ECLI:NL:RBDHA:2026:2889

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/09/675195 / FA RK 24-7914
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en toepassing wagonstelsel met zorgregeling en alimentatie

De rechtbank Den Haag heeft op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen partijen gehuwd in 2008 in Marokko. Partijen hebben drie minderjarige kinderen en oefenen gezamenlijk gezag uit. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vastgesteld. Tevens is een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen in de even weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zijn en in de oneven weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, met aanvullende afspraken over vakanties en feestdagen.

De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op €355 per maand, rekening houdend met het netto besteedbaar inkomen van partijen, de draagkracht van de man en het ontbreken van draagkracht bij de vrouw vanwege haar bijstandsuitkering en zorg voor het jongste kind. Partneralimentatie is afgewezen wegens gebrek aan draagkracht. Het huurrecht van de echtelijke woning is aan de vrouw toegewezen. De verdeling van de huwelijksgemeenschap is geregeld conform de afspraken tussen partijen, waarbij de man de schulden bij de Belastingdienst en bank voor zijn rekening neemt.

De rechtbank heeft het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime vastgesteld op Marokkaans recht vanaf het huwelijk en Nederlands recht vanaf 15 september 2008, waarbij de verdeling van de gemeenschap is gebaseerd op Nederlands recht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met vaststelling hoofdverblijfplaats bij vrouw, zorgregeling, kinderalimentatie van €355 per maand en verdeling huwelijksgemeenschap en huurrecht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7914 (echtscheiding), FA RK 25-1970 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/675195 (echtscheiding), C/09/681949 (verdeling)
Datum beschikking: 16 januari 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikkingop het op 5 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.Z. Peters te Zoetermeer .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens gewijzigd en aanvullend verzoek;
- het verweerschrift op het gewijzigd en aanvullend verzoek;
- het F9-bericht van de man van 11 februari 2025, met bijlage;
- het F9-bericht van de vrouw van 27 november 2025, met bijlage;
- het F9-bericht van de vrouw van 1 december 2025, met bijlagen;
- het F9-bericht van de man van 1 december 2025, met bijlagen;
- het F9-bericht van de vrouw van 11 december 2025, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.
Op 12 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat en een tolk: A. Cherradi;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- In de ‘attestation de mariage’, afgegeven door het Consulaat Generaal van het Koninkrijk van Marokko te Rotterdam op 30 oktober 2024, is verklaard dat partijen blijkens de huwelijksakte gedateerd 30 januari 2008, opgesteld door de rechtbank in eerste aanleg van Marokko, met elkaar zijn gehuwd op [datum] 2008.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] ;
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Partijen hebben beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
- Deze rechtbank heeft op 22 januari 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, , inhoudende:
­ toedeling van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats] aan de vrouw;
­ toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw;
­ vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de minderjarigen wekelijks op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man zijn;
­ vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 729,- per maand met ingang van 1 januari 2025.
Verzoek en verweer
Het verzoek, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen elke donderdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur bij de man zullen zijn;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, in die zin dat:
­ de inboedel van de echtelijk woning tussen partijen wordt verdeeld conform het door hem in randnummer 30 van zijn verweerschrift op zelfstandig verzoek geformuleerde voorstel;
­ partijen elk voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de bank van € 1.361,-;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] ;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte voor het overige – op dit moment nog verweer tegen de verzochte zorgregeling en verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat zij in de even weken van vrijdag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man zijn en in de oneven weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, alsmede tijdens de vakanties en feestdagen conform het door de vrouw overgelegde schema;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 205,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 november 2024;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 143,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de basisregistratie personen (BRP);
- vaststelling van het op tussen partijen toepasselijke huwelijksvermogensrecht;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- bepaling dat de man draagplichtig is voor de (eventueel) op zijn naam gestelde schulden;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] ;
- bepaling dat aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend, die in de plaats treedt van de toestemming van de man, om met de kinderen in de zomervakantie 2026 gedurende vier weken naar Marokko te reizen en te verblijven;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en
kosten rechtens.
De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de verzochte zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie en verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
I.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid (ouderschapsplan)
Op grond van artikel 815 tweede Pro lid Rv moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede Pro lid Rv. De rechtbank zal daarom partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.
