ECLI:NL:RBDHA:2026:2894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/09/669924 / FA RK 24-5295
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

De rechtbank Den Haag heeft op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen de vader en moeder van twee minderjarige kinderen. De ouders zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en oefenen gezamenlijk gezag uit over de kinderen. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vastgesteld, mede vanwege haar lagere inkomen en het hogere kindgebonden budget dat zij daardoor kan ontvangen.

De zorgregeling blijft een week-op-week-af regeling, conform de wens van de kinderen en ter voorkoming van onrust. De vakantie- en feestdagenregeling is eveneens vastgesteld met het oog op stabiliteit en het beperken van wisselingen. De rechtbank benadrukt dat beide ouders de kinderen niet moeten belasten met hun onderlinge conflicten.

De kinderalimentatie is berekend op basis van de draagkracht van beide ouders en de behoefte van de kinderen, waarbij de vader een bijdrage van €147 per kind per maand aan de moeder moet betalen. De verdeling van de huwelijksgemeenschap is vastgesteld met de woning toegewezen aan de vader tegen vergoeding van de helft van de overwaarde aan de moeder, en verdere afspraken over bankrekeningen, schulden, auto's en inboedel zijn gemaakt. De proceskosten worden door beide partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats kinderen bij moeder, week-op-week-af zorgregeling gehandhaafd, kinderalimentatie vastgesteld en huwelijksgemeenschap verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5295 (scheiding) / FA RK 25-1357 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/669924 (scheiding) / C/09/680722 (verdeling)
Datum beschikking: 16 januari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 19 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader/de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. J.M. Bekooij te ’s-Gravenhage, thans mr. J.D. Bakker te
[geboorteplaats 1] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder/de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. drs. M. Haasjes te [geboorteplaats 1] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vader, met bijlagen;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de moeder;
- het verweerschrift van de vader tegen het zelfstandig verzoekschrift van de moeder, tevens houdende aanvullende verzoeken;
- het F9-formulier van 8 december 2025, met bijlagen, van de vader;
- het F9-formulier van 9 december 2025, met bijlagen, van de moeder, houdende producties en wijziging en vermeerdering verzoeken;
- het F9-formulier van 9 december 2025, met bijlagen, van de vader;
- het verweerschrift van de vader tegen de wijziging en vermeerdering verzoeken van de moeder, tevens wijziging verzoek;
- het F9-formulier van 18 december 2025, met bijlagen, van de moeder, houdende producties en een vermeerdering verzoek.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt.
Op 19 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- De ouders zijn in gemeenschap van goederen gehuwd op [datum] 2008 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
-Deze rechtbank heeft op 26 augustus 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, onder meer inhoudende:
  • dat de vader vanaf 29 september 2024 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;
  • dat de kinderen aan de vader zullen worden toevertrouwd;
  • vaststelling van de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:
- tot 29 september 2024 zal de moeder in de woning voor de kinderen zorgen:
o iedere week op woensdag en donderdag van 9.00 uur tot 19.00 uur;
o om de week op vrijdag van 17.00 uur tot 20.00 uur en op zaterdag en zondag van 9.00 uur tot 20.00 uur.
De vader zal op deze tijden de woning verlaten. De overige tijd zal de vader voor de kinderen zorgen.
- vanaf 29 september 2024 zullen de kinderen in de oneven weken bij de vader verblijven en in de even weken bij de moeder, met een wisselmoment op vrijdag uit school;
Voorts zijn ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.

