefvader ondanks ontwikkelingsproblematiek

Op 21 november 2024 heeft de verdachte zijn stiefvader meerdere malen met een mes in de borst gestoken in diens woning te Zoetermeer. De verdachte, destijds vijftien jaar oud en met een autismespectrumstoornis en zwakbegaafdheid, had de intentie om zijn stiefvader te doden, wat hij ook heeft verklaard. De rechtbank oordeelde dat ondanks zijn ontwikkelingsproblematiek, de verdachte voldoende inzicht had in de ernst en mogelijke dodelijke gevolgen van zijn handelen.

De verdediging voerde aan dat het vereiste opzet ontbrak vanwege de ontwikkelingsproblematiek, maar dit werd door de rechtbank verworpen op basis van verklaringen van de verdachte en deskundigenrapporten. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van poging tot doodslag.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn beperkte toerekeningsvatbaarheid en het advies van deskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming. De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 171 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering. De voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het risico op herhaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 171 dagen jeugddetentie, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en dadelijke uitvoerbaarheid.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-372048-24
Datum uitspraak: 9 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment verblijvende bij [instelling 1] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 26 januari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R. Limburg en de raadsvrouw van de verdachte is mr. N.M.H.M. den Dekker. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 november 2024 te Zoetermeerter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst, althans in het lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 november 2024 te Zoetermeerter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk
letsel toe te brengen
voornoemde [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst, althans in het lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit bepleit omdat het daarvoor vereiste opzet op de dood niet kan worden vastgesteld. Zij heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hooguit het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3
Bewijsoverwegingen
Op 21 november 2024 is [slachtoffer] in zijn woning, gelegen aan de [adres] , door de verdachte met een mes in de borst gestoken. Dit feit heeft ter terechtzitting niet ter discussie gestaan. De verdachte heeft dit ook bekend.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte moet
worden gekwalificeerd.
3.3.1
Ontbreken (voorwaardelijk) opzet vanwege ontwikkelingsproblematiek?
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de verklaringen van de verdachte bij de politie niet kan worden afgeleid dat hij (vol) opzet had op de dood van zijn stiefvader. De bij hem vastgestelde ontwikkelingsproblematiek staat hieraan in de weg.
De rechtbank stelt voorop dat een geestelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van opzet in de weg staat, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.
Over de verdachte is een rapportage uitgebracht door een kinder- en jeugdpsychiater en een psycholoog, gedateerd 10 en 15 april 2025. De deskundigen hebben gerapporteerd dat de verdachte beperkt is in zijn vermogen om de gevolgen van zijn handelen te overzien. Dit betekent echter niet dat bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Dat de psycholoog heeft geadviseerd het tenlastegelegde de verdachte in verminderde mate toe te rekenen, maakt dit niet anders. Daarnaast heeft de verdachte tegenover de deskundigen verklaard over het incident, waarbij hij heeft aangegeven dat het zijn doel was dat zijn stiefvader zou “verdwijnen”, door te vertrekken of te overlijden. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich, ondanks zijn beperkingen, rekenschap heeft kunnen geven van de ernst van zijn handelen en van de mogelijke dodelijke gevolgen van het steken met een mes. Daarom is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte ten tijde van zijn handelen niet ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen heeft ontbroken. De stoornis van de verdachte staat dan ook niet aan een bewezenverklaring van opzet in de weg.
3.3.2
O
pzet?
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van zijn stiefvader.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, gelet op zijn ontwikkelingsproblematiek, geen opzet heeft gehad op het doden van zijn stiefvader, ook niet in de zin dat hij bewust de aanmerkelijke kans op zijn dood heeft aanvaard.