De kinderen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Hoofdverblijfplaats
Zowel de man als de vrouw hebben verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen. Omdat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank de verzoeken van partijen als op de wet gegrond toewijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Partijen zijn er in geslaagd om tot overeenstemming te komen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De man heeft op de zitting aangegeven dat hij kan instemmen met het gewijzigde verzoek van de vrouw, waarbij de kinderen in de even weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zijn en in de oneven weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur. De man zal de kinderen daarbij halen en brengen, met dien verstande dat de vrouw zich hierin enigszins flexibel zal opstellen, indien de gezondheid van de man het niet toelaat om de kinderen te halen en/of brengen. De rechtbank zal deze zorgregeling vastleggen. De voorwaarde zoals verzocht door de man leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat er van uit dat partijen zich hiervoor zullen inspannen, zodat de zorgregeling steeds doorgang kan vinden.
Verdeling van de vakanties en feestdagen en vervangende toestemming vakantie
Met betrekking tot de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn partijen er voor het overgrote deel ook in geslaagd om tot afspraken te komen. Zij zijn het erover dat dat de kinderen tijdens het Suiker- en Offerfeest zowel bij de man als de vrouw zullen zijn. De schoolvakanties zullen bij helfte worden gedeeld, waarbij ook vakanties van één week worden gesplitst. De wissel vindt daarbij plaats op woensdag om 18.00 uur.
Het is de man en de vrouw niet gelukt om tot overeenstemming te komen voor de zomervakantie 2026, zodat de rechtbank hierover een beslissing zal nemen. De rechtbank volgt daarbij het standpunt van de vrouw en zal bepalen dat de kinderen in de komende zomervakantie de eerste week bij de man zijn, vervolgens drie weken met de vrouw zijn en tot slot twee weken bij de man. Op deze manier kan met name de vierjarige [minderjarige 3] wennen aan een langer verblijf bij de man. Daarnaast is op de zitting besproken dat de vrouw in de zomervakantie 2026 graag met de kinderen op vakantie naar familie in Marokko wil gaan. De man verblijft in de zomer eveneens in Marokko. De rechtbank kan zich daarbij voorstellen dat de vrouw (vanaf de tweede week) met de kinderen naar Marokko reist en daar met de kinderen verblijft. Vervolgens kan de overdracht van de kinderen plaatsvinden in Marokko (de beide plaatsen waar partijen vandaan komen liggen zo’n 165 kilometer uit elkaar), waarna zij bij de man en zijn familie verblijven.
Gelet hierop zal de rechtbank ook het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen in week 2, 3 en 4 van de zomervakantie naar Marokko te reizen, toewijzen. Hoewel de man op de zitting heeft aangegeven dat hij best bereid is om in te stemmen, vindt hij dat de reis nu nog te ver in de toekomst ligt. Om discussie op een later moment te voorkomen, zal de rechtbank de vervangende toestemming nu al verlenen. Naar oordeel van de rechtbank is een vakantie (inclusief familiebezoek) naar Marokko in het belang van de kinderen. Zij gaat er daarbij van uit dat de vrouw aan de man eveneens haar toestemming zal geven om met de kinderen (terug) te reizen in de aanstaande zomervakantie.
Alimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw en de minderjarigen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de vrouw.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. Daarbij zal de datum van de beschikking als ingangsdatum worden vastgesteld, omdat in de procedure tot voorlopige voorzieningen al een voorlopige kinderbijdrage is vastgesteld. De man heeft daarmee tot op heden heeft voldaan aan zijn onderhoudsplicht.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. De rechtbank neemt daarbij 2024 als uitgangspunt, omdat de relatie van partijen in dit jaar feitelijk is geëindigd.
Partijen zijn het erover eens dat (evenals in de voorlopige voorzieningen) aan de zijde van de man zal worden uitgegaan van een inkomen uit loondienst van € 2.974,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een eindejaarsuitkering van € 2.937,- per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van € 161,- per maand en een premie arbeidsongeschiktheid van € 3,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.733,- per maand. De rechtbank verwijst naar de aan de beschikking in voorlopige voorzieningen aangehechte berekening, nu van dezelfde bedragen is uitgegaan.
Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de vrouw tijdens het huwelijk. De man heeft gesteld dat de vrouw zwarte inkomsten had uit schoonmaakwerkzaamheden. Hij schat deze inkomsten tussen de € 200,- en € 500,- netto per maand. De vrouw heeft op de zitting erkend dat zij tijdens het huwelijk ongeveer vier uur per week schoonmaakwerkzaamheden deed. Haar inkomsten daaruit waren € 195,- netto per maand. De rechtbank zal van dit bedrag uitgaan, nu de vrouw haar inkomsten tot dit bedrag heeft erkend en de man niet heeft aangetoond dat de inkomsten hoger lagen.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 2.928 per maand (€ 2.733
+€ 195
). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 646,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 868,- per maand voor alle drie de kinderen. Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte € 924,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
Draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw op dit moment een bijstandsuitkering ontvangt. Volgens de man heeft de vrouw ook nu nog extra (zwarte) inkomsten uit schoonmaakwerk. De man heeft zijn stelling echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de man ook niet volgen in zijn standpunt dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft. De vrouw heeft het overgrote deel van de zorg voor het jongste kind, waarbij er ook zorgen bestaan over mogelijk kindeigen-problematiek. [minderjarige 3] gaat op dit moment ook nog niet naar school en behoeft extra aandacht. Van de vrouw kan daarom op dit moment niet worden verwacht dat zij eigen inkomen genereert. Conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie uit het Rapport alimentatienormen aan de zijde van vrouw als verzorgende ouder geen draagkracht aannemen, omdat zij een bijstandsuitkering ontvangt.
Draagkracht man
De draagkracht van de man is ook tussen partijen in geschil. De man heeft gesteld dat voor de berekening ervan moet worden uitgegaan van 70% van zijn huidige inkomen. De man is inmiddels bijna een jaar arbeidsongeschikt, de verwachting is niet dat hij zijn werkzaamheden (volledig) zal kunnen hervatten en zijn klachten zijn toegenomen. In het afgelopen jaar heeft hij 100% van zijn loon doorbetaald gekregen, maar vanaf eind december zal hij nog maar 70% ontvangen.
De rechtbank zal de man niet (volledig) volgen in zijn standpunt. Vaststaat dat de man nu gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, maar in de door hem overgelegde brief van de bedrijfsarts van 27 november 2025 is ook opgenomen dat de belastbaarheid van de man geleidelijk toeneemt. De man wordt geschikt geacht om per week vijf keer vier uur te werken (de helft van de tijd van zijn dienstverband), waarna verder opgebouwd kan worden. Het is onzeker hoe het opbouwtraject van de man verder zal verlopen. De rechtbank zal daarom uitgaan – zoals ook door de vrouw is aangevoerd – van een inkomen waarbij voor de helft van zijn uren 70% wordt uitbetaald en de andere helft 100%.
Uitgaand van een brutoloon van € 3.126,- per maand, zoals dat volgt uit de recente loonstroken van de man, levert dit een gemiddeld inkomen aan de zijde van de man van
€ 2.657,- per maand, exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een eindejaarsuitkering. De rechtbank houdt verder rekening met een eindejaarsuitkering, pensioenafdracht en premie arbeidsongeschiktheid, waarbij zal worden uitgegaan van 85% van de bedragen die zijn opgenomen in zijn loonspecificaties.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 2.563,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.562 – (769 + 1.310)] = € 339,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 339,- per maand (€ 0 + € 339). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] Amine, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 591,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld minder dan twee dagen per week de zorg heeft voor de kinderen, geldt een percentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 139,- per maand (15% van
€ 924,-). Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is dus gelijk aan zijn draagkracht van € 339,- per maand. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Indexering
In het voorgaande is de kinderalimentatie berekend per 2025. Omdat de datum van de beschikking in het nieuwe jaar is gelegen, zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage indexeren. Voor 2026 is het indexeringspercentage 4,6%. De door de man te betalen bijdrage in de kosten voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] komt dan uit op € 355,- per maand.
Partneralimentatie
Omdat partijen al onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van hun kinderen te voorzien, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen.
Huurrecht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
Zowel de man als de vrouw hebben verzocht om toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw. De rechtbank zal deze verzoeken daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2008. Dat betekent dat op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HHV 1978) van toepassing is. Niet is gebleken dat partijen een geldige rechtskeuze hebben gemaakt. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking beiden de nationaliteit van Marokko, in de zin van artikel 15 lid 1 HHV Pro 1978.
