ECLI:NL:RBDHA:2026:2796

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 februari 2026
Zaaknummer
C/09/688964 / FA RK 25-5580
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205 BWArt. 1:5 lid 1 BWArt. 1:20e lid 1 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van erkenning wegens niet-biologische vaderschap na overschrijding wettelijke termijn

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om de erkenning door de man te vernietigen omdat hij niet haar biologische vader is. De erkenning dateert van 12 mei 1999. Verzoekster werd medio januari 2022 bekend met het feit dat de man vermoedelijk niet haar biologische vader is, waardoor de wettelijke termijn van drie jaar voor het indienen van het verzoek tot vernietiging was verstreken.

De rechtbank oordeelt dat verzoekster in beginsel niet-ontvankelijk is vanwege het overschrijden van de termijn, maar dat zij op grond van artikel 8 EVRM Pro toch ontvankelijk kan worden geacht. Dit omdat het vasthouden aan de termijn een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op haar recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven, mede gezien haar psychiatrische problematiek en langdurige behandeling.

De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vernietiging en heeft een instemmingsverklaring overgelegd. De rechtbank acht het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid zwaarder dan de rechtszekerheid die de termijn beoogt te beschermen.

Op basis van een DNA-test is vastgesteld dat de man niet de biologische vader is. De rechtbank vernietigt de erkenning en bepaalt dat verzoekster voortaan de geslachtsnaam van haar moeder draagt. De griffier wordt opgedragen een afschrift van de beschikking aan de burgerlijke stand te zenden. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de erkenning van verzoekster door de man wegens niet-biologisch vaderschap ondanks overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5580
Zaaknummer: C/09/688964
Datum beschikking: 14 januari 2026

Vernietiging erkenning

Beschikking op het op 22 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • de instemmingsverklaring van de man van 24 juli 2025.

Verzoek

Het verzoekschrift strekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot:
  • de vernietiging van de erkenning van verzoekster door [de man] ;
  • een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] ;
  • de kosten van deze procedure te compenseren, dan wel ten laste van verzoekster te laten indien de wet daartoe verplicht.

Feiten

  • Verzoekster is geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats 1] als ‘ [voornaam] [geslachtsnaam] ’.
  • Verzoekster is geboren uit [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1965 te [geboorteplaats 2] , [land] .
  • Verzoekster is blijkens de akte van erkenning op 12 mei 1999 met toestemming van haar moeder door de man erkend.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:205 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, worden ingediend bij de rechtbank:
door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.
Op grond van artikel 1:205 lid 4 BW Pro wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Als het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
De rechtbank overweegt als volgt.
Verzoekster heeft aangegeven dat zij medio januari 2022 bekend is geworden met het feit dat de man niet haar biologische vader is. Vast staat dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning daardoor niet is ingediend binnen de hiervoor genoemde in de wet gestelde termijn. Gelet hierop is verzoekster in beginsel niet-ontvankelijk in haar verzoek. De vraag die aan de rechtbank nu voorligt, is of verzoekster toch ontvankelijk kan worden geacht in haar verzoek, nu de wet niet voorziet in deze mogelijkheid.
Verzoekster beroept zich op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Verdrag van 4 november 1950, Trb. 1951, 154, hierna te noemen: EVRM) en stelt dat sprake is van omstandigheden die maken dat het vasthouden aan de wettelijke termijn voor de vernietiging van de erkenning een ongerechtvaardigde inbreuk op familie- en gezinsleven. Na het besef dat verzoekster jarenlang is opgegroeid met een onjuist beeld van haar afkomst en gelet op de omstandigheden waarin verzoekster is opgegroeid heeft dit geleid tot intensieve begeleiding van verzoekster voor psychiatrische problematiek, waaronder trauma en complexe PTSS. Verzoekster voert aan tot drie keer toe klinisch opgenomen te zijn geweest en ook nu nog onder behandeling te staan voor angststoornissen door middel van psychotherapie.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een strikte toepassing van de uit artikel 1:205 lid 1 en Pro lid 4 BW voortvloeiende vereisten een ongerechtvaardigde inmenging betekent in het door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op eerbiediging van ‘family life’ en ‘private life’ van verzoekster. Het respect voor het familie- en gezinsleven eist in de onderhavige zaak dat het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid prevaleert boven het belang van de strikte hantering van de in artikel 1:205, vierde lid, BW gestelde termijn en de daarmee voorgestane rechtszekerheid. De rechtbank zal verzoekster dan ook ontvangen in haar verzoek. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat de man – als enige belanghebbende bij het verzoek tot vernietiging van de erkenning – geen bezwaar heeft gemaakt tegen toewijzing van dit verzoek door een instemmingsverklaring te overleggen. Bovendien zijn er ook geen andere aanwijzingen dat de rechtszekerheid en de belangen van andere betrokkenen dan de rechtstreeks belanghebbende in het onderhavige geval zullen worden geschaad wanneer niet wordt vastgehouden aan de wettelijke termijn.
Inhoudelijke beoordeling
Verzoekster verzoekt de door de man gedane erkenning te vernietigen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de man niet haar biologische vader kan zijn nu uit het door het DNA Diagnostics Center in Vlaardingen gedane DNA-test is gebleken dat het 99,8% waarschijnlijk is dat er een half-zus-familierelatie bestaat tussen verzoekster en een derde, te weten de dochter van de vermoedelijk biologische vader van verzoekster. Daarnaast heeft de man ook een instemmingsverklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen de vernietiging van de erkenning. Verder blijkt ook uit de door verzoekster overgelegde Whatsapp-berichten dat de man zich in het verzoek kan vinden.
De rechtbank zal dan ook het verzoek van verzoekster tot vernietiging van de erkenning door de man toewijzen.
Nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning door de man geacht nimmer gevolg te hebben gehad. Door de vernietiging van de erkenning staat verzoekster enkel in familierechtelijke betrekking tot de moeder en zij zal dan ook van rechtswege ingevolge artikel 1:5 lid 1 BW Pro de geslachtsnaam van de moeder dragen.
De rechtbank zal ook conform het verzoek de griffier de opdracht geven om een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
’s-Gravenhage te sturen.
Uitvoerverklaring bij voorraad
Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van deze beslissing, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek afwijzen.
Proceskosten
In het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten als na te melden te compenseren.

Beslissing

De rechtbank:
*
vernietigt de erkenning – gedaan op 12 mei 1999 bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] door [de man] , geboren op [geboortedatum 3] 1975 te [geboorteplaats 3] , [land] van: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1995 te
[geboorteplaats 1] als ‘ [voornaam] [geslachtsnaam] ’;
*
draagt de griffier – op grond van artikel 1:20e lid 1 BW – op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2026.