Verzoeken

Het verzoek van de vader, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader en daarbij te bepalen dat de kinderen op het adres van de vader in de BRP staan ingeschreven;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen in de even week bij de moeder en in de oneven week bij de vader verblijven, waarbij de wissel op vrijdagmiddag is, en vaststelling van de vakantie- en feestdagenregeling zoals opgenomen in randnummer (naar de rechtbank leest:) 3.16 van het verweerschrift van de vader tegen het zelfstandig verzoekschrift van de moeder, tevens houdende aanvullende verzoeken, dan wel vaststelling van een zodanige zorgregeling als de rechtbank juist acht;
- vaststelling van kinderalimentatie op nihil en waarbij ouders gezamenlijk draagplichtig zijn voor de bijzondere kosten, maar ieder hun eigen verblijfsoverstijgende kosten voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vader, dan wel vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met compensatie van de kosten van de procedure, in die zin dat ieder van ouders de eigen kosten draagt.
De moeder heeft, na wijziging, verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen bij de vader verblijven:
  • elke veertien dagen vanaf vrijdagochtend voor schooltijd (of vanaf 12.00 uur indien er geen school is) tot de daaropvolgende maandagavond na het eten/na voetbaltraining, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag naar de vader brengt en de vader de kinderen op maandag na het eten/na voetbaltraining naar de moeder brengt;
  • de helft van de vakanties en feestdagen, overeenkomstig het door de moeder als productie 9 overgelegde schema, waarbij de ouder bij wie de kinderen verblijven de kinderen naar de andere ouder brengt als er een wisseling van het verblijf plaatsvindt;
- te bepalen dat de vader zijn medewerking dient te verlenen aan de aanmelding van de kinderen bij Team Jeugd van [instantie] middels de aanmeldingsformulieren en allen andere daartoe benodigde handelingen;
- vaststelling van een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 230,- per maand, per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met ingang van de datum van de in deze te wijzen beschikking;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de moeder;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
De ouders hebben geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven in artikel 815 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de wet is voorgeschreven dat een ouderschapsplan een processuele eis is bij een verzoek tot echtscheiding. Daarom heeft de rechtbank de bevoegdheid om de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
Nu gebleken is dat het voor de ouders op dit moment vanwege hun geschillen niet mogelijk is om een door hen beiden akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vader en de moeder ontvangen in hun over een weer gedane verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De moeder is het met de vader eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding daarom toewijzen.
Hoofdverblijfplaats kinderen
De ouders zijn het er niet over eens bij welke ouder de hoofdverblijfplaats van de kinderen moet worden vastgesteld. Op dit moment staan de kinderen ingeschreven op het adres van de vader en zij zijn voorlopig toevertrouwd aan de vader. De rechtbank is ervan overtuigd dat de zorg voor de kinderen bij beide ouders in goede handen is. De ouders hebben de afgelopen periode ook een gelijk aandeel gehad in de zorg voor de kinderen en dit zal, zoals hierna wordt overwogen, zo blijven. De vast te stellen hoofdverblijfplaats zal daarom in de praktijk met name financiële consequenties hebben. Degene bij wie de hoofdverblijfplaats wordt vastgelegd zal bijvoorbeeld de ontvanger zijn van kinderalimentatie en dient alle verblijf overstijgende kosten te voldoen. Omdat de moeder een lager inkomen heeft dan de vader, kan zij aanspraak maken op een hoger kindgebonden budget als de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar wordt bepaald. Dat brengt met zich dat het totaal inkomen van de ouders hoger uitvalt, waardoor ook een hoger bedrag beschikbaar is voor de kinderen. De rechtbank acht het daarom het meest in het belang van de kinderen dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt vastgesteld en zal aldus beslissen.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
De vader heeft verzocht een week-op-week-af regeling vast te leggen zoals deze nu ook wordt uitgevoerd door de ouders. De moeder vindt dat deze regeling teveel onrust geeft voor de kinderen en wil daarom dat de kinderen een vaste basis krijgen bij haar en eenmaal in de veertien dagen een weekend bij de vader zijn.
