ECLI:NL:RBDHA:2026:290
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening in asielzaak met betrekking tot overdracht aan Bulgarije
Op 8 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin een verzoeker, vertegenwoordigd door mr. H.J. Janse, een voorlopige voorziening heeft gevraagd. De verzoeker had eerder op 2 december 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, maar deze was door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de aanvraag. Hiertegen heeft de verzoeker op 3 december 2025 beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak gedaan. De rechter heeft vastgesteld dat de rechtbank niet binnen de uiterste overdrachtstermijn van 16 februari 2026 uitspraak kan doen op het beroep, omdat de behandeling van het beroep was uitgesteld wegens ziekte van de gemachtigde. Dit heeft geleid tot de conclusie dat er onverwijlde spoed is, wat de voorzieningenrechter aanleiding gaf om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije totdat er een beslissing is genomen op het beroep. Tevens is de minister veroordeeld in de proceskosten van de verzoeker, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing, zoals vermeld in artikel 8:81 van de Awb.