Uit het dossier volgt dat de verdachte zijn stiefvader meerdere malen met een mes in de borst heeft gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, waaronder het hart, de longen en belangrijke bloedvaten. Kort na het incident heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij een mes uit een keukenlade heeft gepakt, vervolgens met grote snelheid op zijn stiefvader is afgerend en hem driemaal met het mes heeft gestoken. Daarbij heeft de verdachte verklaard dat hij zijn stiefvader eigenlijk in de nek wilde steken, “want dan gaat hij makkelijker dood”. Ook heeft hij verklaard dat hij van plan was zijn stiefvader te steken, te slepen en te begraven en vervolgens “een nieuwe vader te zoeken”. Hieruit volgt dat de verdachte de intentie heeft gehad om zijn stiefvader van het leven te beroven en dat hij daarom vol opzet heeft gehad op het overlijden van zijn stiefvader.
Conclusie
Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024377634, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam/Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 108).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik mijn stiefvader heb gestoken, omdat ik wilde dat hij er niet meer zou zijn.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 22 november 2024, voor zover inhoudende (p. 27-36):
V: Wie pakte dat mes?
A: Ik pakte dat mes.
V: Waar pakte je dat mes?
A: Uit de keukenkast.
V: Wat voor mes was het?
A: Ik pakte het grootste mes die er lag en ik wilde hem steken.
V: Je pakte het mes uit de keukenlade en toen.
A: Ik rende meteen op mijn alle hardste en ik stak meteen in zijn rug en twee keer in zijn borst en vroeger direct in het midden.
V: Hoe vaak heb je gestoken?
A: 3 keer.
V: Waarom stak op die plekken?
A: Ik wilde direct in zijn nek steken.
V: Waarom zijn nek?
A: Dan gaat makkelijker dood.
V: Waarom moet hij dood dan?
A: Ik wilde hem steken, slepen en begraven en dan een nieuwe vader zoeken.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 22 november 2024, voor zover inhoudende (p. 38-41):
Ik doe hierbij aangifte tegen mijn zoon, mijn zoon is genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2009. Op 21 november 2024 omstreeks 18:15 uur kwam ik thuis aan bij mijn woning aan de [adres] . Na enige tijd zag ik dat [verdachte] opstond zonder iets te zeggen. Ik zag dat hij naar de keuken liep. Vervolgens zag en hoorde ik dat hij de keukenla opendeed. Ik hoorde dat hij een mes uit de keukenla pakte. Op dat moment kwam hij eigenlijk direct op mijn vrouw afgelopen met het mes nog in zijn rechterhand. Ik zag dat [verdachte] zwaaiende bewegingen maakte het mes in onze richting. Op het moment dat ik zijn arm vastpakte voelde ik een pijn in mijn borst. Ik voelde een steek maar ik dacht dat ik misschien geraakt was. Toen ik buiten stond voelde ik plots wat over mijn borst lopen. Ik keek vervolgens en zag dat ik een steekwond had ik mijn borst. De steekwond was aan de linkerzijde van mijn borst. Ik zag een hoop bloed naar beneden over mijn borst lopen.
4. Het geschrift, te weten: de geneeskundige verklaring van dr. Verhage, opgesteld op 6 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 106-108):
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
A. Uitwendig waargenomen letsel:
In- en uitsteekopening mamma links
B. Is er een vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 21/11/2024
E. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel, etc.)