De rechtbank overweegt dat beide ouders belangrijk zijn voor de kinderen. De kinderen hebben op dit moment vooral behoefte aan rust en duidelijkheid over de zorgregeling. Zij zijn tevreden over de huidige week-op-week-af regeling en willen de regeling zo houden. De rechtbank zal overeenkomstig de wens van de kinderen beslissen. Het is in hun belang dat niet opnieuw onrust wordt gecreëerd met een wijziging van de regeling. De rechtbank verwacht bovendien dat een andere regeling de loyaliteit van de kinderen naar hun ouders nog meer onder druk zal zetten. De moeder heeft erop gewezen dat de kinderen door de vader worden belast met de problemen tussen de ouders. De oplossing voor dit probleem ligt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet in een wijziging van de zorgregeling. Beide ouders dienen zich te realiseren dat het belastend en schadelijk voor hen is om hun ouders negatief over de ander te horen spreken. De rechtbank roept hen daarom op de kinderen zo min mogelijk te belasten met de onderlinge strijd tussen de ouders en de problemen waar zij tegenaan lopen.
De rechtbank zal dus bepalen dat de kinderen de ene week bij de moeder zullen verblijven en de andere week bij de vader. Zoals op de zitting met de ouders is besproken zal de rechtbank daarbij vastleggen dat de moeder de kinderen op vrijdagochtend naar school brengt en de spullen van de kinderen bij de vader thuis en de kinderen uit school zelf naar de vader zullen gaan. De vader brengt de kinderen de daarop volgende vrijdag uit school/vóór het eten om 18.00 uur met hun spullen bij de moeder. Als er geen school is brengt de ouder waar de kinderen zijn de kinderen op vrijdag om 12.00 uur met hun spullen naar de andere ouder.
De ouders zijn het grotendeels eens over de verdeling van de vakanties- en feestdagen. Met de ouders is op de zitting afgesproken dat, waar nog een verschil van mening is, door de rechtbank wordt beslist. De rechtbank heeft bij die beslissing steeds als doorslaggevend beschouwd welke oplossing de minste wisselingen geeft, om daarmee de onrust voor de kinderen te beperken. Een en ander leidt tot de hierna in het dictum weergegeven vakantie- en feestdagenregeling. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders, zoals zij ter zitting hebben toegezegd, de kinderen de ruimte geven om incidenteel af te wijken van de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling als zij daarin specifieke wensen hebben.
Aanmelding kinderen bij Team Jeugd van [instantie]
De moeder heeft verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om de kinderen aan te melden bij het jeugdteam van [instantie] . De kinderen hebben in het gesprek met de kinderrechter aangegeven nu geen behoefte te hebben aan hulpverlening. De ouders hebben daarom ter zitting afgesproken dat, op het moment dat één van de kinderen meldt wel behoefte te hebben aan een vorm van hulpverlening, de ouders elkaar over en weer toestemming zullen geven voor aanmelding van de kinderen voor die hulp.
Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om de verzochte vervangende toestemming te verlenen. Het verzoek wordt dus afgewezen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening daarvan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
De ouders zijn het erover eens dat de te bepalen kinderalimentatie dient in te gaan vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Behoefte
De ouders zijn het erover eens dat de kosten van de kinderen op basis van de tabel ‘eigen aandeel ouders in de kosten van de kinderen’ 2024 € 1.470,- bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1638,-.
Het tabelbedrag ziet op dat deel van de kosten van de kinderen dat niet door de kinderbijslag wordt gedekt. De rechtbank gaat er bij de berekening van de kinderalimentatie van uit dat de Sociale verzekeringsbank het recht op kinderbijslag voor de kinderen niet gelijk verdeeld aan beide ouders als verzekerden in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet, maar (in elk geval met ingang van heden) geheel aan de moeder uitbetaalt. Een andere wijze van uitbetalen zou leiden tot een andere berekening van de kinderalimentatie.
