ECLI:NL:RBDHA:2026:2891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/09/674331 / FA RK 24-7494
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezag, omgang en kinderalimentatie na wijziging hoofdverblijfplaats kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling, het gezag en de kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen. De ouders zijn gescheiden en oefenden gezamenlijk gezag uit. De vader wilde dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zouden hebben met een beperkte omgangsregeling voor de moeder, terwijl de moeder een week-om-week regeling wenste.

De rechtbank oordeelde dat een zorgregeling waarbij de moeder slechts enkele uren per week contact heeft niet in het belang van de kinderen is en wees de verzoeken van beide ouders af. De hoofdverblijfplaats blijft bij de moeder zoals vastgelegd in het ouderschapsplan. Het verzoek tot eenhoofdig gezag door de vader werd ingetrokken.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde de rechtbank vast dat de kinderen sinds september 2024 bij de vader verblijven, wat een relevante wijziging van omstandigheden is. Daarom werd de alimentatie van de vader aan de moeder per die datum op nihil gesteld tot aan de datum van de beschikking. Vanaf de datum van de beschikking herleeft de alimentatie van € 1.500,- per maand. Het verzoek tot terugbetaling van kinderbijslag werd ingetrokken. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Verzoeken tot wijziging zorgregeling en gezag afgewezen; kinderalimentatie tijdelijk op nihil gesteld en herleeft vanaf datum beschikking.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7494
Zaaknummer: C/09/674331
Datum beschikking: 16 januari 2026

Gezag, omgang en kinderalimentatie

Beschikking op het op 18 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.R. Brouwer te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Celen te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
 het verzoekschrift van 18 oktober 2024, met bijlagen, van de zijde van de vader;
 het F9 formulier van 31 oktober 2024, met bijlagen, van de zijde van de vader;
 het verweerschrift met zelfstandig verzoek van 9 december 2024, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
 het verweerschrift op zelfstandig verzoek van 6 januari 2025 van de zijde van de vader;
 het aanvullend verweerschrift met gewijzigd zelfstandig verzoek van 28 februari 2025 van de zijde van de moeder;
 de brief van 11 december 2025 van de zijde van de vader, inhoudende de pleitnotitie.
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 12 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
 de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
 de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
 [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader en de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

 De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 1999 tot [datum 2] 2020.
 Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
 [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ;
 [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] .
 Zij zijn ook de ouders van de volgende jong-meerderjarige en meerderjarige kinderen:
 [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats] ;
 [de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 4] 2001 te [geboorteplaats] ;
 [de meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 5] 1999 te [geboorteplaats] .
 De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen uit.
 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken en is bepaald dat het convenant, waarvan het ouderschapsplan deel uitmaakt, deel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan zijn de ouders, voor zover hier van belang, het volgende overeen gekomen:
 De kinderen zullen het hoofdverblijf bij de moeder hebben (artikel 1.2).
 De ouders hebben met elkaar de volgende zorgregeling afgesproken (artikel 1.3):
 De ouders hebben afgesproken dat zij steeds in overleg gaan als de vader de kinderen wil zien.
 De ouders hebben afgesproken dat zij in onderling overleg alle vakanties zullen verdelen. Hetzelfde geldt voor de kerstdagen respectievelijk de jaarwisseling.
 Religieuze feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld.
 De ouders willen de hiervoor omschreven zorgregeling als een richtlijn hanteren, die zij zullen handhaven zolang zij na goed onderling overleg geen andersluidende afspraken zullen maken. Gezien de (veranderende) leeftijd van de kinderen is het van belang dat de hiervoor genoemde zorgregeling door beide ouders met flexibiliteit wordt gehanteerd.
 Buiten de bovenstaande afspraken staat het de kinderen vrij om ook (telefonisch dan wel persoonlijk) contact te hebben met de andere ouder dan de ouder waar zij conform de genoemde regeling verblijven.
 De ouders zullen elkaar informeren over de kinderen (artikel 1.4).
 De vader betaalt aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 1.500,- per maand, met ingang van de maand na ondertekening van het convenant. Dit bedrag wordt voldaan naast de vaste lasten die de vader conform artikel 2 voldoet Pro (alle vaste lasten van de woning, bestaande uit de huur, de zorgverzekering voor de moeder, gas, water en licht) (artikel 1.5).
 De kinderbijslag voor [de jong-meerderjarige] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] komt aan de moeder toe. Zij zullen hiertoe een nieuwe aanvraag indienen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (artikel 1.6).
 Zodra er een aanzienlijke wijziging ontstaat in het huidige inkomen en/of lasten van één van de ouders of in de verblijfplaats van de kinderen, dan zullen de ouders in overleg de door ieder van hen te betalen bijdrage vaststellen (artikel 1.8).