CT: geen intrathoracale betrokkenheid. Oppervlakkig letsel van subcutis en spier
F. Geschatte duur van de genezing: 2-4 weken
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 21 november 2024 te Zoetermeer
,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – rekening houdend met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 171 dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Hiervan dient 100 dagen voorwaardelijk te worden opgelegd, met een proeftijd van drie jaar, onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), met uitzondering van de klinische opname.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde met betrekking tot de klinische opname heeft de officier van justitie gevorderd dat bij de formulering van deze voorwaarde zal worden aangesloten bij de ter terechtzitting door hem aangehaalde uitspraak. Bovendien heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het ten laste gelegde feit, er rekening mee te houden dat verdachte ten tijde van het incident verminderd toerekeningsvatbaar was. Verder heeft de verdediging verzocht om in dat geval een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, met daarnaast eventueel een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 21 november 2024, terwijl hij pas vijftien jaar oud was, schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn stiefvader. Tijdens een ruzie tussen de gezinsleden in hun woning heeft de verdachte een mes uit de keukenlade gepakt en heeft hij hiermee meerdere keren in de borst van zijn stiefvader gestoken. Door zijn handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn stiefvader. Als gevolg van het incident heeft deze een steekwond in de borst overgehouden. Dergelijke feiten hebben grote gevolgen voor de slachtoffers, die mogelijk nog lang gevoelens van angst en onveiligheid ervaren. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 januari 2026, waaruit is gebleken dat hij niet eerder is veroordeeld. Nu dit het uitgangspunt is, heeft dit gegeven verder geen invloed op de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 10 april 2025, opgesteld door een GZ-psycholoog, en van de Pro Justitia-rapportage van 15 april 2025, opgesteld door een kinder- en jeugdpsychiater (hierna: de deskundigen). Daaruit volgt – kort samengevat en zakelijk weergegeven – dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en zwakbegaafdheid. Doordat de verdachte onvoldoende inzicht heeft gegeven in de omstandigheden, zijn gedrag en gedragskeuzes, kan niet worden aangegeven in hoeverre deze hebben doorgewerkt in zijn handelen of de mate van toerekenen. Daarnaast heeft de psycholoog een globale ontwikkelingsachterstand vastgesteld. De psychiater heeft zich onthouden van een advies over de doorwerking van de stoornissen bij het bewezenverklaarde en daarmee over de mate van toerekenbaarheid. De psycholoog heeft geadviseerd het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog concludeert dat de bij de verdachte vastgestelde stoornissen hebben geleid tot beperkingen in zijn copingvaardigheden. De verdachte uitte zijn frustraties jegens zijn stiefvader onvoldoende, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in het ontstaan van een wraakzuchtig plan. Het risico op recidive wordt door de deskundigen ingeschat als matig. De verdachte is een first offender. Hij heeft een betrokken moeder die meewerkt aan alle ingezette interventies. De verdachte volgt onderwijs en werkt eveneens mee aan de hulpverlening. Zijn sociale netwerk is beperkt en hij heeft weinig vrienden. Ook het steunnetwerk van het gezin is beperkt en de relatie met zijn stiefvader is moeizaam. De deskundigen zien voldoende mogelijkheden voor behandeling in een ambulant kader en adviseren deze behandeling te laten plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. In aanvulling daarop heeft de psycholoog overwogen dat de verdachte veel structuur en begeleiding nodig heeft, waarbij aandacht dient te zijn voor zowel zijn intelligentieprofiel op moeilijk lerend niveau als voor zijn autismespectrumstoornis. Het verbeteren van copingvaardigheden, het leren herkennen van spanning en het reguleren van zijn emoties zijn daarbij van wezenlijk belang.
De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De conclusie van de psycholoog met betrekking tot de toerekenbaarheid is deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd. De rechtbank neemt deze conclusie over en is van oordeel dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 januari 2026 en de mondelinge toelichting van de deskundige ter terechtzitting. Uit het rapport blijkt – kort samengevat – dat de verdachte onduidelijk is over de gebeurtenissen rondom het delict. Hij geeft aan zich niets meer te herinneren. Tevens verklaart de verdachte geen spijt te hebben van het incident. De redenen voor het handelen van de verdachte blijven onduidelijk, maar het rapport suggereert dat verschillende factoren hierbij een rol kunnen hebben gespeeld, zoals zijn autisme, moeite met het inschatten van sociale situaties, het verkeerd inschatten van de bedoelingen van anderen, en zijn zwakbegaafdheid. Voor de aanhouding van de verdachte bestonden er al zorgen over zijn thuissituatie. Er waren relatieproblemen tussen zijn moeder en stiefvader, en de verdachte vertoonde gedragsproblemen. In gesprekken heeft de verdachte duidelijk aangegeven geen contact meer te willen hebben met zijn stiefvader en niet meer naar huis te willen terugkeren. Momenteel volgt de verdachte onderwijs en behaalt hij goede resultaten. Binnenkort gaat hij stage lopen in de horeca. Sinds het incident verblijft de verdachte niet meer thuis, maar woont hij bij jeugdhulpinstelling [instelling 1] . Hoewel het lange tijd goed is gegaan, zijn er inmiddels ernstige zorgen over het emotioneel welbevinden van de verdachte, zijn veiligheid en zijn gedragsregulatie. De afgelopen periode is er sprake van een duidelijke neerwaartse ontwikkeling, die samenhangt met zijn intense en eenzijdige focus op een meisje met wie hij contact had via Snapchat. De verdachte heeft uitspraken gedaan die doen denken aan de gevoelens die hij had in de periode waarin hij zijn stiefvader neerstak.