De moeder moet vanaf 16 januari 2026 alle verblijf overstijgende kosten van de kinderen betalen vanuit de gehele kinderbijslag, het kindgebonden budget, eventuele toeslagen, haar eigen inkomen en de hierna door de rechtbank vast te stellen kinderalimentatie die de vader aan de moeder verschuldigd is. Hiernaast dragen de ouders ieder voor zich de verblijfskosten voor de kinderen wanneer zij bij hem of haar verblijven.
Draagkracht moeder
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de moeder berekend moet worden op basis van haar inkomen van € 58.697,- per jaar (inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering), zodat de rechtbank dat zal volgen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank rekent niet met een inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] inmiddels 12 jaar en ouder zijn en daarmee het recht op deze korting is vervallen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 4.293,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [4.293 – (1288 + 1365)] = € 1.148,- per maand.
Draagkracht vader
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de vader berekend moet worden op basis van zijn inkomen van € 82.242,- per jaar (inclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en oktobertoelage), zodat de rechtbank dat zal volgen.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 4.575,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht ook de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [4.575 – (1372 + 1365)] = € 1.287,- per maand.
De draagkracht van de ouders gezamenlijk bedraagt € 2.435,- per maand (1148 + 1287). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1287 /2435 x 1638 = € 866,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1148 /2435 x 1638 =
€ 772,-
samen € 1.638,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 866,- per maand, wat neerkomt op € 433,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van
€ 772,- per maand, wat neerkomt op € 386,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.
Omdat de vader de helft van de zorg zal dragen, geldt een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 573,- per maand (35% van 1638). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 293,- per maand (866 -/- 573).
De rechtbank zal de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie daarom vaststellen op € 147,- per kind per maand.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 19 juli 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid anders met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal voor de saldi van de bankrekeningen, zoals gebruikelijk bij bankrekeningen en nu ouders niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 19 juli 2024.
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
de echtelijke woning aan de [adres] ;
de eenmanszaak [eenmanszaak] ;
de auto’s;
e bankrekeningen;
de inboedel;
de schuld aan de ouders van de vrouw;
vorderingen op en schulden aan de Belastingdienst;
de schuld aan de accountant;
de schuld aan BNP Paribas.
a.
De echtelijke woning aan de [adres]
Op de woning rust een viertal hypothecaire leningen:
  • de lening bij ABN AMRO met nummer [nummer 1] ;
  • de lening bij ABN AMRO met nummer [nummer 2] ;
  • de lening bij ABN AMRO met nummer [nummer 3] ;
  • de lening bij ABN AMRO met nummer [nummer 4] .
Aan de woning is bovendien een tweetal bankspaarrekeningen gekoppeld:
  • een bankspaarrekening bij ABN AMRO op naam van de man;
  • een bankspaarrekening bij ABN AMRO met nummer [spaarrekening] op naam van de vrouw.
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden toegedeeld aan de man, tegen vergoeding van de helft van de overwaarde aan de vrouw. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij binnen één week na de zitting opdracht zullen geven aan [makelaar] te [plaats 2] , die de waarde van de woning tussen partijen bindend zal vaststellen. Zij zijn tevens overeen gekomen dat de woning vóór 1 maart 2026 moet worden overgedragen aan de man en dat bij de levering van de woning alle schulden worden afgelost en een algehele afrekening plaatsvindt tussen partijen.
De man heeft vanaf september 2024 de hypothecaire last gedragen. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de helft van de aflossingen vanaf 1 oktober 2024 tot aan de levering aan de man moet vergoeden en dat een en ander bij de levering van de woning wordt verrekend.
De eenmanszaak [eenmanszaak]
Partijen zijn het erover eens dat de eenmanszaak geen reële waarde vertegenwoordigt en dat de activa van deze onderneming dus zonder verdere verrekening aan de man kunnen worden toegedeeld onder de verplichting voor de man eventuele schulden van de eenmanszaak voor zijn rekening te nemen. De rechtbank zal aldus beslissen.
