ECLI:NL:RBDHA:2026:2836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694397 / FA RK 25-8495
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 lid 2 RvArt. 822 lid 2 RvArt. 278 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging voorlopige voorzieningen in familierechtelijke procedure

Partijen zijn gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. De voorlopige voorzieningen zijn eerder vastgesteld in een beschikking van 8 juli 2025, waarbij onder meer de zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie zijn bepaald.

De man verzoekt wijziging van deze voorlopige voorzieningen, stellende dat de zorgregeling niet aan wettelijke maatstaven voldoet, de ingangsdatum van de kinderalimentatie onjuist is en de partneralimentatie onterecht is vastgesteld. De vrouw verzet zich tegen deze verzoeken en betoogt dat er geen gewijzigde omstandigheden zijn die een wijziging rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 824 lid 2 Rv Pro slechts bij evidente en zeer sprekende gevallen wijziging van voorlopige voorzieningen mogelijk is. De gestelde wijzigingen door de man zijn onvoldoende onderbouwd en er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank wijst het verzoek tot wijziging van de zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie af. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen wordt afgewezen wegens ontbreken van gewijzigde omstandigheden en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8495
Zaaknummer: C/09/694397
Datum beschikking: 15 januari 2026

Wijziging voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 10 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. O. Huisman in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Özates in Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
  • het bericht van 12 november 2025 van de man, met bijlage;
  • het bericht van 4 december 2025 van de man, met bijlagen;
  • het bericht van 5 december 2025 van de man, met bijlagen;
  • het bericht van 16 december 2025 van de man, met bijlage;
  • het bericht van 17 december 2025 van de man, met bijlage.
[minderjarige 1] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter en heeft op 15 december 2025 een gesprek gehad met de kinderrechter.
Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2015 in [plaats 1], [land].
  • Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats], [land];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats], [land].
  • Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
  • De kinderen verblijven op dit moment feitelijk bij de vrouw.
  • De man heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Belgische en de Marokkaanse nationaliteit.
  • Bij deze rechtbank is een echtscheidingsprocedure aanhangig, onder zaak- en rekestnummer C/09/689647 en FA RK 25-5927.

