ECLI:NL:RBDHA:2026:279

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695553
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verkoop en ontruiming van de echtelijke woning na scheiding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vrouw en haar ex-man. Partijen zijn gescheiden en de vrouw heeft de man verzocht mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning. De man weigerde echter zijn medewerking te verlenen, wat leidde tot de vordering van de vrouw om de voorzieningenrechter te machtigen om de woning te verkopen en de man te veroordelen de woning te verlaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de woning deel uitmaakte van de gemeenschap van goederen en dat de man gehouden is om mee te werken aan de verkoop, zoals eerder bepaald in een verstekvonnis. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de vrouw niet langer kan worden gevergd de huidige situatie te laten voortduren, gezien de lange periode waarin de man niet heeft meegewerkt. De vorderingen van de vrouw zijn grotendeels toegewezen, inclusief de machtiging tot verkoop van de woning en de ontruiming door de man binnen twee maanden. De rechtbank heeft ook de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/695553 / KG ZA 25-1187
Vonnis in kort geding van 8 januari 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de man.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 december 2025, met producties 1 tot en met 6;
- de mondelinge behandeling van 23 december 2025.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 2005 met elkaar gehuwd.
2.2.
Bij beschikking van 28 maart 2019 heeft de rechtbank Overijssel de scheiding van partijen uitgesproken. In het bij de beschikking aangehechte echtscheidingsconvenant hebben partijen, voor zover van belang, de volgende afspraken gemaakt:

IN AANMERKING NEMENDE:
datpartijen op [datum] 2005 te Den Haag in gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd;
(…)
ECHTELIJKE WONING
Tot de gemeenschap van goederen van partijen behoort de onroerende zaak c.q. echtelijke woning aan de [adres] , ( [postcode] ) [plaats] , met een door partijen geschatte waarde van € 100.000,00.
Deze woning blijft vooralsnog met alle lusten en lasten, derhalve met inbegrip van de restant hypotheekschuld ad -/- € 75.000.00 bij Obvion onder nummer [nummer] (aflossingsvrije hypotheek) onverdeeld in de boedel.
Indien partijen deze woning op enig moment tot verkoop zullen brengen, zullen zij de opbrengst/het te kort, te weten het saldo na aflossing van de restant hypotheekschuld groot -/- € 75.000,00 bij Obvion onder nummer [nummer] (aflossingsvrije hypotheek)en betaling van alle aan de verkoop verbonden kosten, met elkaar bij helfte delen. Partijen spreken af dat deze € 75.000,00 ten alle tijden met de eventuele verkoopopbrengst verrekend zal worden.
Tot aan de datum van de eventuele verkoop zal de man in de woning blijven wonen.
Partijen spreken af de woning vooralsnog 5 jaar onverdeeld te laten, verlenging van deze termijn is mogelijk als beide partijen hierme (schriftelijk) akkoord gaan. Partijen zijn zich er van bewust dat zij ingevolge artikel 3:178, lid 5 BW hun bevoegdheid om verdeling te vorderen telkens voor ten hoogste vijf jaren (één of meerdere malen) kunnen uitsluiten.”
2.3.
De vrouw is in 2023 een procedure gestart tegen de man. Bij verstekvonnis van 29 maart 2023 (hierna: het verstekvonnis) heeft de rechtbank Den Haag, kort gezegd, de man veroordeeld mee te werken aan de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.4.
Op 26 juni 2024 heeft de vrouw, via betekening van het verstekvonnis per exploot door de deurwaarder, de man gesommeerd tot medewerking aan de verkoop en overdracht van de woning. De vrouw heeft een makelaar ingeschakeld, maar de man heeft niet willen meewerken aan de verkoop van de woning.
2.5.
Bij brief van 5 november 2025 heeft de vrouw de man voor de laatste maal gesommeerd om de woning uiterlijk 24 november 2025 volledig leeg, schoon en in goede staat op te leveren en de sleutels af te geven.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter:
i. haar machtigt tot verkoop en levering van de woning tegen een nader door de door haar te kiezen makelaar te bepalen prijs;
ii. de man veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis de woning te verlaten en te ontruimen en in lege en behoorlijke staat ter beschikking te stellen, met afgifte van de sleutels;
iii. bepaalt dat de veroordeling tot ontruiming van de woning ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;
iv. haar machtigt om nieuwe sloten op de woning te (laten) plaatsen;
v. indien de man niet binnen twee weken na betekening van het vonnis de woning heeft verlaten, ontruimd en in lege en behoorlijke staat ter beschikking heeft gesteld met afgifte van sleutels, de man veroordeelt in de kosten van de ontruiming, te begroten op € 5.000;
een en ander onder veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