De auto’s
Partijen zijn het erover eens dat de Hyundai met kenteken [kenteken 1] wordt toegedeeld aan de man, tegen vergoeding van € 2.850,- (de helft van € 5.700,-) aan de vrouw, waarmee ook de opbrengst van de Seat met kenteken [kenteken 2] is verrekend. De rechtbank zal aldus beslissen.
De bankrekeningen
Tot de huwelijksgemeenschap behoren de saldi op de volgende banrekeningen:
  • [bankrekening 1] op naam van partijen gezamenlijk;
  • [bankrekening 2] op naam van partijen gezamenlijk;
  • [bankrekening 3] op naam van de man;
  • [bankrekening 4] op naam van de vrouw;
  • [bankrekening 5] op naam van de vrouw.
Partijen zijn het erover eens dat de rekeningen die op naam van partijen gezamenlijk staan worden opgeheven en dat de saldi op de peildatum bij helfte moeten worden gedeeld. Zij zijn het er ook over eens dat de rekeningen op naam van één van hen worden voortgezet door de naamhouder en dat de saldi van die rekeningen eveneens bij helfte worden gedeeld. De rechtbank zal de verdeling van de saldi in lijn daarmee vaststellen.
Partijen dienen ten behoeve van de verrekening van de banksaldi bij de notaris voorafgaande aan de levering van de woning aan de notaris stukken aan te leveren waaruit blijkt van de saldi van de op zijn/haar naam staande bankrekeningen op de peildatum.
De inboedel
De vrouw heeft als productie 11 een inboedellijst overgelegd en daarop een verdeling van de inboedel voorgesteld. De man stelt dat die lijst niet compleet is. Partijen hebben afgesproken dat de man de lijst binnen een week na de zittingsdatum zou aanvullen. De rechtbank zal beslissen dat partijen de inboedel aan de hand van die lijst bij helfte zullen delen, door om de beurt een goed op de lijst te kiezen. De rechtbank gaat ervan uit dat geen van partijen daarmee over- of onderbedeeld wordt.
De schuld aan de ouders van de vrouw
Partijen zijn het erover eens dat zij een schuld hebben aan de ouders van de vrouw en in dat kader uiterlijk op 1 maart 2026 ieder € 35.000,- aan de ouders van de vrouw moeten voldoen. Zij hebben afgesproken dat deze schuld van de overwaarde uit de woning wordt voldaan, waarna de overwaarde wordt verdeeld. De rechtbank zal deze afspraak verwerken in het dictum van deze beslissing.
Vorderingen op en schulden aan de Belastingdienst
Partijen dienen na de peildatum van de Belastingdienst ontvangen teruggaven die zien op de periode tot 19 juli 2024 bij helfte met elkaar te delen en zij zijn ieder voor de helft draagplichtig voor na de peildatum aan de Belastingdienst verschuldigde bedragen die zien op de periode tot 19 juli 2024. Partijen hebben afgesproken deze bedragen, voor zover mogelijk, ook bij de levering van de woning bij de notaris te verrekenen. De rechtbank zal ook deze afspraak verwerken in het dictum van deze beslissing.
Partijen hebben in dit kader ook afgesproken dat zij vóór 31 januari 2026 ieder de voor de aangifte inkomstenbelasting 2024 benodigde stukken aan zullen leveren aan een door de man aan te wijzen accountant, gezamenlijk opdracht zullen geven aan die accountant om die aangifte te verzorgen en de kosten daarvoor zullen delen. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum. Dat neemt niet weg dat partijen gehouden zijn aan deze afspraak gevolg te geven.
De schuld aan de accountant
Partijen zijn het erover eens dat de na de peildatum door de man betaalde schuld aan de accountant van € 1.032,- een huwelijkse schuld betreft en dat de vrouw gehouden is de helft van dat bedrag aan de man te vergoeden. De man heeft toegezegd de nota van de accountant en het betalingsbewijs aan de vrouw toe te sturen, waarna de vrouw de helft van de nota aan de man zal vergoeden. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum. Dat neemt niet weg dat partijen gehouden zijn aan deze afspraak gevolg te geven.
i.