Verzoek en verweer

De vader verzoekt – voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad – de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 en het daaraan gehechte convenant, waarvan het ouderschapsplan deel uitmaakt, te wijzigen en:
 primair te bepalen dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] een zorgregeling hebben met de moeder van iedere zaterdag en/of zondag gedurende vijf uur buitenshuis, waarbij de zorgregeling in overleg gedurende de schoolvakanties kan worden uitgebreid en subsidiair te bepalen dat de kinderen gedurende de schoolvakanties omgang hebben met de vader;
 te bepalen dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hun hoofdverblijf bij de vader hebben, indien het primaire verzoek van de vader wordt toegewezen dan wel indien een verzoek van de moeder wordt toegewezen;
 te bepalen dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] wordt beëindigd en dat de vader alleen het gezag over de kinderen toekomt, welk verzoek door de vader wordt ingetrokken indien zijn primaire dan wel subsidiaire verzoek als het gaat om de zorgregeling wordt toegewezen;
 de kinderalimentatie van € 1.500,- die de vader betaalt met ingang van 1 september 2024 op nihil te stellen;
 te bepalen dat de moeder dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] met ingang van 1 september 2024 met een bedrag van € 400,- per kind per maand;
 de moeder te veroordelen tot terugbetaling van onterechte ontvangen kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 2021 tot het vierde kwartaal 2022 en het derde kwartaal 2024,
kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen. Ten aanzien van het verzoek tot nihilstelling van de door de vader te betalen kinderalimentatie verzoekt zij primair om afwijzing, subsidiair om te bepalen dat de kinderalimentatie opnieuw berekend wordt naar draagkracht en huidige realiteit van beide partijen en meer subsidiair dat een zodanig bedrag aan kinderalimentatie wordt bepaald als de rechtbank in goede justitie juist acht. Het verzoek van de vader tot terugbetaling van reeds betaalde kinderalimentatie verzoekt de moeder primair ongegrond te verklaren en subsidiair af te wijzen.
Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht – uitvoerbaar bij voorraad – :
Primair:
 een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader;
 te bepalen dat de wisselmomenten zoveel mogelijk op zondag 19.00 uur zullen plaatsvinden op een openbare locatie of bij een nader door de ouders te bepalen familielid;
Subsidiair:
 een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen iedere vrijdag van 19.00 uur tot en met zondag 19.00 uur bij de moeder verblijven;
 te bepalen dat de moeder de kinderen op vrijdag om 19.00 uur ophaalt en dat de vader de kinderen op zondag om 19.00 uur ophaalt;
 te bepalen dat de wisselmomenten zoveel mogelijk zullen plaatsvinden op een openbare locatie of bij een nader door de ouders te bepalen familielid;
de verdeling van de nationale- en islamitische feestdagen en de vakantiedagen bij helfte.
De vader voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de moeder.
Beoordeling
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
De vader wenst dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader wordt bepaald, waarbij zij ieder weekend vijf uur contact hebben met de moeder, buitenshuis, op zaterdag en/of op zondag. De moeder wil graag dat de kinderen week om week bij de vader en de moeder zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat er voor de vader maar één zorgregeling mogelijk is. Die regeling houdt in dat de kinderen maximaal tien uur per week contact hebben met hun moeder, buitenshuis. Elk ander alternatief voor een zorgregeling is voor de vader onbespreekbaar en heeft tot gevolg dat de vader naar Turkije vertrekt en de kinderen volledig bij de moeder blijven. De rechtbank acht een regeling waarbij de moeder de kinderen maar een paar uur per week ziet niet in het belang van de kinderen. Op de zitting is aan de vader gevraagd of hij een regeling zoals door de moeder verzocht zou nakomen, maar daarop heeft de vader geantwoord dat dit voor hem niet bespreekbaar is. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan het primaire verzoek van de vader en de verzoeken van de moeder over de zorgregeling af te wijzen. De rechtbank wijst ook het subsidiaire verzoek van de vader af, nu de vader heeft aangekondigd naar het buitenland te willen gaan en niet duidelijk is hoe dan invulling moet worden gegeven aan de zorgregeling in de schoolvakanties. Dit heeft tot gevolg dat geen zorgregeling met de vader zal worden vastgesteld.