4.1.
De man heeft aangevoerd dat, anders dan de vrouw stelt, de woning geen gezamenlijk eigendom is en dat hij de enige eigenaar is van de woning. Dit heeft hij echter niet onderbouwd. Niet in geschil is dat de man de woning alleen heeft gekocht, maar de voorzieningenrechter houdt het ervoor dat partijen vervolgens in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en dat de woning deel uitmaakte van de gemeenschap. Dit staat immers in de door de vrouw overgelegde beschikking van 28 maart 2019 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant.
4.2.
In het echtscheidingsconvenant hebben partijen afgesproken de woning vijf jaar onverdeeld te laten. Deze termijn is niet verlengd en op 28 maart 2024 verstreken. Ook bij het verstekvonnis heeft deze rechtbank al bepaald dat de man moet meewerken aan de verkoop van de woning. Sinds dat vonnis zijn bijna twee jaren verstreken.
4.3.
In beginsel is de man gehouden tot nakoming van het echtscheidingsconvenant en moet hij voldoen aan het verstekvonnis. Dit betekent dat hij moet meewerken aan de verkoop van de woning. Niet in geschil is dat de man dat tot nu toe niet heeft gedaan.
4.4.
De vrouw heeft tijdens de zitting gezegd dat ze wil worden ontslagen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Het is spijtig voor partijen dat de vrouw door de gemeenschap van goederen waarin zij is getrouwd mede aansprakelijk is geworden voor de hypothecaire schuld voor de woning, waarvoor de man eerst alleen aansprakelijk was. Zeker nu zij verder geen aanspraak wil maken op de woning. Het zou voor beide partijen een uitkomst zijn als de hypotheekhouder de vrouw zou ontslaan uit de hoofdelijkheid. Dit is echter iets wat partijen onderling moeten regelen en waarbij de voorzieningenrechter geen rol kan spelen.
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan van de vrouw inderdaad niet langer worden gevergd de bestaande situatie te laten voortduren. De door de man gestelde belangen zijn onvoldoende zwaarwegend. De man heeft sinds 2019 voldoende gelegenheid gehad om op zoek te gaan naar vervangende woonruimte. Sterker nog, de vrouw heeft eerder geopperd dat hij in haar eigen huurwoning kan gaan wonen. Volgens de man is deze woning niet geschikt omdat hij niet goed kan traplopen en zijn hond meermaals per dag moet uitlaten. Dit moge zo zijn, maar de man gaat hiermee eraan voorbij dat het op zijn eigen weg ligt om voor zichzelf vervangende woonruimte te zoeken. Tijdens de zitting heeft de man desgevraagd gezegd dat hij niet ingeschreven staat als woningzoekende en dat hij ook niet op een andere manier hulp heeft gezocht. Dat hij op korte termijn geen vervangende woonruimte heeft, komt daarom voor zijn risico. De voorzieningenrechter zal de gevorderde machtiging toewijzen (vordering i).
4.6.
Gelet op de voorgeschiedenis zijn er geen aanwijzingen dat de man nu wel zijn medewerking gaat verlenen. Het is daarom aannemelijk dat het voor de uitvoering van de door haar gevorderde machtiging noodzakelijk is dat de man de woning verlaat. De voorzieningenrechter zal daarom ook de gevorderde ontruiming toewijzen (vordering ii). De voorzieningenrechter heeft er oog voor dat dit vonnis kan leiden tot dakloosheid van de man en dat hij, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, dan zijn hond moet wegdoen. De advocaat die de vrouw ter zitting heeft bijgestaan, mr. H.E. Weeda, heeft in dat verband gezegd dat zij bereid is voor de man contact te zoeken met de gemeente Den Haag. Ook heeft zij gezegd er geen bezwaar tegen te hebben dat de man een ruimere termijn wordt gegund dan gevorderd. De voorzieningenrechter zal daarom een termijn van twee maanden stellen om aan de gevorderde ontruiming te voldoen. Wellicht kunnen partijen in deze periode een poging doen om de hypotheekhouder te overtuigen de vrouw uit de hoofdelijkheid te ontslaan.
4.7.
Het voorgaande betekent ook dat de vordering om de vrouw te machtigen om nieuwe sloten op de woning te (laten) plaatsen wordt toegewezen (vordering iv).
4.8.
Vordering iii zal de voorzieningenrechter afwijzen. De vrouw heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat de man onrechtmatig dreigt te handelen doordat zich anderen dan de man in de woning bevinden of zullen binnentreden ten tijde van de tenuitvoerlegging van de ontruiming van de woning of op een ander moment.
4.9.
Ook vordering v, om de man (voorwaardelijk) te veroordelen in de kosten van een gedwongen ontruiming, zal worden afgewezen, aangezien op voorhand niet te beoordelen is of de kosten van een gedwongen ontruiming in redelijkheid worden gemaakt.
4.10.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
machtigt de vrouw om na betekening van dit vonnis zonder medewerking van de man over te gaan tot de verkoop en levering van de woning tegen een door een nader door de vrouw te kiezen makelaar te bepalen prijs;
5.2.
veroordeelt de man om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de woning te verlaten en te ontruimen en in lege en behoorlijke staat ter beschikking te stellen, met afgifte van de sleutels ten kantore van Yur Advocaten B.V.;
5.3.
machtigt de vrouw om nieuwe sloten op de woning te (laten) plaatsen;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.
ms