De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met bijzondere voorwaarden als stok achter de deur. Daarbij wordt aanbevolen om een geschikte verblijfsplek voor de verdachte te vinden, zoals een klinische opname, met behulp van de jeugdreclassering. De Raad acht het noodzakelijk dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Ten slotte heeft een deskundige van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) ter terechtzitting aangegeven dat de plaatsing van de verdachte bij [instelling 1] onhoudbaar is geworden door de intensieve begeleiding die hij nodig heeft. Eerder werd een vervolgplaatsing bij [instelling 2] als passend geacht, maar gezien de problematiek van de verdachte en de zorgwekkende uitspraken die hij recentelijk heeft gedaan, is dit geen haalbare optie meer. Het is daarom noodzakelijk dat de verdachte klinisch wordt opgenomen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze uit de rapportages en ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, alsmede de straffen die in vergelijkbare zaken gewoonlijk worden opgelegd, in aanmerking genomen.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. De rechtbank zal de verdachte dan ook een jeugddetentie voor de duur van 171 dagen, met aftrek van de tijd die hij vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (71 dagen).
De rechtbank zal 100 dagen van die straf voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient een voldoende afschrikwekkende werking te hebben en de verdachte te weerhouden van het opnieuw begaan van strafbare feiten. Aan het voorwaardelijk strafdeel van de jeugddetentie zal een proeftijd van twee jaren worden verbonden, hetgeen op grond van artikel 77y van het Wetboek van Strafrecht de duur is die maximaal kan worden opgelegd.
Tevens zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van de plaatsing in een forensische setting. Ter terechtzitting heeft de Raad, gesterkt door het advies van de jeugdreclassering, geadviseerd om als bijzondere voorwaarde in het vonnis een plaatsing van de verdachte in een forensische setting op te nemen. Gelet op het ontbreken van een indicatiestelling en een behandeladvies, alsmede de onduidelijkheid over de mogelijke opnameplaats, zal de rechtbank deze voorwaarde niet opnemen in het vonnis. Indien een wijziging van omstandigheden zich voordoet, staat het de jeugdreclassering vrij om -via de officier van justitie- een verzoek tot aanpassing van de bijzondere voorwaarden bij de rechtbank in te dienen.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gezien de ernst van het gepleegde geweldsdelict, alsmede het feit dat de verdachte momenteel zorgelijk gedrag vertoont en een opname in een forensische setting door de deskundigen ter terechtzitting is geadviseerd, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
poging tot doodslag;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
171 (HONDERDEENENZEVENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 71 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
100 (HONDERD) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
2 (TWEE) jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de jeugdreclassering);
2. gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen volgens het rooster op de [school] , of een andere door de jeugdreclassering te bepalen school, en hij zich daarbij zal gedragen naar de door de school gestelde omgangs- en gedragsregels;
3. gedurende de proeftijd zal meewerken aan een plaatsing bij [instelling 1] , [instelling 2] of een andere woonplek met begeleiding;
4. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van [instelling 3] of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,
mr. drs. E. van Die, kinderrechter,
en mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2026.