Verzoek en verweer

Bij beschikking van 8 juli 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier relevant – bepaald dat:
  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats 2] aan het [adres], met bevel dat de man die woning moet verlaten en verder niet mag betreden;
  • de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
  • de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben: één keer in de twee weken een weekend van vrijdag uit school tot zondagavond 18.30 uur en iedere week van woensdag uit school tot donderdagochtend naar school;
  • de man aan de vrouw, met ingang van 8 mei 2025, voorlopig een kinderalimentatie voor de kinderen van € 427,- per kind per maand moet betalen;
  • de man aan de vrouw, met ingang van het moment dat het salaris van de vrouw uit [bedrijfsnaam] B.V. wegvalt, voorlopig een partneralimentatie van € 2.000,- per maand moet betalen.
De man verzoekt de beschikking van 8 juli 2025 te wijzigen, in die zin dat de rechtbank:
  • bepaalt dat de kinderen voorlopig bij de man zullen verblijven, conform het verzoek van de man onder I., althans dat de rechtbank een in goede justitie te bepalen voorlopige zorgregeling vaststelt;
  • de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie bepaalt op 8 juli 2025;
  • bepaalt dat de man geen voorlopige partneralimentatie aan de vrouw moet betalen en dat de vrouw hetgeen zij te veel aan voorlopige partneralimentatie heeft ontvangen aan de man moet terugbetalen,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw, naar de rechtbank uit de toelichting op de zitting begrijpt: voorwaardelijk, in het geval de rechtbank van oordeel is dat sprake is van zodanige gewijzigde omstandigheden dat de voorlopige zorgregeling moet worden gewijzigd, de beschikking van 8 juli 2025 te wijzigen, in die zin dat:
  • de kinderen wekelijks van donderdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de man zullen verblijven;
  • de vakantieregeling als volgt te bepalen:
  • zomervakantie (jaarlijks om en om): twee weken bij de vrouw, twee weken bij de man, daarna week op week;
  • kerst- en meivakantie (om en om en jaarlijks afwisselend): Kerst eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man en meivakantie eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw;
  • herfst- en voorjaarsvakantie: reguliere zorgregeling laten doorlopen of halverwege delen,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert mondeling verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in deze voorlopige voorzieningenprocedure en zal Nederlands recht toepassen.
Wijziging voorlopige voorzieningen
De man verzoekt om de voorlopige zorgregeling, de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie en de voorlopige partneralimentatie te wijzigen.
De man stelt dat de voorlopige zorgregeling vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en dat deze nadien door een wijziging van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De rechtbank heeft de vakanties en de feestdagen zonder enige motivering niet verdeeld, terwijl dat wel door de man was verzocht. De kinderen zijn bovendien gestopt met de buitenschoolse activiteiten die de man voor zijn rekening nam, waardoor de man de kinderen minder ziet dan was beoogd.
Verder voldoet de beslissing over de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven, omdat de hoofdregel is dat de voorlopige kinderalimentatie ingaat met ingang van de datum van de beschikking. De man stelt zich tot slot het standpunt dat de beslissing over de voorlopige partneralimentatie vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, omdat bij die beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Volgens de man staat op basis van de uitkeringstoets vast dat hij geen dividend aan zichzelf mag uitkeren, omdat hij een reserve in zijn onderneming moet houden.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen. Volgens de vrouw is er, gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de motivering van de man voor de wijziging van de voorlopige zorgregeling, de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie en de voorlopige partneralimentatie, geen sprake van omstandigheden die een wijziging van de voorlopige voorzieningen zouden rechtvaardigen. De man heeft in deze procedure dezelfde motivering aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd als hij bij de vaststelling van de voorlopige voorzieningen heeft gedaan. Het verzoek ten aanzien van de voorlopige partneralimentatie is bovendien niet gemotiveerd en gesubstantieerd en moet ook om die reden worden afgewezen.
Op grond van artikel 824 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorzieningen niet in stand kan blijven. Bij de toepassing van dit artikel geldt dat niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid wijziging van de getroffen voorziening mogelijk is. Immers, met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking genomen’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Zou dit anders zijn, dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn, wat niet de bedoeling is.
Voorlopige zorgregeling
Met betrekking tot de door de man verzochte wijziging van de voorlopige zorgregeling overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet in wat de man heeft aangevoerd – namelijk dat de kinderen zijn gestopt met kickboksen, schaken en Arabische les, welke activiteiten de man voor zijn rekening zou nemen – geen aanleiding om inhoudelijk te beoordelen of de voorlopige zorgregeling moet worden gewijzigd, omdat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden of van de situatie dat in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven, zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv Pro. Bij de vaststelling van de voorlopige zorgregeling in de beschikking van 8 juli 2025 was ook al duidelijk dat de kinderen niet meer naar kickboksen, schaken en Arabische les gingen, maar dat [minderjarige 1] alleen nog naar voetbal ging.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 8 juli 2025 niet expliciet op het verzoek tot verdeling van vakanties en feestdagen beslist, maar volstaan met het bepalen van een voorlopige zorgregeling en de beslissing dat het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Gelet op het strenge criterium van artikel 824 lid 2 Rv Pro vormt een dergelijk verzuim, zo daarvan al sprake is, echter geen aanleiding om de voorlopige voorziening nu te wijzigen. Zoals hiervoor al is overwogen blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoeling is dat een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen wordt gebruikt om een verzuim te herstellen. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen. Dit betekent dat de voorlopige zorgregeling in de vakanties en tijdens de feestdagen doorloopt, tenzij partijen in onderling overleg andere afspraken maken, zoals zij over de kerstvakantie ook hebben gedaan.
Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat geen sprake is van zodanige gewijzigde omstandigheden die meebrengen dat de voorlopige zorgregeling moet worden gewijzigd, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de voorwaardelijke verzoeken van de vrouw.
Voorlopige kinderalimentatie
Met betrekking tot de door de man verzochte wijziging van de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt. Anders dan de man veronderstelt, staat het de rechter op grond van artikel 822 lid 2 Rv Pro vrij om een eerdere of latere ingangsdatum voor de voorlopige kinderalimentatie te hanteren dan de datum van de beschikking. De rechtbank heeft in de beschikking van 8 juli 2025 de datum van indiening van het verzoekschrift als ingangsdatum voor de voorlopige kinderalimentatie gehanteerd, omdat de vrouw dit heeft verzocht en de man daartegen geen verweer heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van de situatie dat bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, deze voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
Voorlopige partneralimentatie
Met betrekking tot de door de man verzochte wijziging van de voorlopige partneralimentatie overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft in zijn verzoekschrift zijn verzoek tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie niet onderbouwd. De man heeft slechts gesteld dat de beslissing van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoordt doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan en volstaan met een verwijzing naar de punten 28 tot en met 37 van het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man in de echtscheidingsprocedure, dat als bijlage bij het verzoekschrift tot wijziging van de voorlopige voorzieningen zijn gevoegd. De rechtbank acht deze wijze van procederen in strijd met de eisen van een goede procesorde en is van oordeel dat het verzoekschrift van de man voor zover dat ziet op het verzoek tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie niet voldoet aan de eisen die artikel 278 Rv Pro aan een verzoekschrift stelt. Het ligt immers op de weg van de man, als verzoekende partij, om de gronden van zijn verzoek tot wijziging in het verzoekschrift op te nemen en zijn verzoek deugdelijk te onderbouwen. Van de rechtbank en van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij in processtukken die door de man in een andere procedure zijn ingediend op zoek moeten gaan naar de argumenten en stellingen die aan het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie ten grondslag liggen. Op de zitting heeft de man desgevraagd toegelicht dat de beslissing over de voorlopige partneralimentatie vanaf de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, omdat volgens hem vaststaat dat dat man op grond van de uitkeringstoets geen dividend aan zichzelf mag uitkeren. De argumenten en stellingen die door de man in het kader van deze procedure naar voren zijn gebracht, zijn bij de vaststelling van de voorlopige partneralimentatie echter al naar voren gebracht en de rechtbank heeft hierover al geoordeeld in de beschikking van 8 juli 2025. De rechtbank kan op basis van wat de man naar voren heeft gebracht niet vaststellen dat bij de beschikking van 8 juli 2025 in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven, zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv Pro. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom ook afwijzen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken van de man af;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
15 januari 2026.