ECLI:NL:RBDHA:2026:2773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3201
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens niet tijdige uitspraak en toekenning schadevergoeding

Eiser, een Algerijnse nationaliteit hebbende persoon, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 4 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie aan hem was opgelegd. De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van deze maatregel getoetst tot het moment van het sluiten van het onderzoek.

De rechtbank stelt vast dat zij op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen een strikte termijn uitspraak had moeten doen, namelijk uiterlijk 2 februari 2026, maar dit niet is nagekomen. Dit leidt ertoe dat de voortzetting van de maatregel vanaf die datum onrechtmatig is.

De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 februari 2026. Tevens kent zij een schadevergoeding toe aan eiser voor elf dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, berekend op € 1.320. Daarnaast worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 934 en worden deze aan verweerder opgelegd.

De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en is onherroepelijk, aangezien geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de maatregel van bewaring wordt opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3201

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 23 december 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser heeft op 19 januari 2026 beroep ingesteld. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift moeten sluiten en ingevolge het tweede lid binnen zeven dagen daarna schriftelijk uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechtbank uiterlijk op 2 februari 2026 uitspraak had moeten doen. Vanwege moverende redenen is dit niet gelukt. Dit kan echter niet voor rekening van eiser komen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring met ingang van heden onrechtmatig moet worden geacht.
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 3 februari 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden.
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor elf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 11 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.320.
7. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [3] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.320 (dertienhonderdtwintig euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 17 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21599 en 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25079.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.