Hun huwelijksvermogensregime wordt daarom in beginsel wordt beheerst door het recht van de staat waar zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Voor het vestigen van een eerste huwelijksdomicilie wordt doorgaans een periode van zes maanden aangehouden. Ten tijde van het aangaan van het huwelijk woonde de man in Nederland. Uit het BRP-uittreksel van partijen blijkt dat de vrouw zich op15 september 2008, negen maanden na de huwelijkssluiting, heeft ingeschreven in Nederland. De vrouw heeft op de zitting bevestigd dat zij inderdaad in die periode naar Nederland is gekomen. Dit betekent dat partijen geen eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hadden. Omdat zij bij het sluiten van het huwelijk wel een gemeenschappelijke nationaliteit hadden, namelijk de Marokkaanse, wordt op grond van artikel 4, tweede lid onder 3 HHV 1978 het huwelijksvermogensregime beheerst door dat recht, zodat vanaf de huwelijkssluiting Marokkaans recht van toepassing is.
Op grond van artikel 7 lid 2 onder Pro 3 HHV 1978 is vanaf 15 september 2008 het recht van Nederland van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen, nu de vrouw zich op die datum in Nederland gevestigd heeft. Uit artikel 8 lid 1 HHV Pro 1978 volgt dat deze wijziging van het toepasselijk recht slechts gevolg heeft voor de toekomst en dat het vermogen dat vóór de wijziging aan de echtgenoten toebehoorde, niet is onderworpen aan het voortaan toepasselijk recht.
Geconcludeerd kan aldus worden dat vanaf [datum] 2008 het Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en vanaf 15 september 2008 het Nederlands recht. Partijen zijn het erover eens dat alles wat zij bezitten dateert van na 15 september 2008, zodat de rechtbank in het navolgende enkel zal uitgaan van het Nederlands recht.
Gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 5 november 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
de inboedel van de echtelijke woning;
een schuld bij de Belastingdienst;
verscheidene bankrekeningen;
een Fiat Panda (met kenteken [kenteken] ).
Overeenstemming
Op de zitting hebben partijen medegedeeld dat zij voorafgaand aan de zitting overeenstemming hebben bereikt over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. Zij zijn daarbij overeengekomen:
ten aanzien van de inboedel: dat het gereedschap en het koffiezetapparaat zal worden toegedeeld aan de man. De overige inboedel wordt toegedeeld aan de vrouw, een en ander zonder nadere verrekening. Indien de man nadien nog wat andere inboedelgoederen wil ophalen, dan zal dit plaatsvinden in onderling overleg met de vrouw;
ten aanzien van de schuld bij de Belastingdienst: de man en de vrouw zijn het erover eens dat de schuld tot de gemeenschap behoort. Zij zijn overeengekomen dat – in afwijking van de wettelijke uitgangspunten – de man deze schuld geheel als eigen schuld voor zijn rekening neemt. De rechtbank zal dit vastleggen, nu de man en de vrouw daar mede gelet op het in artikel 1:100 BW Pro genoemde schriftelijkheidsvereiste belang bij hebben.
ten aanzien van de bankrekeningen: partijen zijn overeengekomen dat ieder de op zijn of haar naam staande bankrekening(en) zal voortzetten, waarbij zij ook het saldo dat op de peildatum aanwezig was, zal behouden. Ten aanzien van het negatieve saldo op de peildatum op de bankrekening van de man geldt dat de man ook deze schuld, in afwijking van artikel 1:100 BW Pro, als eigen schuld voor zijn rekening zal nemen;
e auto zal worden toebedeeld aan de man, zonder nadere verrekening.