De schuld aan BNP Paribas.
Ter zitting is gebleken dat de schuld aan BNP Paribas grotendeels is afbetaald. Er staat alleen nog een bedrag van € 78,- open. Partijen zijn het erover eens dat de man dit bedrag dient te voldoen. De vrouw heeft toegezegd direct na de zitting de e-mail van BNP Paribas aan de man toe te sturen, waaruit blijkt van dit restantbedrag, waarna de man het openstaande bedrag aanstonds zal voldoen. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum. Dat neemt niet weg dat partijen gehouden zijn aan deze afspraak gevolg te geven.
Overigen
Ten slotte hebben partij ter zitting nog afspraken gemaakt over het contract bij Eneco en de verzekeringen. Afgesproken is dat de vrouw er uiterlijk een week na de zitting voor zorg zal dragen dat het contract bij Eneco dat ziet op de levering van energie in de echtelijke woning en dat de verzekeringscontracten (waaronder de autoverzekering) op naam van de man worden overgezet. Dit zal de man in staat stellen inzicht te krijgen in de wijze waarop de schadevrije jaren door de verzekeraar tussen partijen zijn verdeeld. Voor toewijzing van de door de man ingediende vordering ter zake van die schadevrije jaren ziet de rechtbank geen grondslag. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.
Voor het meer of anders verzochte ziet de rechtbank evenmin een grondslag of is, vanwege de door partijen op onderdelen bereikte overeenstemming, geen belang meer. Het meer of anders verzochte wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen ouders, gehuwd op [datum] 2008 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de ene week bij de moeder zullen verblijven en de andere week bij de vader, waarbij:
  • de moeder de kinderen op vrijdagochtend naar school brengt en de spullen van de kinderen bij de vader thuis en de kinderen uit school zelf naar de vader zullen gaan;
  • de vader de kinderen de daarop volgende vrijdag uit school/vóór het eten om 18.00 uur met hun spullen bij de moeder brengt;
  • de ouder waar de kinderen zijn de kinderen, als er geen school is, op vrijdag om 12.00 uur met hun spullen naar de andere ouder brengt;
*
stelt de volgende regeling van de vakantie- en feestdagenregeling vast, waarbij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] :
  • in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie zullen zijn bij de ouder waar zij conform de reguliere zorgregeling zijn;
  • in de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de moeder zijn, met uitzondering van 2e kerstdag- en nacht waarop zij bij de vader zullen zijn, en in de tweede week bij de vader, met uitzondering van oudejaarsdag- en nacht, waarop zij bij de moeder zullen zijn, en in de oneven jaren andersom;
  • in de meivakantie in de even jaren de eerste week bij de vader zullen zijn en in de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren andersom;
  • in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de vader zullen zijn en de daarop volgende drie weken bij de moeder en in de oneven jaren andersom;
  • op de overige feest- en verjaardagen zullen zijn bij de ouders waar zij conform de reguliere zorgregeling of vakantieregeling zijn,
en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 147,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- de woning, gelegen aan de [adres] wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen hebben binnen één week na de zitting een gezamenlijke opdracht aan [makelaar] in [plaats 2] verstrekt tot een bindende taxatie van de woning. De door deze makelaar-taxateur vastgestelde waarde is de waarde waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de overdracht van de woning aan de man dient vóór 1 maart 2026 plaats te vinden, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
d) van de overwaarde wordt eerst de lening aan de ouders van de vrouw afgelost, waarna de over- dan wel onderwaarde tussen partijen bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de saldi van de bankspaarrekeningen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
e) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
f) bij de levering en de afrekening van de overwaarde vindt verrekening plaats van:
- het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag aan aflossing van de hypotheek, zijnde de helft van de aflossingen vanaf 1 oktober 2024 tot aan de levering;
- de hierna te noemen bedragen die partijen, in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, over en weer aan elkaar verschuldigd zijn, waartoe partijen voorafgaande aan de levering aan de notaris stukken zullen aanleveren waaruit blijkt van de saldi van de op zijn/haar naam staande bankrekeningen op de peildatum en de ontvangen c.q. betaalde bedragen aan de Belastingdienst;
  • de inboedel wordt door partijen bij helfte gedeeld. Die deling vindt plaats doordat partijen ieder om de beurt een goed zullen kiezen van de door de vrouw als productie 11 overgelegde inboedellijst, die binnen een week na de zittingsdatum door de man is aangevuld;