De vader heeft het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem voorwaardelijk gedaan, namelijk alleen als zijn primaire verzoek dan wel de verzoeken van de moeder over de zorgregeling zouden worden toegewezen. Nu dat niet het geval is, behoeft dit verzoek van de vader geen bespreking. De moeder heeft zelf niet om de hoofdverblijfplaats van de kinderen verzocht.
Nu over de hoofdverblijfplaats van de kinderen geen andere beslissing wordt genomen, blijft de afspraak in het ouderschapsplan geldend, te weten dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder. Dit betekent dat zij bij haar zullen wonen. Voor de zorgregeling geldt hetzelfde. Dit betekent onder meer dat de ouders in overleg zullen treden als de vader de kinderen wil zien. Dit vindt de rechtbank ook het meest passend bij de aankondiging van de vader om naar het buitenland te gaan.
Gezag
De vader verzoekt het eenhoofdig gezag alleen in het geval zijn primaire dan wel subsidiaire verzoek over de zorgregeling wordt toegewezen. Nu beide verzoeken worden afgewezen, beschouwt de rechtbank dit verzoek als ingetrokken, zodat het verder geen bespreking behoeft.
Kinderalimentatie en terugbetaling
Ontvankelijkheid – wijziging van omstandigheden
Op grond van artikel 1:401 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende de levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Tussen de vader en de moeder is niet in geschil dat de kinderen sinds begin september 2024 bij de vader wonen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een relevante wijziging van omstandigheden die noodzaakt tot een herbeoordeling door de rechtbank van de eerder overeengekomen kinderalimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt de kinderalimentatie op nihil te stellen per 1 september 2024 en te bepalen dat de moeder € 1.500,- moet terugbetalen.
De rechtbank overweegt als volgt. De kinderen verblijven sinds september 2024 bij de vader. Dit is niet in geschil tussen partijen. De rechtbank zal de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie dan ook op nihil stellen per 1 september 2024 tot aan de datum van deze beschikking. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de vader in die periode geen kinderalimentatie heeft betaald, zodat de nihilstelling niet leidt tot een terugbetalingsverplichting van de moeder. Als gevolg van de beslissingen die de rechtbank in deze beschikking neemt, zullen de kinderen per de datum van deze beschikking volledig bij de moeder verblijven. Om die reden zal de rechtbank bepalen dat vanaf de datum van deze beschikking de bij het ouderschapsplan van 14 april 2020 afgesproken kinderalimentatie van € 1.500,- per maand, door de vader aan de moeder te betalen, herleeft.
Voor de periode vanaf 1 september 2024 heeft de vader gevraagd een door de moeder aan hem te betalen bedrag aan kinderalimentatie te bepalen. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, nu het verzoek door de vader niet inhoudelijk is onderbouwd.
Kinderbijslag
Op de zitting heeft de vader het verzoek over de kinderbijslag ingetrokken, zodat de rechtbank op dit verzoek niet meer hoeft te beslissen.
Proceskosten
Nu het hier een procedure van procesrechtelijke aard betreft, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020, waarvan het ouderschapsplan deel uitmaakt – :
*
bepaalt de door de vader met ingang van 1 september 2024 te betalen alimentatie ten behoeve van de kinderen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] op nihil tot aan de datum van deze beschikking;
*
bepaalt de door de vader met ingang van de datum van deze beschikking te betalen alimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op € 1.500,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 januari 2026.