De rechtbank gaat ervan uit dat geen van partijen met deze wijze van verdeling wordt over- of onderbedeeld en zal deze afspraken vastleggen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat partijen (ex-)echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding tussen partijen gehuwd op [datum] 2008 te Marokko;
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de kinderen bij de man zullen zijn:
  • in de even weken: van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • in de oneven weken: op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur;
waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en ook weer terugbrengt;
bepaalt een verdeling van de vakanties en feestdagen, waarbij de kinderen:
  • tijdens Suikerfeest en Offerfeest: in de ochtend bij de vrouw zijn tot 11.30 uur en vanaf 11.30 uur bij de man, waarbij partijen de eindtijd in onderling overleg bepalen;
  • in de schoolvakanties, met ingang van de voorjaarsvakantie 2026, de helft van de tijd bij elke ouder zijn, in die zin dat zij:
  • voor de zomervakantie 2026: de eerste week bij de man zijn, vervolgens drie weken bij de vrouw zijn en daarna twee weken bij de man;
  • voor de overige zomervakanties: drie aaneengesloten weken bij de man zijn en drie weken bij de vrouw, waarbij de kinderen in de even jaren de eerste drie weken bij de man zijn en de laatste drie weken bij de vrouw, in de oneven jaren is het andersom;
  • schoolvakanties die één week duren: in de even jaren de eerste helft bij de man zijn en de tweede helft bij de vrouw, waarbij de wissel plaatsvindt op woensdag om 18.00 uur, in de oneven jaren is het andersom;
  • schoolvakanties die twee weken duren: in de even jaren de eerste week bij de man zijn en de tweede week bij de vrouw, waarbij de wissel plaatsvindt op vrijdag om 18.00 uur, in de even jaren is het andersom;
verleent aan de vrouw toestemming, die de toestemming van de man vervangt, om in de zomervakantie 2026 van week 2 tot en met 4 met de kinderen op vakantie te gaan naar Marokko;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 355,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte toedeling te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] ;
stelt de verdeling van de ontbonden algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man worden toegedeeld:
­ het gereedschap en het koffiezetapparaat;
­ de auto van het merk Fiat Panda, met kenteken [kenteken] , zonder nadere verrekening;
­ het saldo op de peildatum op de bankrekening op naam van de man bij de ABN-AMRO-bank met [rekeningnummer] , zonder nadere verrekening;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
­ de overige inboedelgoederen van de echtelijke woning;
­ het saldo op de peildatum op de bankrekening op naam van de vrouw bij de ABN AMRO-bank met rekeningnummer eindigend op 227, zonder nadere verrekening;
bepaalt dat de man de schuld bij de Belastingdienst en de schuld aan de bank in verband met het creditsaldo op de op zijn naam staande bankrekening voor zijn rekening neemt, een en ander zonder nadere verrekening;
verklaart deze beschikking, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 januari 2026.
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige
2.733
NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde
195
Bij: Kindgebonden budget voor scheiding
646
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
3.574
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
3.574
Tabel aantal kinderen
3
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
868
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2025
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
924
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (C/09/675195)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
17-12-2025
Kenmerk
C/09/675195
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
31.884
44
Vakantietoeslag
2.551
48
Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering
2.652
Bruto inkomsten
37.087
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
1.68
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
35.407
Premies werknemersverzekeringen
56
Premie arbeidsongeschiktheid
30
Totaal premies werknemersverzekeringen
-
30
59
Inkomsten
35.377
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
35.377
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
35.377
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
12.672
95
Inkomensheffing box 1
12.672
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
35.377
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
12.672
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.053
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
4.619
Inkomen na aftrek inkomensheffing
30.758
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.627
jaar
Arbeidskorting
5.426
jaar
120
Besteedbaar inkomen
30.758
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
30.758
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.563
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
30.758
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
2.563
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.563
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
769
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.079
136a
Draagkrachtruimte
484
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
339
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
339
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
17-12-2025
Alimentatieplichtige
Alimentatiegerechtigde
Kindgebonden budget na scheiding
686
Alleenstaande ouderkop
282
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
2.563
2.338
Aantal kinderen
3
Kind 1
Kind 2
Kind 3
Leeftijd
15
11
4
Woont bij
AP
AG
1
1
1
Ex-partner
Zorgkorting Alimentatiegerechtigde
%
Zorgkorting Alimentatieplichtige
%
15
15
15
Zorgkorting tbv.
AP
AP
AP
Kind 1
Kind 2
Kind 3
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
310
310
310
930
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
310
310
310
930
Zorgkorting
€ p/m
46
46
46
138
Draagkracht
Alimentatieplichtige
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
113
113
113
339
Draagkracht Alimentatieplichtige per kind
€ p/m
113
113
113
339
Draagkracht Alimentatieplichtige
€ p/m
113
113
113
339
Alimentatiegerechtigde
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind
€ p/m
Draagkracht Alimentatiegerechtigde
€ p/m
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
113
113
113
339
Bijdrage kosten kinderen
Tekort aan gezamenlijke draagkracht
€ p/m
197
197
197
591
Gedeelde tekort aan draagkracht
€ p/m
99
99
99
296
Zorgkorting minus tekort aan draagkracht
€ p/m
-53
-53
-53
-158
Aandeel Alimentatieplichtige in de kosten van de kinderen
€ p/m
113
113
113
339
Ten laste van Alimentatieplichtige te bepalen bijdrage (draagkracht minus (zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht))
€ p/m
113
113
113
339
Aandeel Alimentatiegerechtigde in de kosten van de kinderen
€ p/m
Ten laste van Alimentatiegerechtigde te bepalen bijdrage (draagkracht minus (zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht))
€ p/m