  • aan de man wordt toegedeeld:
de activa van de eenmanszaak [eenmanszaak] , onder de verplichting voor de man eventuele schulden van de eenmanszaak voor zijn rekening te nemen;
de Hyundai met kenteken [kenteken 1] , onder de verplichting € 2.850,- aan de vrouw te vergoeden;
de helft van het saldo op de bankrekening [bankrekening 1] op naam van partijen gezamenlijk;
de helft van het saldo op de bankrekening [bankrekening 2] op naam van partijen gezamenlijk;
het saldo op de bankrekening [bankrekening 3] op naam van de man, onder de verplichting de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te vergoeden;
de helft van de na de peildatum van de Belastingdienst ontvangen teruggaven die zien op de periode tot 19 juli 2024, onder de verplichting de helft van na de peildatum aan de Belastingdienst verschuldigde bedragen die zien op de periode tot 19 juli 2024 voor zijn rekening te nemen;
- aan de vrouw wordt toegedeeld:
1. de helft van het saldo op de bankrekening [bankrekening 1] op naam van partijen gezamenlijk;
2. de helft van het saldo op de bankrekening [bankrekening 2] op naam van partijen gezamenlijk;
3. het saldo op de bankrekening [bankrekening 4] op naam van de vrouw, onder de verplichting de helft van het saldo op de peildatum aan de man te vergoeden;
4. het saldo op de bankrekening [bankrekening 5] op naam van de vrouw, onder de verplichting de helft van het saldo op de peildatum aan de man te vergoeden;
5. de helft van de na de peildatum van de Belastingdienst ontvangen teruggaven die zien op de periode tot 19 juli 2024, onder de verplichting de helft van na de peildatum aan de Belastingdienst verschuldigde bedragen die zien op de periode tot 19 juli 2024 voor haar rekening te nemen;
en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 januari 2026.
Partij
man
Zaak
(669924)
Berekening
kinderalimentatie
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
12-01-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
70.502
44
Vakantietoeslag
5.64
48
Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering
6.1
Bruto inkomsten
82.242
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
82.242
59
Inkomsten
82.242
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
82.242
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
82.242
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
13.9
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
14.852
- Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer
1.888
95
Inkomensheffing box 1
30.64
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
82.242
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
30.64
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.3
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
27.34
Inkomen na aftrek inkomensheffing
54.902
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
3.3
jaar
120
Besteedbaar inkomen
54.902
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
54.902
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.575
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
4.575
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
1.372
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.737
136a
Draagkrachtruimte
1.838
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.287
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.287
Partij
vrouw
Zaak
(669924)
Berekening
kinderalimentatie
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
12-01-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
50.525
44
Vakantietoeslag
4.042
48
Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering
4.13
Bruto inkomsten
58.697
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
58.697
59
Inkomsten
58.697
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
58.697
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
58.697
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
13.9
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
7.442
95
Inkomensheffing box 1
21.342
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
58.697
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
21.342
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.095
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
15.247
Inkomen na aftrek inkomensheffing
43.45
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.263
jaar
Arbeidskorting
4.832
jaar
Bij: Kindgebonden budget
8.062
120
Besteedbaar inkomen
51.512
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
51.512
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.293
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
4.293
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
1.288
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.653
136a
Draagkrachtruimte
1.64
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.148
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.148