Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2911

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696948 / FA RK 25-9941
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot zorgmachtiging wegens onvoldoende ernstig nadeel en vrijwillige zorg

De officier van justitie verzocht op 30 december 2025 om een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van artikel 7:11 Wvggz Pro. Betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, waaronder een niet-aangeboren hersenafwijking, met een voorgeschiedenis van psychotische decompensaties en middelenmisbruik. De zorgmachtiging werd primair bepleit vanwege het risico op ernstig nadeel en als stok achter de deur om medicatie-inname en structuur te waarborgen.

Tijdens de mondelinge behandeling op 16 januari 2026 bracht betrokkene naar voren dat hij wil toewerken naar begeleid wonen en de zorg noodzakelijk acht voor structuur. De advocaat voerde aan dat het ernstig nadeel onvoldoende onderbouwd is en dat betrokkene vrijwillig zorg ontvangt en medicatie trouw gebruikt. De verpleegkundig specialist bevestigde dat betrokkene rustig is en zelf medicatie haalt.

De rechtbank overwoog dat hoewel er reële zorgen zijn, onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel dat gedwongen zorg rechtvaardigt. De situatie is verbeterd en er is vertrouwen in voortzetting van vrijwillige zorg. Daarom werd het verzoek tot zorgmachtiging afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende ernstig nadeel en het vertrouwen in vrijwillige zorg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/696948 / FA RK 25-9941
Datum beschikking: 16 januari 2026

Afwijzing machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteland] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. R.T. Schrama te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 30 december 2025, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 24 december 2025 ondertekende medische verklaring van A. Schroth, psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 24 december 2025;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 29 december 2025;
- een afschrift van de politiemutaties;
- een brief van de officier van justitie van 8 december 2025, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn;
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- de verpleegkundig specialist, de heer [naam 1] ;
- de begeleider, [naam 2] .
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Door en namens betrokkene is er ter zitting naar voren gebracht dat betrokkene van mening is dat een zorgmachtiging niet noodzakelijk is. Betrokkene wil graag toewerken naar begeleid wonen en ziet in dat er zorg noodzakelijk is om structuur aan te brengen in zijn leven.
De advocaat bepleit afwijzing van het verzoek. Primair is het ernstig nadeel onvoldoende onderbouwd en ziet het slechts op wat er voorafgaand aan de opname heeft afgespeeld.
Subsidiair bepleit de advocaat afwijzing van het verzoek op grond van het ontbreken van verzet. Er is sprake van vrijwilligheid. De afgelopen periode zijn er geen vormen van verplichte zorg ingezet en neemt betrokkene zijn medicatie trouw in. Daarnaast begrijpt betrokkene het nut van de medicatie en wil hij graag goed kunnen blijven functioneren en rustig blijven. De situatie herhaalt zich, gelet op de inhoud van het dossier ten tijde van de mondelinge behandeling van de voortzetting van de crisismaatregel. De voortzetting van de crisismaatregel werd toen noodzakelijk geacht wegens veranderingen die zich zouden voordoen. Gebleken is echter dat er de afgelopen periode geen verplichte zorg noodzakelijk is geweest.. Momenteel wordt de zorgmachtiging alleen noodzakelijk geacht als stok achter de deur en voor het toewerken naar begeleid wonen. Gelet op de afgelopen periode kan vrijwilligheid worden aangenomen.
De verpleegkundig specialist heeft ter zitting aangegeven dat betrokkene rustig aanwezig is. De afgelopen periode is er geen verplichte zorg ingezet. De betrokkene komt zelf zijn medicatie halen. In de thuissituatie is betrokkene vermoedelijk gestopt met medicatie inname en waarschijnlijk als gevolg van middelengebruik is een ontregeling opgetreden. De zorgmachtiging ziet als stok achter de deur om de inname van medicatie te waarborgen en luxatie te voorkomen. Daarnaast ziet de zorgmachtiging ook op het bieden van structuur middels een opname en om een ontregeling te voorkomen bij de overgang naar een andere woonvorm. Het wordt voorzienbaar geacht dat betrokkene zijn medicatie zal staken als er geen sprake meer is van een dwingend juridisch kader. Er is onvoldoende vertrouwen in vrijwilligheid.

Beoordeling

Op 11 december 2025 is door de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 1 januari 2026.
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een niet-aangeboren hersenafwijking. Daarnaast is er sprake geweest van psychotische decompensaties en middelenmisbruik.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel er bij de behandelaren reële zorgen bestaan, ziet de rechtbank op dit moment te weinig aanwijzingen dat de gestelde psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel en daarmee aanleiding kan vormen tot gedwongen zorg. Daarnaast is de situatie van betrokkene verbeterd, gebruikt hij de medicatie en laat hij de zorg toe. Tevens heeft betrokkene tijdens de mondelinge behandeling verklaard toe te willen werken naar begeleid wonen en dat hij inziet dat de zorg noodzakelijk is voor het aanbrengen van structuur.
De behandelaar heeft toegelicht de zorgmachtiging nodig te hebben als vangnet, echter dit rechtvaardigt onvoldoende toewijzing van de zorgmachtiging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is voldaan aan de criteria voor en de doelstellingen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Er bestaat bij de rechtbank bovendien voldoende vertrouwen dat de behandeling op vrijwillige basis kan worden voortgezet. De rechtbank wijst om die reden het verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. Schueler, rechter, bijgestaan door L. Ammerlaan-Arkenbout als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 januari 2026.